Geen aftrek voorbelasting bij gekunstelde factuurstroom ter omzeiling derdenbeslag

Geen aftrek voorbelasting bij gekunstelde factuurstroom ter omzeiling derdenbeslag

A BV is een transportbedrijf dat deel uitmaakt van een netwerk van gelieerde ondernemingen gedreven door familieleden. Tot eind oktober 2018 voerde gelieerde B BV transportwerkzaamheden uit voor PostNL, welke zij factureerde aan een eveneens gelieerde VOF. Op 31 oktober 2018 legde de Belastingdienst echter derdenbeslag onder deze VOF vanwege onbetaalde belastingschulden van B BV. Na deze beslaglegging wijzigde de factuurstroom: B BV ging haar prestaties met berekening van omzetbelasting plotseling factureren aan A BV. De in rekening gebrachte btw werd door B BV niet afgedragen, terwijl A BV deze wel als voorbelasting in aftrek bracht. Medio november 2018 nam A BV bovendien het voltallige personeel en wagenpark van B BV over.

In geschil is of de Belastingdienst de aftrek van voorbelasting op de facturen van B BV (tot een bedrag van in totaal € 35.007) terecht heeft geweigerd via een naheffingsaanslag omzetbelasting. De Belastingdienst betoogt enerzijds dat A BV voor een deel van de facturen feitelijk niet de afnemer was van de prestaties, en stelt anderzijds dat B BV in de periode ná het afstoten van haar personeel en materieel überhaupt geen prestaties meer kon hebben verricht.

Rechtbank Gelderland overweegt onder verwijzing naar vaste rechtspraak (o.a. HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6535 en HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:680) dat een factuur op naam behoudens tegenbewijs het vermoeden oplevert dat de gefactureerde ook de afnemer is. De Belastingdienst is er echter in geslaagd dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. De factuurstroom werd louter tussen deze gelieerde partijen aangepast om het derdenbeslag te omzeilen, zonder dat sprake was van een reële rechtsbetrekking tussen A BV en B BV. Voor de facturen van na 16 november 2018 oordeelt de rechtbank bovendien dat het niet aannemelijk is dat B BV zonder personeel en materieel nog diensten aan A BV heeft verleend.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-03-2026
Datum publicatie
18-05-2026
Zaaknummer
ARN 24_4492
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag omzetbelasting. Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van voorbelasting omdat belanghebbende voor een deel van de aan haar verrichte prestaties niet de afnemer van die prestaties is. Voor een ander deel is niet aannemelijk dat de prestaties aan belanghebbende zijn verricht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026051809
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/4492

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 maart 2026
in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 22 december 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 40.272.

Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 2.716 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Namens belanghebbende heeft de gemachtigde deelgenomen. Namens de inspecteur hebben hieraan deelgenomen [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .

Feiten
1. Belanghebbende is opgericht op 24 maart 2016. Sedert 3 oktober 2017 is [persoon E] ( [persoon E] ), door koop van de aandelen, enig aandeelhouder van belanghebbende. Belanghebbende is gevestigd aan de [locatie] te [plaats] .

2. Naast [persoon E] is volgens de registratie bij de Kamer van Koophandel ook mevrouw [persoon F] ( [persoon F] of tante) per 1 november 2017 in geschreven als gemachtigde voor belanghebbende. [persoon F] is een tante van [persoon E] . Tot 4 december 2019 was [persoon E] de bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende. Hij woont bij zijn tante in.

3. Per 4 december 2019 is een nieuwe holdingmaatschappij opgericht, genaamd [naam holding] B.V. ( [naam holding] ). Vanaf dit moment is [naam holding] de houdster van alle aandelen in belanghebbende. [persoon E] is (indirect) aandeelhouder en bestuurder gebleven.

4. Belanghebbende verricht onder meer transportwerkzaamheden. Hierbij wordt voor diverse opdrachtgevers vrachtvervoer verzorgd. Het grootste deel van de omzet wordt behaald in verband met vervoerswerkzaamheden die – door middel van uitbesteding via een gelieerde tussenpersoon, V.O.F. [naam bedrijf 1] , – voor PostNL worden uitgevoerd. Er is zowel sprake van eigen vrachtwagens als van gehuurd materieel.

5. V.O.F. [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ) wordt geëxploiteerd door [persoon F] , de tante van [persoon E] . Zij beschikt over de benodigde Euro/Niwo vergunning om een transportbedrijf te kunnen exploiteren. Zij vervult de functie van externe vervoersmanager van belanghebbende.

