Geen invorderingsrente na btw-teruggave bij eigen fout in afstandsverkopen
A BV verrichtte in de jaren 2015 tot en met augustus 2018 afstandsverkopen aan Belgische particulieren en voldeed hierover ten onrechte Nederlandse omzetbelasting, terwijl de omzetdrempel was overschreden en de belasting in België verschuldigd was. Na naheffingen door de Belgische fiscus verzocht A met succes om teruggave van de in Nederland afgedragen omzetbelasting door de Belastingdienst. Vervolgens verzocht A om vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c Invorderingswet (IW) over deze terugbetaalde bedragen.
In geschil is of A recht heeft op vergoeding van invorderingsrente. De kernvraag hierbij is of de destijds in Nederland voldane en inmiddels teruggegeven omzetbelasting kwalificeert als belasting die “in strijd met het Unierecht is geheven”. A beriep zich onder meer op het HvJ arrest Irimie, stellende dat de schuldvraag niet relevant is. De Belastingdienst wees daarentegen op de HvJ arresten Humda (C-397/21, ECLI:EU:2022:790) en Dinkelland (C-674/22, ECLI:EU:2024:147), en beargumenteerde dat de fout in de administratie volledig bij A lag.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt in het voordeel van de Belastingdienst en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het hof leidt uit het arrest Dinkelland af dat de schuldvraag wel degelijk relevant is bij de beoordeling of belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Omdat de ten onrechte afgedragen omzetbelasting uitsluitend voortvloeide uit een vergissing van A zelf, en de Belastingdienst hiervan geen enkel verwijt valt te maken, is de belasting niet in strijd met het Unierecht geheven. Derhalve bestaat er geen recht op invorderingsrente op grond van artikel 28c IW.
Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2026
Datum publicatie
12-05-2026
Zaaknummer
24/1535 tot en met 24/1544 en 26/486
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:6088, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Artikel 28c IW
Belanghebbende heeft over diverse jaren in verband met afstandsverkopen aan Belgische particulieren Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht en op aangiften voldaan. Nadat is gebleken dat in alle jaren de omzetdrempel van art. 5a Wet OB is overschreden en als gevolg daarvan de Belgische Belastingdienst naheffingsaanslagen omzetbelasting heeft opgelegd, dient belanghebbende suppletieaangiften in en vraagt daarin de in Nederland afgedragen omzetbelasting terug. De inspecteur wijst de verzoeken toe en betaalt de ten onrechte voldane omzetbelasting terug.
In geschil is vervolgens of belanghebbende op grond van art. 28c IW recht heeft op een vergoeding van invorderingsrente. Het hof oordeelt dat, met name, uit het arrest HvJ EU Dinkelland volgt dat belanghebbende geen recht heeft op een dergelijke vergoeding. In onderhavig geval is niet in geschil dat de aanvankelijk door belanghebbende aangegeven en afgedragen omzetbelasting een vergissing was en dat deze vergissing niet is te wijten aan de inspecteur, maar geheel aan belanghebbende. De op de teruggaven teruggegeven omzetbelasting kwalificeert daarmee niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. Hoger beroep gegrond. Vernietiging uitspraak rechtbank.
Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 28c
Wet op de omzetbelasting 1968 5a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1535 tot en met 24/1544 en 26/486
Uitspraak op het hoger beroep van
De ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 augustus 2024, nummers BRE 21/2832 tot en met 21/2842, in het geding tussen de ontvanger, en
[belanghebbende] B.V.,gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft suppletieaangiften gedaan voor de omzetbelasting over de tijdvakken 2015 tot en met augustus 2018 en daarbij verzocht om teruggaaf van in Nederland voldane omzetbelasting. De inspecteur heeft bij separate beschikkingen teruggaven van omzetbelasting verleend.
1.2.
