HvJ 13-05-2026 Stellantis Portugal C-603/24

HvJ Stellantis Portugal arrest

Stellantis Portugal fungeerde als Portugese distributeur binnen de General Motors-groep en kocht voertuigen van fabrikanten om deze aan onafhankelijke dealers te verkopen. Wanneer er sprake was van garantie- of terugroepacties, voerden deze dealers reparaties uit, waarvan zij de kosten (inclusief btw) doorbelastten aan Stellantis Portugal. Conform een verrekenprijsovereenkomst uit 2004 werden de verrekenprijzen tussen de fabrikanten en Stellantis Portugal aan het eind van de referentieperiode achteraf aangepast via credit- of debetnota’s. Deze aanpassingen, die mede werden berekend op basis van de gemaakte reparatie- en exploitatiekosten, dienden uitsluitend om Stellantis Portugal een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen.

De Portugese Belastingdienst stelde zich na een controle op het standpunt dat Stellantis Portugal op het nationale grondgebied reparatiediensten had verleend aan de fabrikanten, en dat de verrekenprijsaanpassingen fungeerden als vergoeding voor deze diensten. Stellantis Portugal kreeg een aanslag opgelegd van ruim 1,5 miljoen euro voor verschuldigde btw en compensatierente. Na een reeks beroepsprocedures wilde de Portugese hoogste bestuursrechter (Supremo Tribunal Administrativo) van het HvJ weten of een dergelijke aanpassing van de verkoopprijs, met als doel het bereiken van een minimumwinstmarge, valt onder het begrip ‘levering van diensten onder bezwarende titel’ conform artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn.

Het HvJ oordeelt dat een dergelijke verrekenprijsaanpassing geen tegenprestatie vormt voor een dienst onder bezwarende titel. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie (waaronder arresten Mitteldeutsche Hartstein-Industrie, C-528/19, Latvijas Informācijas un komunikācijas tehnoloģijas asociācija, C-87/23, en Arcomet Towercranes, C-726/23) overweegt het HvJ dat een rechtstreeks verband tussen de dienstverrichting en een werkelijk ontvangen tegenprestatie is vereist. Uit het dossier bleek niet van een rechtsbetrekking met wederkerige prestaties waarbij Stellantis Portugal verplicht was de reparaties voor de fabrikanten op zich te nemen. Omdat de reparatiekosten bovendien slechts één van de parameters waren om de winstmarge te berekenen, was het eventuele verband tussen de reparaties en de prijsaanpassingen hoogstens indirect. Indien de aanpassingen geen vergoeding voor een dienst vormen, is het volgens het HvJ aan de nationale rechter om te beoordelen of sprake is van een wijziging achteraf van de maatstaf van heffing bij de initiële voertuiglevering door de fabrikanten aan Stellantis Portugal.

DictumArrestConclusieVerzoek

Artikel 2 van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag

moet aldus worden uitgelegd dat

een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

geen tegenprestatie vormt voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling, tenzij er tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen die inhouden dat de verwervende onderneming diensten verleent aan de verkopende onderneming en deze laatste voor die diensten een vergoeding betaalt in de vorm van een dergelijke aanpassing, waardoor er een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en die aanpassing.

ARREST VAN HET HOF (Negende kamer)

13 mei 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Zesde richtlijn 77/388/EEG – Artikel 2, punt 1 – Onderwerping aan de btw – Onder bezwarende titel verrichte diensten – Criteria – Betrekkingen binnen een groep – Aanpassingen tussen producenten en distributeurs van de verrekenprijzen van motorvoertuigen – Inaanmerkingneming van de door de distributeurs na de verkoop van deze voertuigen gemaakte reparatiekosten – Bestaan van een rechtstreeks verband tussen de dienstverrichting en de werkelijk ontvangen tegenprestatie – Vraag of het gaat om een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld ”

In zaak C‑603/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal) bij beslissing van 3 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 16 september 2024, in de procedure

Stellantis Portugal, S.A.

tegen

Autoridade Tributária e Aduaneira,

wijst

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. Condinanzi, kamerpresident, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Stellantis Portugal, S.A., vertegenwoordigd door P. Braz, advogado,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, C. Bento, R. Campos Laires en A. Rodrigues als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso en P. Carlin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 januari 2026,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2 van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde btw-richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stellantis Portugal S.A., als rechtsopvolger van Opel Portugal, Lda. [voorheen General Motors Portugal (hierna: „GMP”)], en de Autoridade Tributária e Aduaneira (belasting- en douanedienst, Portugal) over de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op diensten betreffende de reparatie van motorvoertuigen die GMP zou hebben verleend aan andere ondernemingen van de in de automobielsector actieve General Motors-groep (Verenigde Staten van Amerika).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De Zesde btw-richtlijn is ingetrokken en met ingang van 1 januari 2007 vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1). De Zesde btw-richtlijn is niettemin van toepassing op het hoofdgeding, gelet op de datum van de feiten van de zaak.

4 Artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn bepaalde:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1. de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

2. de invoer van goederen.”

5 Artikel 6 van deze richtlijn luidde:

„1. Als ,dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.

[…]

4. Wanneer door tussenkomst van een belastingplichtige, handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, een dienst wordt verricht, wordt de betrokken belastingplichtige geacht deze dienst zelf te hebben ontvangen en te hebben verricht.

[…]”

6 Artikel 11 van die richtlijn bepaalde:

„A. In het binnenland

1. De maatstaf van heffing is:

a) voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b), c) en d): alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden;

[…]”

Portugees recht

7 Artikel 1, lid 1, onder a), van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado (wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde), goedgekeurd bij Decreto-Lei nr. 394-B/84 (wetsbesluit nr. 394-B/84), van 26 december 1984 (Diário da República I, serie I-A, nr. 297, van 26 december 1984), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt dat de diensten die binnen het nationale grondgebied door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht aan de btw zijn onderworpen.

8 Artikel 4 van het wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt:

„1 – Als dienst worden beschouwd de handelingen onder bezwarende titel die geen levering, intracommunautaire verwerving of invoer van goederen vormen.

[…]

4 – Indien de dienst wordt verricht door een gemachtigde die in eigen naam optreedt, is deze laatste opeenvolgend de ontvanger en de verrichter van de dienst.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9 GMP maakte deel uit van de General Motors-groep.