6. [naam bedrijf 2] B.V. ( [naam bedrijf 2] ) verricht – evenals belanghebbende – diverse diensten voor [naam bedrijf 1] . De aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf 2] is [persoon G] , de vader van [persoon E] . Ook [naam bedrijf 2] is gevestigd aan de [locatie] te [plaats] .

7. In verband met onbetaald gebleven belastingschulden van [naam bedrijf 2] heeft de ontvanger van de Belastingdienst (de ontvanger) op 31 oktober 2018 derdenbeslag gelegd onder [naam bedrijf 1] .

8. [naam bedrijf 2] heeft vóór de derdenbeslagdatum 31 oktober 2018 de volgende facturen aan belanghebbende gezonden:

Datum

omschrijving

Bedrag excl. OB

Omzetbelasting

Totaal

12-06-20181

Spoedroutes Groot vervoer

€ 2.050

€ 430,50

€ 2.480,50

26-06-20182

Spoedroutes Groot vervoer

€ 2.750

€ 577,50

€ 3.327,50

12-07-20183

Spoedroutes Groot vervoer

€ 4.500

€ 945,00

€ 5.445,00

29-10-20184

Transport [naam bedrijf 3] 10 dagen vast tarief per dag

€ 4.850

€ 1.018,50

€ 5.868,50

9. [naam bedrijf 2] heeft na de derdenbeslagdatum 31 oktober 2018 de volgende facturen aan belanghebbende gezonden5:

Datum

omschrijving

Bedrag excl. OB

Omzetbelasting

Totaal

5-11-2018

Transport PostNL 52 ritten a € 500 per dag, 5 trekker opleggers

€ 26.000

€ 5.460

€ 31.460

12-11-2018

Transport PostNL 72 ritten a € 500 per dag, 8 trekker opleggers

€ 36.000

€ 7.560

€ 43.560

15-11-2018

Verkocht oplegger met laadklep [kentekennummer]

€ 5.000

€ 1.050

€ 6.050

19-11-2018

Transport PostNL 56 ritten a € 500 per dag, 8 trekker opleggers

€ 28.000

€ 5.880

€ 33.880

26-11-2018

Transport PostNL 60 ritten a € 500 per dag, 8 trekker opleggers

€ 30.000

€ 6.300

€ 36.300

3-12-2018

Transport PostNL 36 ritten a € 500 per dag, 8 trekker opleggers

€ 18.000

€ 3.780

€ 21.780

3-12-2018

Transport PostNL 13 ritten a € 500 per dag, 2 trekker opleggers

€ 6.500

€ 1.365

€ 7.865

29-12-2018

Transport PostNL 11 ritten a € 500 per dag, 2 trekker opleggers

€ 6.000

€ 1.260

€ 7.260

29-12-20186

Telefoonkosten november en december, doorbelasting Track&Trace

€ 2.150

€ 451,50

€ 2.601,50

Totaal 2018:

€ 33.106,50

4-02-2019

Spoedroutes groot vervoer

€ 4.800,00

€ 1.008,00

€ 5.808

15-2-2019

Spoedroutes groot vervoer

€ 826,45

€ 173,55

€ 1.000

22-2-2019

Spoedroutes groot vervoer

€ 3.429,75

€ 720,25

€ 4.150

Totaal 2019:

€ 1.901,80

10. Belanghebbende heeft na de derdenbeslagdatum 31 oktober 2018 tot eind 2018 de volgende facturen aan [naam bedrijf 1] gezonden7:

Datum

Omschrijving

Bedrag excl. OB

Omzetbelasting

Totaal

5-11-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 428

€ 26.500,00

€ 5.565,00

€ 32.065,00

12-11-2018

Groot vervoer, totaal 78 gereden ritten

€ 39.433,69

€ 8.281,07

€ 47.714,76

19-11-2018

Groot vervoer, totaal 75 gereden ritten

€ 31.709,18

€ 6.658,93

€ 38.368,11

26-11-2018

Groot vervoer, week 459 gereden ritten

€ 41.136,96

€ 8.638,76

€ 49.775,72

3-12-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 46

€ 31.200,00

€ 6.552

€ 37.752,00

9-12-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 47

€ 39.030,00

€ 8.196,30

€ 47.226,30

17-12-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 48

€ 41.833,66

€ 8.785,07

€ 50.618,73

24-12-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 49

€ 40.002,29

€ 8.400,48

€ 48.402,77

30-12-2018

Groot vervoer, gereden ritten week 50

€ 43.610,00

€ 9.158,10

€ 52.768,10

11. Op 16 november 201810 is het personeel van [naam bedrijf 2] bij belanghebbende in dienst gekomen. Ook zijn de leasecontracten voor het wagenpark van [naam bedrijf 2] op die datum door belanghebbende overgenomen en voortgezet.

12. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangiften omzetbelasting en loonheffingen over (de tijdvakken in) de periode 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2019. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport boekenonderzoek met datum 4 februari 2021. Naar aanleiding daarvan is onder meer onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en is belastingrente in rekening gebracht.

13. De naheffingsaanslag van in totaal € 40.272 is als volgt gespecificeerd:

Betreft

Bedrag omzetbelasting

2018

2019

[naam bedrijf 4]

250

[naam bedrijf 5] B.V.

1.594

[naam bedrijf 6]

3.421

[naam bedrijf 2] B.V.

33.106

1.901

Totaal:

33.106

7.166

14. Het tegen de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking gemaakte bezwaar is door de inspecteur ongegrond verklaard. Daartegen heeft belanghebbende tijdig beroep ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank
15. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

16. In geschil is of de inspecteur de door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting ter zake van de facturen van [naam bedrijf 2] van in totaal € 35.007 terecht en tot het juiste bedrag heeft nageheven. De overige correcties zijn niet in geschil. De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting op de facturen van [naam bedrijf 2] geweigerd op basis van verschillende argumenten. Hij heeft in beroep onder meer aangevoerd dat voor een deel van de facturen niet aannemelijk is dat belanghebbende de afnemer was van de prestaties van [naam bedrijf 2] . Voor een ander deel van de facturen acht de inspecteur het niet aannemelijk dat [naam bedrijf 2] prestaties heeft verricht, omdat [naam bedrijf 2] in de betreffende periode geen personeel meer had.

17. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Rechtskader

18. Op grond van artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) is een ondernemer – kort gezegd – verplicht een factuur uit te reiken ter zake van zijn leveringen of diensten die hij heeft verricht aan een andere ondernemer. Op de factuur moet hij onder meer de naam van de afnemer vermelden. Onder afnemer moet worden verstaan degene met wie de ondernemer een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de ondernemer de levering verricht of de dienst verleent.11

19. Op grond van artikel 2 van de Wet OB in verbinding met artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet OB, brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt in het kader van zijn onderneming, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

20. Volgens de Hoge Raad brengt dit mee dat het, behoudens tegenbewijs, ervoor moet worden gehouden dat degene aan wie door een ondernemer een factuur wordt uitgereikt waarin hij wordt genoemd als degene aan wie de in de factuur vermelde levering of dienst is verricht en waarin hij verplicht wordt te betalen, degene is aan wie de ondernemer zijn leveringen of diensten heeft verricht in de zin van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet OB.12 Het gaat hier om een bewijsvermoeden.

Komt de voorbelasting op de facturen van [naam bedrijf 2] voor aftrek in aanmerking?

21. De rechtbank maakt voor de beoordeling onderscheid tussen de facturen die betrekking hebben op werkzaamheden in de periode vóór 16 november 2018 (facturen van 5 november 2018 tot en met 3 december 2018) en facturen die betrekking hebben op werkzaamheden in de periode daarna (facturen vanaf 9 december 2018). Dit onderscheid is van belang, omdat [naam bedrijf 2] op 16 november 2018 al haar personeel en haar wagenpark aan belanghebbende heeft overgedragen.

22. Voor de facturen die betrekking hebben op werkzaamheden in de periode vóór 16 november 2018 geldt het volgende.

23. Belanghebbende claimt aftrek van voorbelasting, omdat aan haar facturen met omzetbelasting zijn uitgereikt. De inspecteur heeft aangevoerd dat belanghebbende geen recht op aftrek heeft, omdat zij gelet op de omstandigheden niet de afnemer van de prestaties was. Het is dus van belang om vast te stellen wie de afnemer is van de prestaties die door [naam bedrijf 2] aan belanghebbende zijn gefactureerd. Omdat vast staat dat belanghebbende in onderhavig tijdvak facturen van [naam bedrijf 2] heeft ontvangen, welke facturen op naam van belanghebbende staan en omdat belanghebbende deze facturen bovendien heeft betaald, wordt op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad vermoed dat belanghebbende de afnemer is van de prestaties. De inspecteur kan dit bewijsvermoeden ontzenuwen.

24. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur daarin is geslaagd door te wijzen op alle bijzondere omstandigheden van dit geval. Deze omstandigheden zijn de volgende. Tot de datum van beslaglegging (31 oktober 2018) werden de prestaties van [naam bedrijf 2] voor PostNL (transportwerkzaamheden) aan [naam bedrijf 1] gefactureerd. Vanaf 5 november 2018, dus na die beslaglegging, zijn de facturen door [naam bedrijf 2] met berekening van omzetbelasting aan belanghebbende gezonden. [naam bedrijf 2] heeft die omzetbelasting niet aan de Belastingdienst voldaan, terwijl belanghebbende die omzetbelasting wel als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. In diezelfde maand, te weten op 16 november 2018, zijn de activiteiten van [naam bedrijf 2] voor PostNL ondergebracht bij belanghebbende. Per die datum is het personeel van [naam bedrijf 2] bij belanghebbende in dienst gekomen. Korte tijd later zijn ook de leasecontracten voor het wagenpark door belanghebbende overgenomen en voortgezet. Niet duidelijk is op basis waarvan [naam bedrijf 2] vóór 16 november 2018 (dus voor datum overgang activiteiten) haar prestaties aan belanghebbende heeft gefactureerd, terwijl [naam bedrijf 2] voor het derdenbeslag altijd aan [naam bedrijf 1] factureerde. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is geweest van een wijziging in de rechtsbetrekking tussen [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 1] en tussen [naam bedrijf 2] en belanghebbende. Ook is er geen reden gegeven voor het tussenschuiven van belanghebbende. De inspecteur heeft erop gewezen dat hij steeds om stukken en uitleg op dit punt heeft gevraagd, maar nooit iets heeft ontvangen. Ook in beroep heeft belanghebbende hierin geen duidelijkheid verschaft. Het enige dat duidelijk is, is dat er derdenbeslag is gelegd onder [naam bedrijf 1] ten laste van [naam bedrijf 2] , waardoor factureren door [naam bedrijf 2] aan [naam bedrijf 1] niet langer aantrekkelijk was. Dit kan reden zijn geweest voor de drie partijen om de facturen aan te passen. Daarbij is van belang dat [naam bedrijf 2] , belanghebbende en [naam bedrijf 1] aan elkaar gelieerde partijen zijn. Het zijn namelijk bedrijven van vader, zoon en tante, gevestigd en wonend op hetzelfde adres. Daardoor waren de facturen gemakkelijk aan te passen aan wat financieel aantrekkelijk was. De bewijskracht van de facturen is daarom minder dan bij facturen tussen onafhankelijke partijen. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de inspecteur het bewijsvermoeden heeft ontzenuwd.

25. Op belanghebbende, die aanspraak maakt op aftrek van voorbelasting, rust daarom volgens de hoofdregel weer de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op aftrek. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat zij de afnemer was van prestaties die door [naam bedrijf 2] zijn verricht. Belanghebbende heeft gesteld dat zij zelf voor eigen rekening en risico diensten voor [naam bedrijf 1] heeft uitgevoerd en daarvoor (deels) van diensten van [naam bedrijf 2] gebruik heeft gemaakt, hetgeen volgens haar ook aannemelijk is vanwege de (blijkens de facturen) gerealiseerde marges, die aanzienlijk zijn en die per transactie verschillen.

26. De rechtbank is van oordeel dat ieder aanknopingspunt ontbreekt dat tussen belanghebbende en [naam bedrijf 2] een rechtsbetrekking bestond ter zake van vervoer voor PostNL. De enkele stelling dat belanghebbende van de diensten van [naam bedrijf 2] gebruik heeft gemaakt en daarbij marges heeft gerealiseerd, is zonder nadere toelichting en onderbouwing, die ontbreekt, niet voldoende. Het had op de weg van belanghebbende gelegen nader te onderbouwen dat – en zo ja welke – afspraken er met [naam bedrijf 2] ter zake van de verleende diensten zijn gemaakt en wat er daadwerkelijk is gebeurd. Belanghebbende heeft daarover geen stukken of anderszins verifieerbare gegevens overgelegd. De omstandigheid dat er marges zichtbaar zijn op de facturen is niet relevant, omdat het enkele bestaan van facturen met marges niet bewijst dat sprake is geweest van een rechtsbetrekking tussen [naam bedrijf 2] en belanghebbende voor wat betreft het vervoer voor PostNL. De stelling dat belanghebbende vóór de derdenbeslagdatum al diensten afnam van [naam bedrijf 2] maakt het oordeel niet anders, omdat het aantal facturen en de omvang van de gefactureerde bedragen na de derdenbeslagdatum veel hoger is dan ervoor en dit niet goed te begrijpen is en belanghebbende hiervoor ook geen verklaring heeft gegeven.

27. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor wat betreft de facturen vanaf 5 november 2018 tot en met de factuur van 3 december 2018 als afnemer van de gefactureerde diensten is aan te merken. Aan belanghebbende komt daarom ter zake van de op deze facturen vermelde omzetbelasting geen recht op aftrek toe. Deze aftrek is daarom terecht nageheven.