In het kader van de teruggaven heeft belanghebbende op 25 juni 2020 verzocht om rentevergoedingen. Deze verzoeken zijn op 6 augustus 2020 door de ontvanger afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Bij brief van 8 april 2021 heeft de ontvanger geconstateerd dat de beschikking van 6 augustus 2020 op onjuiste gronden is gegeven en heeft een nieuwe beschikking gegeven, waarbij hij de beschikking van 6 augustus 2020 heeft ingetrokken. In de nieuwe beschikking worden de verzoeken van belanghebbende van 25 juni 2020 wederom afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.
1.6.
De ontvanger heeft tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de ontvanger, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
1.8.
De ontvanger heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.9.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een ingevuld en ondertekend formulier proceskosten overgelegd.
1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.11
Na de zitting is gebleken dat er door het hof abusievelijk geen zaaknummer in hoger beroep is aangemaakt voor de procedure die ziet op zaaknummer BRE 21/2842 bij de rechtbank. Het hof heeft daarop het onderzoek heropend en het respectievelijke zaaknummer aangemaakt, zijnde zaaknummer 26/486. Het hof heeft bepaald dat in zaak 26/486 de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen daarop schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft over de jaren 2015, 2016, 2017 en over de maanden januari tot en met augustus van 2018 in verband met zogeheten afstandsverkopen aan Belgische particuliere afnemers Nederlandse omzetbelasting in rekening gebracht. Die omzetbelasting heeft zij in Nederland op aangiften voldaan.
2.2.
In alle genoemde jaren is de omzetdrempel van artikel 5a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 1 juli 2021, hierna: Wet OB 1968) overschreden. Niet in geschil is dat belanghebbende daardoor de omzetbelasting verschuldigd is geworden in België. De Belgische Belastingdienst heeft in dat kader aan belanghebbende naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd, die door belanghebbende zijn betaald.
2.3.
Belanghebbende heeft op 16 oktober 2018 suppletieaangiften omzetbelasting ingediend en daarin de in Nederland voldane omzetbelasting teruggevraagd. De inspecteur heeft deze verzoeken toegewezen en de ten onrechte voldane omzetbelasting terugbetaald. Het gaat om een totaalbedrag van € 1.413.610, als volgt verdeeld over de respectievelijke jaren:
jaar
bedrag
2015
€ 285.582
2016
€ 370.017
2017
€ 409.278
2018 (tot en met augustus)
€ 348.733
2.4.
Belanghebbende heeft op 25 juni 2020 aan de ontvanger verzocht om over de
terugbetaalde bedragen invorderingsrente te vergoeden op basis van artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW). Dit verzoek is op 6 augustus 2020 bij beschikking als bedoeld in artikel 30 IW afgewezen, omdat het niet tijdig was gedaan. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt met verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018.1
2.5.
De ontvanger heeft op 8 april 2021 de beschikking van 6 augustus 2020 ingetrokken en een nieuwe beschikking gegeven, waarbij het verzoek om rente te vergoeden opnieuw is afgewezen. De bezwaren van belanghebbende tegen de nieuwe beschikking zijn ongegrond verklaard.
2.6.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 30 augustus 2024 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft de rentevergoeding aan belanghebbende vastgesteld op een bedrag van € 188.832,75, heeft de ontvanger opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht ten bedrage van € 360 te vergoeden, en heeft de ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.374.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of op grond van artikel 28c IW invorderingsrente moet worden vergoed, waarbij het in het bijzonder gaat om de vraag of de teruggegeven omzetbelasting in strijd met het Unierecht is geheven.
3.2.
Ter zitting heeft de ontvanger uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn verzoek ingetrokken om belanghebbende, in geval van gegrondverklaring van het hoger beroep, te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
3.3.