10 Deze groep bestond onder meer uit ondernemingen die door de verwijzende rechter werden aangeduid als „fabrikanten van originele apparatuur” (hierna: „OEM’s”), die motorvoertuigen alsmede onderdelen en toebehoren vervaardigden en/of deze leverden aan andere ondernemingen die tot deze groep behoorden, en uit ondernemingen die door deze rechter werden aangeduid als „National Sales Companies/National Sales Organizations” (hierna: „NSC’s/NSO’s”), die de aldus geleverde producten op een bepaalde geografisch afgebakende markt distribueerden.

11 GMP trad op als NSC/NSO in Portugal. In die hoedanigheid kocht zij onder meer motorvoertuigen van in de Europese Unie gevestigde OEM’s (hierna: „betrokken OEM’s”), en verkocht deze voertuigen aan in Portugal actieve onafhankelijke dealers, die deze op hun beurt doorverkochten aan eindafnemers.

12 Wanneer die voertuigen gebreken vertoonden die het gevolg waren van fouten in het productieproces (Recall Campaigns) of bij afwijkingen die onder de door de fabrikant aangeboden garanties vielen (Policy and Warranty) dan wel wanneer zij het voorwerp waren van procedures met betrekking tot pechhulp (Road Side Assistance), gingen die klanten naar de dealers om deze fouten bij hen te laten repareren. Deze dealers brachten vervolgens de kosten van die reparaties, waarbij de desbetreffende btw werd toegepast, in rekening aan GMP.

13 GMP bracht de betrokken OEM’s op de hoogte van de kosten die zij had gemaakt voor de distributie van de door deze OEM’s geleverde motorvoertuigen, onderdelen en toebehoren, waartoe niet alleen de kosten van die reparaties behoorden maar ook de exploitatiekosten van GMP, zoals kosten van personeel, elektriciteit en marketing.

14 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prijs van de door de OEM’s aan de NSC’s/NSO’s verkochte voertuigen, onderdelen en toebehoren krachtens een in 2004 tussen de ondernemingen van de General Motors-groep gesloten overeenkomst over de vaststelling van de verrekenprijzen van de binnen deze groep overgedragen voertuigen (hierna: „overeenkomst van 2004”) kon worden aangepast om de NSC’s/NSO’s een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen. Met name werden de verrekenprijzen van die producten volgens beding 1.0 van die overeenkomst vastgesteld door van de „externe” verkoopprijzen, namelijk de verkoopprijzen van die voertuigen aan derden zoals dealers, het bedrag van de desbetreffende distributiekosten en het bedrag van de vooraf bepaalde winstmarge van de betrokken NSC/NSO af te trekken. De oorspronkelijke overdrachtsprijzen voor elke referentieperiode werden bepaald door een bruto marginale korting toe te passen op de verwachte externe verkoopprijzen. Aan het einde van elke referentieperiode werden de verrekenprijzen aangepast om de werkelijke winstmarge van die NSC/NSO te verhogen of te verlagen zodat deze marge overeenkwam met de vooraf bepaalde winstmarge. Krachtens beding 4.0 van die overeenkomst werden de oorspronkelijke verrekenprijzen aan het einde van elke referentieperiode aangepast om ervoor te zorgen dat de werkelijke financiële resultaten van de NSC’s/NSO’s overeenkwamen met de vooraf bepaalde winstmarge. Deze aanpassing vond plaats in de betrokken referentieperiode, waarbij de overeenkomstige verhoging of verlaging van de verrekenprijzen in de boekhouding van de OEM’s werd opgenomen. De verwijzende rechter preciseert dat die aanpassing bleek uit een door de OEM’s aan GMP gerichte credit- of debetnota.

15 Na een controle van de situatie van GMP met betrekking tot het boekjaar 2006 heeft de belasting- en douanedienst op 10 december 2009 een rapport opgesteld. Daarin heeft hij vastgesteld dat de betrokken OEM’s verantwoordelijk waren voor het verhelpen van gebreken als gevolg van fouten in het productieproces van de motorvoertuigen en van de afwijkingen die onder de door de fabrikant aangeboden garanties vielen en voor het repareren van deze voertuigen in het kader van de procedures met betrekking tot pechhulp. Die dienst heeft ook vastgesteld dat de reparatiekosten als gevolg van die gebreken en afwijkingen eerst werden gedragen door GMP, die deze kosten vervolgens door middel van aanpassingen van de verrekenprijzen van die voertuigen doorberekende aan deze OEM’s. Op basis daarvan was die dienst van mening dat GMP op het nationale grondgebied diensten tot reparatie van motorvoertuigen aan de betrokken OEM’s had verleend en dat deze diensten moesten worden onderworpen aan btw. Hij heeft dus beslist dat die onderneming, als btw-plichtige, 1 504 215,49 EUR moest betalen, welk bedrag overeenkomt met de voor het verlenen van die diensten verschuldigde btw en de compensatierente.

16 GMP heeft bij de Tribunal Administrativo e Fiscal de Sintra (bestuurs- en belastingrechter Sintra, Portugal) beroep ingesteld tegen het besluit van de belasting- en douanedienst waarbij betaling werd gevorderd van het in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde bedrag, en aangevoerd dat de aanpassingen van de verrekenprijzen van de door de betrokken OEM’s aan GMP geleverde voertuigen, onderdelen en toebehoren geen vergoeding vormden voor diensten die bestonden uit de reparatie van die voertuigen.

17 Deze rechter heeft dat beroep toegewezen, waarna de belasting- en douanedienst hoger beroep heeft ingesteld bij de Tribunal Central Administrativo Sul (centrale bestuursrechter Zuid, Portugal), die dit hoger beroep heeft toegewezen.

18 GMP heeft tegen de beslissing van deze laatste rechter een buitengewoon beroep (recurso de revista) ingesteld bij de Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal), de verwijzende rechter.

19 GMP is inmiddels Opel Portugal geworden, die vervolgens is overgenomen door Stellantis Portugal.

20 In die omstandigheden heeft de Supremo Tribunal Administrativo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn, in de ten tijde van de feiten geldende versie, aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚levering van diensten onder bezwarende titel’, zoals bedoeld in deze bepaling, ook ziet op een aanpassing van de verkoopprijs van voertuigen die naar behoren is vastgesteld en vastgelegd in een tussen partijen gesloten overeenkomst tot het bereiken van een minimumwinstmarge, en die blijkt uit de uitgifte door de Europese producenten van de groep General Motors van een credit- of debetnota op naam van de verzoekende partij?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

21 De Europese Commissie vraagt zich af of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, aangezien de verwijzende rechter niet alle informatie heeft verstrekt aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of de bedragen die de betrokken OEM’s aan GMP hebben gecrediteerd of gedebiteerd overeenkwamen met de kosten van de reparaties van de motorvoertuigen dan wel of er andere parameters in aanmerking werden genomen om GMP een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen.

