Tijdigheid naheffingsaanslag: Verzendrapport Belastingdienst levert bewijs terpostbezorging

Tijdigheid naheffingsaanslag: Verzendrapport Belastingdienst levert bewijs terpostbezorging

A drijft een eenmanszaak in de verkoop van ansichtkaarten en brochures. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst ter behoud van rechten een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over 2018 opgelegd, evenals aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor 2019. De naheffingsaanslag OB is door de Belastingdienst voorzien van de dagtekening 28 december 2023.

Ter zitting is tussen partijen een compromis bereikt over de aanslag IB/PVV 2019, waarbij de inkomenscorrectie met de helft is verminderd naar € 17.500. Het overgebleven en belangrijkste geschil ziet op de vraag of de naheffingsaanslag OB 2018 door de Belastingdienst tijdig is opgelegd. A stelt dat de naheffing buiten de termijn van vijf jaren is opgelegd omdat hij deze pas in januari 2024 heeft ontvangen, terwijl de Belastingdienst aanvoert dat de aanslag blijkens de verzendadministratie al op 21 december 2023 tijdig ter postbezorging is aangeboden.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de Belastingdienst met het overgelegde verzendrapport voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het poststuk tijdig is aangeboden aan PostNL en daarmee op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In lijn met vaste jurisprudentie (onder meer Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, en Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202) is in dat geval de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend voor de vraag of de aanslag binnen de termijn is opgelegd. Omdat de dagtekening van het biljet 28 december 2023 is, valt deze binnen de vervaltermijn van vijf jaar. Het beroep tegen de naheffingsaanslag OB wordt dan ook ongegrond verklaard.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2026
Datum publicatie
11-05-2026
Zaaknummer
AWB 24_9276, 25_4472 en 25_4476
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag OB over 2018 en aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering 2019. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2019 hebben partijen ter zitting een compromis bereikt. Ten aanzien van de naheffingsaanslag OB is in geschil of deze tijdig is opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden en op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Naheffingsaanslag OB tijdig opgelegd. Het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag OB is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026051109
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 24/9276, SGR 25/4472 en SGR 25/4476

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. N. Idrissi),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over 20181 (de naheffingsaanslag) opgelegd. Verder heeft verweerder een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV)2 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 20193 opgelegd. Verweerder heeft belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2024 het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025 de aanslag IB/PVV en de daarbij gegeven rentebeschikking verlaagd. De aanslag Zvw en de daarbij gegeven rentebeschikking zijn gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1], [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen
Feiten

1. Eiser drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijfsnaam]. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit de verkoop van ansichtkaarten en brochures. De verkoop wordt landelijk verricht door studenten en scholieren middels huis-aan-huisverkoop of bedrijfsbezoeken.

2. Eiser heeft op 7 mei 2021 aangifte IB/PVV voor het jaar 2019 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.610. De aangegeven belastbare winst uit onderneming bedraagt € 48.094 en de in aftrek gebrachte hypotheekrente bedraagt € 5.909.

3. Verweerder heeft op 20 februari 2023 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en de OB voor de jaren 2018 tot en met 2021.

4. Met dagtekening 8 december 2023 heeft verweerder ter behoud van rechten de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is daarbij geschat en vastgesteld op € 100.000. De aanslag Zvw is opgelegd naar het maximum premie inkomen van € 55.927.

5. Verweerder heeft ter behoud van rechten de naheffingsaanslag OB opgelegd naar een te betalen bedrag van € 25.000 en daarbij € 4.974 belastingrente in rekening gebracht. Op de naheffingsaanslag staat als dagtekening 28 december 2023.

6. De bevindingen uit het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 februari 2025. Verweerder heeft geconcludeerd dat onder meer de inkoopfacturen ontbreken, de administratie niet te controleren is en zijn bevindingen aanleiding geven tot twijfel aan de volledigheid van de verantwoorde winst en de in aftrek gebrachte hypotheekrente.

7. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 mei 2024 het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 70.723. De bezwaren tegen de aanslag Zvw en de naheffingsaanslag OB zijn ongegrond verklaard.