De ontvanger concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en handhaving van de beschikking van 8 april 2021. Belanghebbende concludeert tot handhaving van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
De ontvanger heeft primair aangevoerd dat de verantwoordelijkheid dat de materieel verschuldigde omzetbelasting juist wordt vastgesteld bij de belastingplichtige ligt en niet bij de inspecteur. De inspecteur is pas op de hoogte gekomen van het feit dat sprake is van afstandsverkopen en overschrijding van de drempel voor afstandsverkopen op het moment dat belanghebbende de suppletieaangiften omzetbelasting over de betreffende tijdvakken heeft ingediend en daarmee zijn fouten in de initieel ingediende aangiften heeft hersteld. Het is aan fouten van belanghebbende te wijten dat er teveel omzetbelasting is afgedragen, omdat het belanghebbende is die de regeling inzake afstandsverkopen foutief heeft toegepast. Om die reden hoeft de ontvanger, op grond van arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU), te weten Humda2 en Dinkelland3, geen invorderingsrente te vergoeden, omdat geen sprake is van ‘in strijd met het Unierecht geheven belasting’.
Daarnaast zijn de suppletieaangiften van 2015 tot en met juli 2018 niet tijdig ingediend. Zij zijn daarom aan te merken als verzoeken om ambtshalve vermindering. Alleen de suppletieaangifte welke ziet op het tijdvak augustus 2018 is aan te merken als tijdig bezwaar. Uit HvJ EU Gräfendorfer4 blijkt dat geen rente vergoed hoeft te worden wegens heffingen die een lidstaat in strijd met het Unierecht heeft toegepast als de belastingplichtige de rechten die uit het Unierecht voortvloeien niet heeft geëffectueerd.
Subsidiair stelt de ontvanger dat het toekennen van een rentevergoeding in deze zaak op grond van artikel 28c IW in strijd is met de wettekst en de bedoeling van de Nederlandse wetgever.
4.2.
Belanghebbende voert aan dat de ontvanger HvJ EU Dinkelland verkeerd uitlegt, onder meer omdat dit arrest handelt over de aftrek van voorbelasting in de verhouding economische/niet-economische activiteiten. Met een verwijzing naar HvJ EU Irimie5 stelt belanghebbende dat niet van belang is wie schuld heeft aan de foutief aangegeven en afgedragen omzetbelasting. Ook het arrest HvJ EU Gräfendorfer verschilt op wezenlijke punten van onderhavige situatie en kan de ontvanger daarom niet baten.
4.3.
Artikel 28c IW luidt, voor zover van belang:
“1. Voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur gehouden is belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven, wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed.
(…)
3. De termijn voor het indienen van een verzoek om vergoeding van invorderingsrente op grond van dit artikel eindigt zes weken na dagtekening van de beschikking, bedoeld in het eerste lid.”.
4.4.
Het HvJ EU heeft in zijn arrest Dinkelland6 onder meer het volgende overwogen:
“28. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank Gelderland de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1) Dient de rechtsregel, dat vertragingsrente moet worden vergoed omdat recht bestaat op teruggaaf van in strijd met het Unierecht geheven belasting, aldus te worden uitgelegd dat, ingeval aan een belastingplichtige een teruggaaf van omzetbelasting is verleend, aan die belastingplichtige vertragingsrente moet worden vergoed, in de situatie dat:
a) de teruggaaf het gevolg is van vergissingen in de administratie van de belastingplichtige, zoals omschreven in deze uitspraak, en waarvan de inspecteur geen enkel verwijt kan worden gemaakt;
b) de teruggaaf het gevolg is van een herberekening van de verdeelsleutel voor de aftrek van omzetbelasting op algemene kosten, onder de omstandigheden zoals omschreven in deze uitspraak?
[…](…)
36. Wat […] het begrip „in strijd met het Unierecht” betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat wanneer de belastingplichtige bij vergissing btw in rekening brengt, deze niet in strijd met het Unierecht wordt geheven maar overeenkomstig artikel 203 van de btw-richtlijn, dat bepaalt dat eenieder die de btw op een factuur vermeldt, de op die factuur vermelde belasting verschuldigd is (zie in die zin arrest van 13 oktober 2022, HUMDA,C‑397/21, EU:C:2022:790, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(…)
38. Bijgevolg kan een btw-bedrag niet worden geacht „in strijd met het Unierecht” te zijn geheven omdat de belastingplichtige zijn recht op aftrek per vergissing niet heeft uitgeoefend.”.