22 In dit verband zij eraan herinnerd dat, aangezien de verwijzingsbeslissing als basis dient voor de procedure van artikel 267 VWEU, de nationale rechter gehouden is om in de verwijzingsbeslissing zelf onder meer het feitelijke kader van het hoofdgeding uiteen te zetten (zie in die zin arrest van 24 oktober 2024, Omnitel Comunicaciones e.a., C‑441/23, EU:C:2024:916, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23 De gegevens in de verwijzingsbeslissing moeten namelijk ten eerste het Hof in staat stellen nuttige antwoorden te geven op de vragen van de nationale rechter en ten tweede de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden in staat stellen het hun bij artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verleende recht uit te oefenen om opmerkingen in te dienen. Het Hof dient erop toe te zien dat dit recht gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge deze bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (arrest van 24 oktober 2024, Omnitel Comunicaciones e.a., C‑441/23, EU:C:2024:916, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24 De cumulatieve vereisten betreffende de inhoud van een verwijzingsbeslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en zijn met name in herinnering gebracht in punt 15 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1). Deze zijn thans opgenomen in punt 15 van de aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008).

25 In casu zij opgemerkt dat de verwijzende rechter de feiten van het hoofdgeding, zij het summier, heeft uiteengezet op een wijze die het mogelijk maakt het voorwerp van het hoofdgeding te begrijpen. Met name blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de betrokken OEM’s de verrekenprijzen van de betrokken motorvoertuigen hebben aangepast op basis van alle door GMP voor het distribueren van deze voertuigen gemaakte kosten, met inbegrip van de kosten die verband hielden met het repareren van die voertuigen en de exploitatiekosten van GMP.

26 Derhalve moet het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden verklaard.

Beantwoording van de prejudiciële vraag

27 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

de tegenprestatie voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling vormt.

28 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat volgens artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn, leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan btw zijn onderworpen.

29 Overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de Zesde btw-richtlijn wordt „elke handeling die geen levering van een goed […] is” als dienst beschouwd.

30 Volgens vaste rechtspraak wordt een dienst slechts „onder bezwarende titel” verricht in de zin van artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn, en dus aan btw onderworpen, wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienstverrichting enerzijds en een werkelijk door de belastingplichtige ontvangen tegenprestatie anderzijds. Van een dergelijk rechtstreeks verband is sprake wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor een aan deze ontvanger verleende individualiseerbare dienst (zie in die zin arrest van 16 september 2020, Mitteldeutsche Hartstein-Industrie, C‑528/19, EU:C:2020:712, punt 43; zie naar analogie arresten van 4 juli 2024, Latvijas Informācijas un komunikācijas tehnoloģijas asociācija, C‑87/23, EU:C:2024:570, punt 26, en 4 september 2025, Arcomet Towercranes, C‑726/23, EU:C:2025:646, punt 33).

31 In de onderhavige zaak blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie dat de betrokken OEM’s onder meer motorvoertuigen aan GMP verkochten. GMP verkocht deze vervolgens door aan in Portugal gevestigde onafhankelijke dealers, die deze voertuigen op hun beurt dienden te verkopen aan eindafnemers.

32 In geval van gebreken die het gevolg waren van het productieproces van die voertuigen, bij afwijkingen die onder de door de fabrikant geboden garanties vielen of procedures met betrekking tot pechhulp, repareerden die dealers de voertuigen en brachten de prijs van die reparaties in rekening aan GMP. Deze bracht vervolgens die OEM’s op de hoogte van de kosten die zij in dat verband had gemaakt, alsmede van andere kosten, zoals de exploitatiekosten, waaronder met name de kosten van personeel, elektriciteit en marketing.

33 Bovendien werd GMP krachtens de overeenkomst van 2004 een vooraf bepaalde winstmarge gegarandeerd op de wederverkoop van motorvoertuigen. Daartoe pasten de betrokken OEM’s de verrekenprijzen van de betrokken voertuigen aan, waarbij die aanpassingen werden berekend op basis van alle in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde kosten, en stelden zij, naargelang van het geval, een aan GMP gerichte credit- of debetnota op om die marge in acht te nemen.

34 In deze omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in essentie af of GMP niet moet worden geacht de betrokken OEM’s diensten betreffende de reparatie van die voertuigen te verlenen, waarvoor de uit die aanpassingen voortvloeiende bedragen geheel of gedeeltelijk de vergoeding vormen.

35 Het staat aan deze rechter, die als enige bevoegd is om de feiten te beoordelen, om de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handelingen te bepalen. Het is echter de taak van het Hof om deze rechter alle uitleggingsgegevens betreffende het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak (zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Latvijas Informācijas un komunikācijas tehnoloģijas asociācija, C‑87/23, EU:C:2024:570, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In dat verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de enige rechtsbetrekking tussen GMP en de betrokken OEM’s waaraan de verwijzende rechter refereert, de rechtsbetrekking is die voortvloeit uit de overeenkomst van 2004.

37 Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt dat deze overeenkomst tot doel had de verrekenprijzen van de door deze OEM’s aan GMP verkochte voertuigen vast te stellen en dat de in die overeenkomst bedoelde aanpassingen van die prijzen bedoeld waren om GMP een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen.

38 Geen van de in verwijzingsbeslissing genoemde bedingen van de overeenkomst van 2004 wijst erop dat er tussen GMP en de betrokken OEM’s een rechtsbetrekking bestond op grond waarvan GMP verplicht was om, tegen vergoeding, de reparatie van de voertuigen die zij van deze OEM’s kocht, op zich te nemen.

39 Die beslissing bevat overigens evenmin andere elementen, waaronder eventueel ongeschreven feitelijke gegevens, die kunnen wijzen op een dergelijke rechtsbetrekking.

40 Bijgevolg kan op grond van de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt niet worden geconcludeerd dat er ingevolge de overeenkomst van 2004 of enig ander element in dit dossier tussen GMP en de betrokken OEM’s een rechtsbetrekking bestond, in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, in het kader waarvan die ondernemingen over en weer prestaties zouden hebben uitgewisseld en waarvan de ene bestond in de verlening door GMP aan die OEM’s van diensten strekkende tot reparatie van motorvoertuigen en de andere in de vergoeding van die diensten.