Geschil

8. Met betrekking tot de aanslag IB/PVV zijn partijen ter zitting overeen gekomen dat de correctie van € 35.015 ten aanzien van het belastbaar inkomen uit werk en woning zoals weergegeven op pagina 19 van het controlerapport zal worden gehalveerd en derhalve op € 17.500 dient te worden gesteld. De rechtbank zal aldus beslissen.

9. Ten aanzien van de naheffingsaanslag is in geschil of deze tijdig is opgelegd. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat sprake is van schending van het verdedigingsbeginsel en dat de advocaatkosten zakelijk waren. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde om deze punten voor het eerst ter zitting aan te voeren en laat deze punten als tardief buiten beschouwing.

10. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag niet binnen de naheffingstermijn van vijf jaren is opgelegd, nu hij deze pas heeft ontvangen ergens tussen 2 januari 2024 en 9 januari 2024. De naheffingsaanslag moet daarom worden vernietigd.

11. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag met dagtekening 28 december 2023 binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Verweerder verwijst naar de door hem overgelegde verzendadministratie waaruit volgens hem volgt dat de naheffingsaanslag op 21 december 2023 ter postbezorging is aangeboden aan PostNL. Daarmee is de naheffingsaanslag volgens verweerder tijdig en op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Beoordeling van het geschil

De termijn voor naheffing

12. Ingevolge artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR) vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Daarbij is de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend voor het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd. Voornoemde regel lijdt uitzondering indien de naheffingsaanslag na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, in welk geval de datum van bekendmaking in de plaats komt van de dagtekening van het aanslagbiljet.4

13. De bekendmaking van een naheffingsaanslag vindt doorgaans in overeenstemming met de hoofdregel van artikel 3:41, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) plaats door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet aan belanghebbende. Indien de bekendmaking geschiedt door toezending van het aanslagbiljet, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.5 Voor de terpostbezorging is vereist dat een poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf.6 De bewijslast dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan het postvervoerbedrijf, rust daarbij op verweerder.

14. Verweerder heeft een verzendrapport7 overgelegd, waaruit volgt dat de naheffingsaanslag op 19 december 2023 is geregistreerd onder de [naam] en de naheffingsaanslag is terechtgekomen in een partij documenten die op 21 december 2023 is aangeboden voor verzending aan Post NL. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is aangeboden aan PostNL en dat de naheffingsaanslag daarmee op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aangezien de dagtekening van de naheffingsaanslag na de terpostbezorging is gelegen, geldt de hoofdregel van artikel 5, lid 1, van de AWR, namelijk dat de dagtekening van het aanslagbiljet bepalend is voor de vraag of de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Aangezien de naheffingsaanslag is gedagtekend 28 december 2023, is de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn van vijf jaren en daarmee tijdig opgelegd.

Belastingrente

15. Eiser heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

16. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2019 en Zvw gegrond. De rechtbank zal verweerder opdragen de aanslagen in overeenstemming te brengen met het ter zitting gesloten compromis, waarbij de in aanmerking te nemen correctie is vastgesteld op € 17.500. Het beroep met betrekking tot de naheffingsaanslag is ongegrond.

Proceskosten

17. Partijen zijn bij wijze van compromis overeengekomen dat eiser recht heeft op de helft van de gebruikelijke proceskostenvergoeding. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.600 (50% van € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 voor zaakzwaarte).

Beslissing
De rechtbank:


verklaart het beroep gericht tegen de naheffingsaanslag ongegrond;


verklaart het beroep gericht tegen de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw gegrond;


vernietigt de uitspraak op bezwaar van 27 mei 2025;


draagt verweerder op de aanslagen IB/PVV en Zvw in overeenstemming te brengen met hetgeen hiervoor onder 8 is vermeld;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot € 1.600;


draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M.M. Schillings, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).

Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.

Verder vermeldt u ten minste het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de datum van verzending;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

1Zaaknummer SGR 24/9276: in deze zaak is € 187 griffierecht betaald.

2Zaaknummer SGR 25/4472: in deze zaak is € 53 griffierecht betaald.

3Zaaknummer SGR 25/4476.

4Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, r.o. 3.3.2.

5Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063, r.o. 3.2.

6Hoge Raad 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:202, r.o. 2.5.3.

7Bijlage 17 bij verweer OB, Rapport Datum Verzending.

ECLI:NL:RBDHA:2026:9204

Scroll naar boven