Wat leidt tot het volgende oordeel:
“61. Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het niet de verplichting oplegt om rente aan een belastingplichtige te betalen vanaf de betaling van een btw-bedrag dat vervolgens door de belastingdienst wordt terugbetaald, wanneer die teruggaaf […] het gevolg is van de vaststelling dat de belastingplichtige wegens fouten in zijn boekhouding zijn recht op aftrek van voorbelasting voor de betrokken jaren niet volledig heeft uitgeoefend […].”.
4.5.
Uit het arrest Dinkelland leidt het hof af dat het voor de beantwoording van de vraag of belasting in strijd met het Unierecht is geheven, in tegenstelling tot hetgeen is betoogd door belanghebbende, wel degelijk relevant is of en in hoeverre de belastingplichtige een verwijt kan worden gemaakt. Als zodanig kan dit arrest worden opgevat als een precisering van hetgeen het HvJ EU heeft geoordeeld in het arrest Irimie.7 In onderhavig geval is niet in geschil dat de aanvankelijk door belanghebbende aangegeven en afgedragen omzetbelasting een vergissing was en dat deze vergissing niet is te wijten aan de inspecteur, maar geheel aan belanghebbende.
4.6.
Hoewel de feiten in het arrest Dinkelland niet in aftrek gebrachte voorbelasting betroffen en het in onderhavige zaak onterecht afgedragen omzetbelasting betreft, vermag het hof niet in te zien dat er, voor beantwoording van de vraag of er belasting is geheven in strijd met het Unierecht, een onderscheid tussen beide situaties gemaakt moet worden.
4.7.
Voor wat betreft de stelling van belanghebbende dat het arrest Dinkelland handelt over de aftrek van voorbelasting in de verhouding economische/niet-economische activiteiten en dat dit anders is in dit geval, overweegt het hof dat de stelling van belanghebbende ziet op de beantwoording van een prejudiciële vraag zoals geformuleerd onder 1 en b in punt 28 van het genoemde arrest (zie hiervoor 4.4). Dat de feiten die ten grondslag hebben gelegen aan deze prejudiciële vraag wezenlijk verschillen van de feiten zoals aan de orde in onderhavig geval, kan belanghebbende niet baten. Van het voorgaande moet echter worden onderscheiden de beantwoording van de prejudiciële vraag zoals geformuleerd onder 1 en a in punt 28 van het genoemde arrest, welke onderliggende feiten naar hun aard wél vergelijkbaar zijn met de feiten zoals aan de orde in onderhavig geval.
4.8.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de op de teruggaven teruggegeven omzetbelasting, welke teruggaven het gevolg zijn geweest van onjuist door belanghebbende aangegeven en afgedragen omzetbelasting op afstandsverkopen, niet kwalificeren als in strijd met het Unierecht geheven belasting. Om die reden heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c IW. Aangezien de ontvanger reeds op dit punt in het gelijk wordt gesteld, behoeven de overige stellingen van de ontvanger geen behandeling meer.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.10.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5Beslissing
Het hof:
–
verklaart het hoger beroep gegrond;
–
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
–
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
1Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1789.
2HvJ EU 13 oktober 2022, ECLI:EU:2022:790.
3HvJ EU 22 februari 2024, ECLI:EU:2024:147.
4HvJ EU 28 april 2022, ECLI:EU:2022:306.
5HvJ EU 18 april 2013, ECLI:EU:2013:250.
6HvJ EU 22 februari 2024, ECLI:EU:2024:147.
7HvJ EU 18 april 2013, ECLI:EU:2013:250.