41 Indien de verwijzende rechter op basis van niet aan het Hof voorgelegde gegevens die hij in voorkomend geval samen met de overeenkomst van 2004 heeft onderzocht, zou oordelen dat er een dergelijke rechtsbetrekking tussen GMP en die OEM’s bestaat, staat het eveneens aan die rechter om vast te stellen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen de werkelijke tegenprestatie vormen voor individualiseerbare diensten in de zin van de in punt 30 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, dat wil zeggen of die aanpassingen de vergoeding van GMP vormen voor het verrichten van diensten houdende reparatie van de betrokken voertuigen.

42 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de onzekerheid over het bestaan zelf van een vergoeding meebrengt dat het rechtstreekse verband tussen de verrichte dienst en de eventueel ontvangen vergoeding wordt opgeheven (arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes, C‑726/23, EU:C:2025:646, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Om een dergelijk verband te kunnen vaststellen, mag die vergoeding dus niet vrijwillig of willekeurig, noch moeilijk kwantificeerbaar zijn (zie in die zin arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes, C‑726/23, EU:C:2025:646, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat bij berekening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen niet enkel rekening werd gehouden met de kosten van de door de onafhankelijke dealers uitgevoerde en door hen aan GMP in rekening gebrachte reparaties, maar ook met de exploitatiekosten van GMP. De kosten voor de reparatie van de betrokken voertuigen lijken dus slechts één van de parameters te zijn die voor de berekening van die aanpassingen in aanmerking zijn genomen. Afhankelijk van het aandeel van al deze kosten ten opzichte van de oorspronkelijke verrekenprijzen, konden die aanpassingen bijgevolg niet alleen leiden tot door OEM’s aan GMP gerichte creditnota’s, maar ook tot debetnota’s.

44 Bovendien werden de verschillende door GMP in het kader van de distributie van die voertuigen gemaakte kosten alleen in aanmerking genomen om de vooraf bepaalde winstmarge te garanderen, zodat, zodra deze was behaald, GMP niet de zekerheid leek te hebben dat de betrokken OEM’s haar al deze kosten zouden terugbetalen, en met name de kosten die zij had gemaakt voor de reparatie van die voertuigen.

45 Gelet op die overwegingen blijkt, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter overeenkomstig punt 41 van het onderhavige arrest te verrichten verificaties, dat het verband waarvan mogelijkerwijs sprake is tussen eventuele door GMP aan de betrokken OEM’s verleende diensten van reparatie van de betrokken voertuigen en de aanpassingen van de verrekenprijzen van die voertuigen, hoogstens indirect is.

46 Wat in de tweede plaats het argument van de Portugese regering betreft dat GMP, doordat zij de kosten van reparatie van die voertuigen heeft gedragen, voor rekening van de betrokken OEM’s heeft gehandeld en is tussengekomen in een door de dealers aan deze OEM’s verleende dienst, zodat de toerekening van die kosten aan deze OEM’s moet worden aangemerkt als een belastbaar feit dat overeenkomstig artikel 6, lid 4, van de Zesde btw-richtlijn aan btw is onderworpen, volstaat het op te merken dat het dossier waarover het Hof beschikt geen gegevens bevat waaruit blijkt dat GMP in een dergelijke dienstverrichting is tussengekomen en dat zij voor rekening van een ander heeft gehandeld.

47 In de derde en laatste plaats moet, indien de verwijzende rechter zou oordelen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanpassingen geen vergoeding vormen voor een door GMP aan de betrokken OEM’s verleende dienst tot reparatie van voertuigen, maar een wijziging achteraf van de door GMP bij de aankoop van die voertuigen bij deze OEM’s betaalde prijs, worden opgemerkt dat het, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft uiteengezet in de punten 56 tot en met 62 van haar conclusie, in voorkomend geval aan de bevoegde nationale instanties staat om de invloed te beoordelen die een dergelijke wijziging heeft op de vaststelling van de belastbare grondslag van de handeling bestaande in de levering van die voertuigen door die OEM’s aan GMP, en dit inzonderheid gelet op artikel 11 van de Zesde btw-richtlijn.

48 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

geen tegenprestatie vormt voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling, tenzij er tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen die inhouden dat de verwervende onderneming diensten verleent aan de verkopende onderneming en deze laatste voor die diensten een vergoeding betaalt in de vorm van een dergelijke aanpassing, waardoor er een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en die aanpassing.

Kosten

49 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 2 van richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag

moet aldus worden uitgelegd dat

een aanpassing van de verrekenprijs van motorvoertuigen die:

– naar behoren is vastgelegd in een overeenkomst tussen ondernemingen die tot dezelfde groep behoren en tot doel heeft de onderneming die dergelijke voertuigen verwerft, een vooraf bepaalde winstmarge te garanderen op de wederverkoop van deze voertuigen;

– blijkt uit een door de verkopende onderneming aan de verwervende onderneming gerichte credit- of debetnota, en

– is berekend op basis van met name de kosten die de verwervende onderneming heeft gemaakt in het kader van de reparatie van die voertuigen door derden,

geen tegenprestatie vormt voor een „levering van diensten onder bezwarende titel” in de zin van deze bepaling, tenzij er tussen deze ondernemingen een rechtsbetrekking bestaat die wordt gekenmerkt door wederzijdse verplichtingen die inhouden dat de verwervende onderneming diensten verleent aan de verkopende onderneming en deze laatste voor die diensten een vergoeding betaalt in de vorm van een dergelijke aanpassing, waardoor er een rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen de verlening van deze diensten en die aanpassing.

ondertekeningen

* Procestaal: Portugees.

ECLI:EU:C:2026:404

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 15 januari 2026 (1)

Zaak C‑603/24

Stellantis Portugal, S.A.

tegen

Autoridade Tributária e Aduaneira

[verzoek van de Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal) om een prejudiciële beslissing]

„ Verzoek om een prejudiciële beslissing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG of Zesde richtlijn (77/388/EEG) – Leveringen tussen verbonden ondernemingen – Aanpassing van de interne verkoopprijs van de groep op basis van de door de koper gedragen garantie‑ en bedrijfskosten – Aanpassing van de prijs van een levering als zelfstandige dienst onder bezwarende titel – Relevantie voor de btw van aanpassingen van verrekenprijzen ”

 

 

 

I. Inleiding

1. De wetgeving betreffende de winstbelasting heeft tal van verschillende facetten. Een daarvan zijn verrekenprijzen die een belangrijke rol spelen tussen de verbonden ondernemingen met het oog op een passende winstverdeling, rekening houdend met het zakelijkheidsbeginsel. Helaas lijkt de vaststelling van de juiste verrekenprijs niet zozeer een juridische kwestie, maar veeleer een „kwestie van geloven” te zijn. In zoverre bestaat er niet één juiste verrekenprijs, maar enkel verschillende methoden om deze vast te stellen en daarmee een heel scala aan „juiste” verrekenprijzen.