28. De voorbelasting die is vermeld op de facturen vanaf 9 december 2018 is ook niet aftrekbaar. Deze facturen hebben namelijk betrekking op gereden ritten vanaf week 47, dus na 16 november 2018. Gelet op het feit dat het personeel en het materieel van [naam bedrijf 2] vanaf 16 november 2018 was overgedragen aan belanghebbende en [naam bedrijf 2] dus niet meer de beschikking had over personeel en materieel, is niet duidelijk welke prestaties [naam bedrijf 2] voor belanghebbende kan hebben verricht. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat [naam bedrijf 2] vanaf 16 november 2018 prestaties jegens belanghebbende heeft verricht.

29. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake zou zijn geweest van inlening van personeel bij [naam bedrijf 2] . De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is. Enerzijds omdat er na 16 november 2018 geen personeel meer in [naam bedrijf 2] was dat kon worden ingeleend door belanghebbende en anderzijds omdat op de facturen is vermeld dat het gaat om gereden ritten. Belanghebbende heeft haar stelling ook niet onderbouwd met stukken. Zij heeft er alleen op gewezen dat in een met de inspecteur gesloten vaststellingsovereenkomst ter zake van de loonheffingen is opgenomen dat sprake zou kunnen zijn van uitbestede transportwerkzaamheden die door [naam bedrijf 2] niet aan belanghebbende zijn gefactureerd. Deze omstandigheid kan belanghebbende niet baten. Bij die overeenkomst ging het namelijk om een compromis over een ander belastingmiddel, waarin bovendien vaag is gelaten wat er is gebeurd. Dit stuk heeft geen enkele bewijskracht voor deze zaak over aftrek van omzetbelasting.

30. Voor de facturen ter zake van de gereden ritten na 16 november 2018 is de rechtbank daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam bedrijf 2] prestaties aan belanghebbende heeft verricht. Om die reden kan belanghebbende de voorbelasting op de facturen vanaf 9 december 2018 eveneens niet in aftrek brengen. Ook in zoverre is die voorbelasting dus terecht nageheven.

31. Er zijn nog twee andere facturen waarvan de aftrek van voorbelasting is gecorrigeerd.

32. Op de factuur van 15 november 2018 is vermeld dat [naam bedrijf 2] een oplegger met berekening van omzetbelasting heeft geleverd aan belanghebbende. De inspecteur heeft aangevoerd dat niet aannemelijk is dat deze oplegger daadwerkelijk is geleverd. Er is meermaals om stukken gevraagd, maar die zijn niet ontvangen. De oplegger zou contant zijn betaald en de overschrijving van het kenteken is niet overgelegd. De rechtbank kan op basis van de stukken in het dossier niet vaststellen of het betreffende voertuig is geleverd aan belanghebbende. Een betalingsbewijs van de factuur ontbreekt en een overschrijvingsbewijs van het kenteken is ook niet aanwezig. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat het voertuig is geleverd aan belanghebbende. Om die reden komt de aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op deze factuur ook niet voor aftrek in aanmerking.

33. Op de factuur van 29 december 2018 is door [naam bedrijf 2] met omschrijving “telefoonkosten november en december en doorbelasting track&trace” een bedrag aan belanghebbende in rekening gebracht. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam bedrijf 2] na 16 november 2018 nog prestaties aan belanghebbende heeft verricht. Het berekenen van telefoonkosten en track&trace kosten is dan niet aan te merken als een prestatie van [naam bedrijf 2] jegens belanghebbende. Om die reden is de voorbelasting op die factuur eveneens niet aftrekbaar.

34. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen
35. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. M. Wevers en mr. W.E. van Asbeck, leden, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.

Deze uitspraak is uitgesproken op 13 maart 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.

griffier

voorzitter

Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift, p. 75.

2Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift, p. 74.

3Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift, p. 73.

4Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift p. 63.

5Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift vanaf p. 64.

6Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift, p. 76.

7Zie deel 4 bijlage 7.3 van het verweerschrift vanaf p. 22 (gerangschikt van nieuwste naar oudste factuur).

8Week 42 van 2018 is de week van 15 tot en met 21 oktober, dus voor de datum van het derdenbeslag.

9Week 45 in 2018 is 5 tot en met 11 november, dus na de datum van het derdenbeslag.

1016 november valt op de vrijdag van week 46.

11HR 25 maart 1998, nr. 33096, LJ AA2468, BNB 1998/181 en HR 8 oktober 2004, nr.38482, LJN AO3176, BNB 2005/6.

12Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6535 en Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:680.

ECLI:NL:RBGEL:2026:2049

Scroll naar boven