2. Dit is ongetwijfeld de reden waarom tot op heden steeds is geprobeerd om de wetgeving inzake de belasting over de toegevoegde waarde (btw), die in beginsel zonder dergelijke „kwesties van geloven” kan, hierbuiten te houden. Uit het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat dit in de toekomst wellicht niet meer mogelijk is.(2)

3. Anders dan in de zaak Arcomet Towercranes(3), waarover het Hof zich reeds heeft uitgesproken, gaat het hier om een aanpassing achteraf van de prijs van een levering met het oog op een interne winstverdeling tussen groepsvennootschappen. In dit verband biedt de procedure het Hof de mogelijkheid om het tot nu toe nauwelijks onderzochte gebied van de door de winstbelasting ingegeven aanpassingen van verrekenprijzen en de gevolgen daarvan voor de btw te behandelen en indien mogelijk een antwoord te geven dat ook buiten dit specifieke geval als leidraad kan dienen.

II. Toepasselijke bepalingen

A. Unierecht

4. De toepasselijke bepalingen voor het litigieuze belastingjaar 2006 zijn te vinden in de Zesde btw-richtlijn(4), die nog niet voorzag in de verlegging van de belastingschuld voor diensten verricht ten behoeve van een in het buitenland gevestigde belastingplichtige. De uit te leggen bepalingen zijn echter identiek aan de overeenkomstige bepalingen van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde(5) (hierna: „btw-richtlijn”).

5. Artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de btw-richtlijn (dat overeenkomt met artikel 2, punt 1, van de Zesde btw-richtlijn) bepaalt:

„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

a) de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]

c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.

6. Artikel 73 van de btw-richtlijn [dat overeenkomt met artikel 11, afdeling A, lid 1, onder a), van de Zesde btw-richtlijn] definieert de maatstaf van heffing en luidt als volgt:

„Voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 omvat de maatstaf van heffing alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.”

7. Artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn (dat overeenkomt met artikel 11, afdeling C, lid 1, van de Zesde btw-richtlijn) bepaalt:

„In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijk niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.”

B. Portugees recht

8. Het is juist dat de exacte bewoordingen van de overeenkomstige bepalingen van het Portugese recht niet aan het Hof zijn meegedeeld. Er kan echter worden aangenomen dat de btw-richtlijn door de Código do IVA (btw‑wet) in Portugal dienovereenkomstig is omgezet.

III. Feiten

9. Stellantis Portugal, S.A. (hierna: „verzoekster”) is een onderneming die actief is in de handel in motorvoertuigen en die (meer bepaald: haar rechtsvoorganger) in het litigieuze jaar 2006 deel uitmaakte van de groep General Motors, die zich bezighoudt met de productie en distributie van voertuigen alsmede onderdelen en toebehoren.

10. Deze groep bestaat uit ondernemingen die originele apparatuur vervaardigen (Original Equipment Manufacturers; hierna: „OEM’s”), die de producten vervaardigen of leveren aan nationale distributiemaatschappijen (National Sales Companies; hierna: „NSC’s”) of nationale verkooporganisaties (National Sales Organizations; hierna: „NSO’s”) die deze producten binnen een van tevoren geografisch afgebakende markt distribueren.

11. In de productieketen trad verzoekster op als NSC/NSO, waarbij zij voertuigen kocht van de Europese fabrikanten (OEM’s) van de groep General Motors. De gekochte voertuigen werden doorverkocht aan onafhankelijke Portugese dealers, die deze voertuigen vervolgens aan eindafnemers verkochten.

12. In het geval van fabrieksfouten ging de eindklant naar de dealer om deze fouten bij hem te laten repareren. Vervolgens brachten de Portugese dealers bij verzoekster de kosten in rekening die zij in verband met de reparatie van de voertuigen hadden gemaakt, en betaalden de desbetreffende btw over deze dienst. Dergelijke reparaties van voertuigen konden plaatsvinden bij afwijkingen die het gevolg waren van fouten in het productieproces van de voertuigen en de onderdelen en toebehoren, bij afwijkingen in verband met voertuiggaranties en bij procedures met betrekking tot hulp bij pech onderweg.

13. Verzoekster bracht de Europese producenten van de groep General Motors (de respectieve OEM’s) op de hoogte van de kosten die zij had gemaakt voor de distributie van de door deze groep geproduceerde voertuigen alsmede onderdelen en toebehoren. Deze kosten omvatten de hierboven genoemde reparatiekosten van de voertuigen en de eigen bedrijfskosten, met name de kosten van personeel, elektriciteit en marketing.

14. Op basis van de vastgestelde kosten is vervolgens de prijs aangepast van de voertuigen die door de Europese fabrikanten van de groep General Motors aan verzoekster zijn verkocht. Deze aanpassing vond plaats op basis van een tussen de ondernemingen van de groep General Motors gesloten overeenkomst voor de vaststelling van de verrekenprijzen van de overgedragen voertuigen.

15. Op grond van deze overeenkomst „zullen General Motors Corporation (GM) en haar dochterondernemingen van GME een op de markt gebaseerde procedure toepassen ter vaststelling van de verrekenprijzen (voor de producten) die door de productie-eenheden van GM (OEM) aan de distributie-eenheden werden verkocht. De prijzen […] worden vastgesteld door van de externe verkoopprijzen het bedrag van de desbetreffende distributiekosten en het bedrag van de te realiseren bedrijfswinst af te trekken. […] Volgens de door GME gevolgde procedure worden de oorspronkelijke verrekenprijzen voor elke referentieperiode bepaald door een bruto marginale korting toe te passen op de verwachte externe verkoopprijzen. Aan het einde van elke periode wordt de verrekenprijs aangepast op basis van het bedrijfsresultaat dat eerder is vastgesteld voor de distributie-eenheid, zodat het bedrag van het werkelijke bedrijfsresultaat van die eenheid overeenkomt met het streefbedrag van dat bedrijfsresultaat. […]”

16. Bovendien bepaalt deze overeenkomst het volgende: „[…] [D]e oorspronkelijke verrekenprijzen worden aan het einde van elke referentieperiode aangepast om ervoor te zorgen dat de werkelijke financiële resultaten van de distributie-eenheid overeenkomen met het beoogde bedrijfsresultaat. […] Deze aanpassing vindt plaats […] in de relevante periode, waarbij de overeenkomstige verhoging of verlaging in de boekhouding van de verkoopeenheid (OEM) wordt opgenomen.”

17. De verkoopprijs van de voertuigen werd aangepast door de uitgifte door de Europese producenten van de groep General Motors van een credit‑ of debetnota op naam van verzoekster.

18. De Serviços de Inspeção Tributária (belastinginspectie, Portugal) van de Direcção de Finanças de Lisboa (directie Financiën van Lissabon, Portugal) heeft bij verzoekster een algemene externe boekhoudkundige en fiscale controle voor het boekjaar 2006 uitgevoerd. Op 10 december 2009 werd het eindverslag opgesteld. Daarin komt de belastingdienst tot het besluit dat de reparaties onder de verantwoordelijkheid van de OEM’s vallen, aangezien zij de voertuigen en onderdelen produceren of monteren. Na de verkoop worden al deze kosten dus eerst door verzoekster gedragen en vervolgens aan de desbetreffende OEM’s doorberekend.

19. In dit verband gaat de belastingdienst ervan uit dat verzoekster binnenlandse diensten aan de OEM’s heeft verleend die krachtens artikel 1, lid 1, onder a), van de Código do IVA aan btw zijn onderworpen. De door verzoekster in dit verband opgegeven kosten van reparaties, garanties en hulp bij pech onderweg bedragen in totaal 6 352 516,47 EUR, hetgeen zou leiden tot een btw ten bedrage van 1 334 028,47 EUR. Om die reden werden op 23 december 2009 op naam van verzoekster voor het jaar 2006 btw-naheffingsaanslagen opgelegd ten bedrage van in totaal 1 504 215,49 EUR.

20. Deze aanslagen zijn kennelijk door verzoekster aangevochten, maar zijn bij vonnis van de Tribunal Central Administrativo Sul (centrale bestuursrechter Zuid, Portugal) bevestigd. Hiertegen heeft verzoekster op 16 november 2023 een buitengewoon beroep (recurso de revista) ingesteld.

IV. Prejudiciële procedure

21. De Supremo Tribunal Administrativo (hoogste bestuursrechter, Portugal) heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag gesteld:

„Moet artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn [Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag], in de ten tijde van de feiten geldende versie, aldus worden uitgelegd dat het begrip ‚levering van diensten onder bezwarende titel’, zoals bedoeld in deze bepaling, ook ziet op een aanpassing van de verkoopprijs van voertuigen die naar behoren is vastgesteld en vastgelegd in een tussen partijen gesloten overeenkomst tot het bereiken van een minimumwinstmarge, en die blijkt uit de uitgifte door de Europese producenten van de groep General Motors van een credit‑ of debetnota op naam van de verzoekende partij?”

22. In de procedure bij het Hof hebben Stellantis Portugal, de Republiek Portugal en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Overeenkomstig artikel 76, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Hof geen mondelinge behandeling gehouden.

V. Juridische beoordeling

A. Ter verduidelijking van de gestelde prejudiciële vraag

23. De door de verwijzende rechter gestelde vraag is op het eerste gezicht verrassend en ook op het tweede gezicht alleen begrijpelijk op basis van het standpunt dat de Portugese belastingdienst in de procedure heeft ingenomen.

1. Diensten tegen zowel positieve als negatieve prijzen?

24. Op grond van de interne regels van de groep moet door middel van de prijs van de aan verzoekster verkochte producten (auto’s en onderdelen) worden gewaarborgd dat deze slechts of ten minste éé bepaald (voor de winstbelasting relevant) resultaat behaalt en in Portugal wordt belast. Bijgevolg worden de prijzen van de verkochte producten door de verkoper periodiek aangepast. Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing vindt deze aanpassing in beide richtingen plaats. Het gevolg hiervan is dat de koper in het geval van een prijsverhoging achteraf nog iets aan de verkoper moet betalen, terwijl hij in het geval van een prijsverlaging te veel heeft betaald en dus een terugbetaling ontvangt. Daarom geeft de verkoper overeenkomstige credit‑ of debetnota’s uit.

25. In het litigieuze jaar werd de prijs verlaagd en ontving de koper een terugbetaling. De belastingdienst lijkt deze terugbetaling thans te willen beschouwen als een vergoeding voor een door de koper in Portugal aan de verkoper verleende dienst. Daarom vraagt de verwijzende rechter of de verlaging van de aankoopprijs uit hoofde van een levering door de verkoper de vergoeding kan vormen voor een door de koper aan de verkoper verleende dienst.

26. Het ontbreekt mij enigszins aan verbeeldingskracht om te bedenken welke dienst een koper verleent die – om welke reden dan ook – achteraf een lagere of hogere aankoopprijs betaalt.(6) Ook de Portugese Republiek is in haar opmerkingen niet in staat dit nader toe te lichten. Aangezien in het onderhavige geval de aankoopprijs ook hoger had kunnen uitvallen (bijvoorbeeld wanneer minder garantiegevallen ontstaan of indien de eigen bedrijfskosten van de koper/verzoekster dalen), wordt de hypothese van een zelfstandige dienstverrichting door de koper nog avontuurlijker. Volgens de Portugese belastingdienst zou hij dan een dienst aan de verkoper hebben verleend, die hij volgens diens logica ook nog zelf zou hebben betaald.

27. In het licht van het voorgaande zou er sprake zijn van een dienstverrichting tegen een negatieve vergoeding, waarin echter uit het oogpunt van de btw niet is voorzien of die geen gevolgen heeft voor de btw voor de „dienstverrichter”. Dit is ook logisch, aangezien de btw als algemene verbruiksbelasting tot doel heeft de kosten van een consumptiegoed te belasten.(7) Indien de afnemer van een dienst echter geen kosten draagt, maar integendeel nog geld ontvangt, is er geen reden om btw in rekening te brengen. Voor zover de koper van een goed, afhankelijk van de in het contract vastgelegde omstandigheden, achteraf meer of minder voor een levering moet betalen, pleit dit duidelijk tegen een dienst van de koper en veeleer voor een aanpassing van de tegenprestatie voor de reeds geleverde levering.

2. Betaling van kosten als dienst?

28. De Portugese belastingdienst lijkt van mening te zijn dat de betaling van de garantiekosten voor de door verzoekster gekochte en doorverkochte „gebrekkige” voertuigen een dienst ten behoeve van haar verkoper vormt. Uiteindelijk worden defecte auto’s door de laatste verkoper (de garage aan het einde van de toeleveringsketen) weliswaar op eigen kosten gerepareerd, maar deze kosten worden vervolgens aan verzoekster in rekening gebracht. Deze draagt de garantiekosten, die echter tot op zekere hoogte al in haar aankoopprijs zijn opgenomen. Alleen wanneer deze hoger uitvallen dan verwacht (en daardoor het met het oog op de winstbelasting beoogde resultaat niet meer wordt bereikt), wordt de aankoopprijs van de goederen verlaagd.

29. Uit artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn blijkt echter vrij duidelijk dat het louter dragen van kosten geen dienst kan zijn. In het kader van de btw-wetgeving worden betalingen als zodanig niet belast. Een betaling (en dus ook een vergoeding van de gemaakte kosten) is vanuit het oogpunt van de btw slechts relevant wanneer zij wordt gedaan „voor” een dienst. Daarom bepaalt artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn dat er slechts sprake is van een belastbare handeling wanneer een dienst onder bezwarende titel wordt verricht. Ook uit artikel 73 van de btw-richtlijn blijkt dat alleen de door de dienstverrichter voor handelingen ontvangen betalingen relevant zijn.

30. Het feit dat verzoekster in eerste instantie de kosten draagt voor de reparatie van de door haar verkochte goederen en dat deze (naast andere kosten – zoals de Commissie terecht opmerkt) bij de prijsstelling van het gekochte goed in aanmerking worden genomen, betekent dus niet dat zij daarmee enige dienst aan een derde verleent. Veeleer voldoet zij in dit opzicht aan haar eigen verplichtingen als verkoper jegens haar koper, die op zijn beurt weer te maken heeft met de garantieclaims van zijn klanten (de eindklanten).

3. Relevantie voor de btw van een winstverdeling?

31. Uiteindelijk dient de aanpassing van de aankoopprijs hier „slechts” voor een winstverdeling van een verbonden onderneming naar een andere verbonden onderneming. Dit is in beginsel niet relevant voor de btw. Winstuitkeringen worden niet verricht voor een economische activiteit (levering van een goed of dienst), maar uitsluitend op grond van de deelneming aan een vreemde economische activiteit. Wanneer zelfs een controlerende holdingmaatschappij geen belastingplichtige is ondanks de ontvangst van dividenduitkeringen ter waarde van miljoenen(8), kunnen winstaanpassingen in het kader van een aanpassing achteraf van verrekenprijzen evenmin relevant zijn. De aanpassing van de winst in het kader van de winstbelasting heeft in principe niets te maken met de btw-wetgeving en vormt dus niet de vergoeding voor een dienst van wie dan ook.

4. Voorlopige conclusie

32. De aanpassing van de tegenprestatie voor een levering, waarnaar in de vraag uitdrukkelijk wordt verwezen, kan dus nooit zelf een dienst vormen.

33. Wanneer de vraag letterlijk wordt genomen, kan zij dus zeer snel worden beantwoord. De loutere aanpassing (naar boven of naar beneden) van een verkoopprijs voor een levering vormt in beginsel nooit zelf een dienst in de zin van artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn.

B. Wat betreft de eigenlijke prejudiciële vraag: gevolgen van een door de winstbelasting ingegeven prijsaanpassing

34. Bij nadere beschouwing roept het verzoek om een prejudiciële beslissing echter de dogmatisch interessante vraag op wat de btw-rechtelijke gevolgen zijn van een door de winstbelasting ingegeven aanpassing van de verrekenprijzen. Bij nader inzien is deze vraag zelfs reeds in een andere zaak (namelijk Arcomet Towercranes(9)) aan het Hof voorgelegd, maar zij is toen niet uitputtend beantwoord.

35. In dat arrest heeft het Hof de terecht gestelde en niet eenvoudig te beantwoorden vraag zodanig geherformuleerd dat zij vervolgens vrij eenvoudig te beantwoorden was. Of dit vrij eenvoudige antwoord ook een nuttig antwoord was, valt echter te betwijfelen. Daarom maak ik van de gelegenheid gebruik om een vrij eenvoudig te beantwoorden vraag zodanig te herformuleren dat het onderliggende probleem duidelijk wordt en het door het Hof kan worden opgelost. Indien het Hof het probleem hier niet oplost, zou de oplossing van het probleem alleen maar worden uitgesteld. De onzekerheden die in de praktijk reeds door voornoemd arrest zijn ontstaan, zouden dan blijven bestaan.

36. In wezen wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe de aanpassingen van een tussen twee groepsmaatschappijen overeengekomen aankoopprijs (in het kader van de winstbelasting ook wel verrekenprijs genoemd) moeten worden behandeld vanuit het oogpunt van de btw, wanneer deze prijsaanpassing in de eerste plaats dient om de winst tussen beide verbonden ondernemingen op passende wijze (in de zin van de wetgeving betreffende de winstbelasting) te verdelen.

37. In de regel heeft de contractueel vastgelegde winstverdeling tot doel te voorkomen dat de belastingdienst achteraf een aanpassing van de verrekenprijzen doorvoert in het kader van de winstbelastingwetgeving, omdat mogelijk niet aan het zakelijkheidsbeginsel is voldaan, zodat de ene vennootschap (doorgaans die in een land met een laag belastingtarief) vanuit het oogpunt van de belastingdienst (doorgaans die van het land met een hoog belastingtarief) te hoge winsten heeft behaald, die eigenlijk in het andere land (in het voorbeeld het land met een hoog belastingtarief) zijn behaald en daar belastbaar zijn.

38. Advocaat-generaal Richard de la Tour, die zich in de bovengenoemde procedure, in tegenstelling tot het Hof, over deze moeilijke vraag heeft gebogen, moet worden bijgevallen dat het voor de btw niet van belang kan zijn welke voorschriften of maatstaven voor de winstbelasting gelden.(10) Van belang is of aan de voorwaarden voor een belastbare (en belastingplichtige) handeling (artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn) is voldaan wanneer verrekenprijzen achteraf worden aangepast.

39. Anders dan advocaat-generaal Richard de la Tour(11) ben ik echter van mening dat het zeer wel mogelijk en zelfs noodzakelijk is om een principieel antwoord te geven op de vraag welke btw-gevolgen een door de winstbelasting ingegeven aanpassing van de verrekenprijzen heeft. Ondanks de complexe werkelijkheid op een systematisch rechtsgebied als het btw-recht hoeft dit niet van geval tot geval steeds opnieuw te worden beslist.

40. Er zijn namelijk bepaalde situaties waarin een aanpassing van de verrekenprijs in vergelijkbare omstandigheden gevolgen heeft voor de btw, en andere waarin dat niet het geval is. Deze situaties kunnen ook – zonder aanspraak op volledigheid – van elkaar worden onderscheiden.

C. Wat betreft de geherformuleerde vraag

41. In dit verband luidt de geherformuleerde vraag die eigenlijk moet worden beantwoord, als volgt: „Moet een door de winstbelasting ingegeven, binnen de groep geplande aanpassing van de tegenprestatie voor een levering worden beschouwd als een voor de btw relevante wijziging van de maatstaf van heffing overeenkomstig artikel 90 van de btw-richtlijn of als maatstaf van heffing voor een zelfstandige dienst van degene die profiteert van de wijziging van de verrekenprijs, of is deze aanpassing vanuit het oogpunt van de btw irrelevant als zijnde louter een winstaanpassing tussen twee groepsmaatschappijen?”

42. Hierbij kunnen verschillende situaties aan de orde zijn. Zo is het denkbaar dat de belastingplichtige zelfstandige diensten of leveringen verricht om baten en lasten te genereren, die vervolgens de winst beïnvloeden zoals gewenst. Het Hof lijkt te zijn uitgegaan van een dergelijke situatie in de zaak Arcomet Towercranes(12). Het is echter ook mogelijk dat de partijen alleen op papier iets verrekenen om zo de winst dienovereenkomstig te beïnvloeden. Meestal zijn dit afspraken die een aanpassing in beide richtingen mogelijk maken, waarbij in ten minste één richting een dienst moeilijk voorstelbaar is (zie onder C.1).

43. Het is echter ook denkbaar dat de belastingdienst (bijvoorbeeld tien jaar later in het kader van een belastingcontrole) de verrekenprijzen aanpast met het oog op een passende winstverdeling, hetgeen – meestal zonder echte betalingsstroom – uiteindelijk leidt tot een (fictieve) toerekening van de winst aan de ene kant (en in feite tot een fictieve verhoging van de lasten en dus tot een vermindering van de winst aan de andere kant) (zie onder C.2). Verder is het denkbaar dat de bestaande aankoopprijs achteraf wordt aangepast op basis van bepaalde variabelen die nog openstonden bij de vaststelling van de oorspronkelijke aankoopprijs (zie onder C.3).

1. Zelfstandige dienst voor het creëren van lasten en baten versus fictieve afrekening van fictieve prestaties ter correctie van de winst

44. Artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn bepaalt dat aan de btw onderworpen zijn „de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.

45. Volgens vaste rechtspraak wordt een dienst slechts „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn verricht en is deze dus slechts aan de btw onderworpen wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.(13) Aan deze noodzakelijke rechtsbetrekking moet daarbij – zoals ook terecht blijkt uit de recente rechtspraak van het Hof – een ruime betekenis worden gegeven.(14)

46. Wanneer de te verrichten dienst en de daarvoor te betalen vergoeding voortvloeien uit een onderliggende overeenkomst, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat er sprake is van een dergelijke rechtsbetrekking. Dit lijkt ook het juiste uitgangspunt te zijn geweest van het Hof(15) en de advocaat-generaal(16) in de zaak Arcomet Towercranes. Indien daadwerkelijk een vergoeding voor een verrichte dienst is overeengekomen, ongeacht of al dan niet een overeenkomstig winstresultaat wordt behaald, dan is er (bij het intreden van de desbetreffende voorwaarde) sprake van een dienst onder bezwarende titel die relevant is voor de btw.

47. In casu ontbreekt reeds een overeenkomst waarop een door de koper (verzoekster) aan de verkoper (OEM) verleende dienst op enigerlei wijze kan worden gebaseerd. Enerzijds beperkt verzoekster zich tot het aan- en doorverkopen van auto’s. Uit deze doorverkoop vloeit ook de overname van garantiekosten voort. Anderzijds zou de veronderstelling van de belastingdienst – dat verzoekster diensten verleent in de vorm van de distributie en afhandeling van de garantie ten gunste van haar verkoper en dus tegen de vergoeding die voortvloeit uit de prijsaanpassing – geen zin hebben als de winst van verzoekster boven de voorziene marge ligt. In het geval van lagere distributiekosten of lagere garantiekosten zou verzoekster immers nog iets aan de verkoper moeten betalen voor haar eigen dienstverrichting. Dit is niet realistisch.

48. Indien dit contractueel zou zijn overeengekomen, zou dit eerder pleiten voor een fictieve dienst, zodat een dergelijke overeenkomst terecht(17) irrelevant zou zijn voor de btw-heffing over de kosten van een consumptiegoed. In het onderhavige geval is dit echter niet eens contractueel overeengekomen; de belastingdienst beweert louter en alleen dat er sprake is van een dienst.

2. Aanpassing van de verrekenprijzen met terugwerkende kracht door de belastingdienst met het oog op winstaanpassing

49. De situatie ligt echter anders wanneer een door de belastingdienst opgelegde (en dus eenzijdige) aanpassing van de verrekenprijzen plaatsvindt met het oog op een passende winstverdeling tussen de vennootschappen (meestal tussen verschillende staten).

50. Zolang dit slechts gebeurt in het kader van de belasting van de winst van vennootschap X in lidstaat A, gaat het om een zuivere fictie. Om redenen die verband houden met de winstbelasting wordt de winst dienovereenkomstig verhoogd. De vraag of in de andere staat B de winst van vennootschap Y wordt verminderd (dat zou logischerwijs moeten gebeuren), staat daar geheel los van. Aangezien de andere staat mogelijk andere ideeën heeft over de juiste verrekenprijs en er – zoals ik hierboven heb uiteengezet – niet één juiste verrekenprijs bestaat, is dit namelijk niet verplicht. Dit kan ook worden beschouwd als een dilemma op het gebied van de winstbelasting, waarvoor met name de procedures voor onderling overleg(18) zijn ontwikkeld.

51. Daarentegen gaat de btw-wetgeving ervan uit dat een aanpassing van de prijs (de tegenprestatie) aan beide zijden steeds dezelfde gevolgen sorteert. Zo wordt de belastingschuld van de dienstverrichter verlaagd of verhoogd (artikelen 90 en 73 van de btw-richtlijn), terwijl de voorbelastingaftrek van de afnemer dienovereenkomstig wordt verhoogd of verlaagd (artikel 186 van de btw-richtlijn). Daarbij is – ook dit onderscheidt de btw-wetgeving van de wetgeving betreffende de winstbelasting – niet de objectieve waarde van een prestatie bepalend, maar de door de partijen gehanteerde waarde, zoals het Hof onlangs nogmaals heeft benadrukt.(19)

52. Daarom wordt in werkdocument nr. 923 van het btw-comité ook terecht het volgende vermeld: „Er bestaat een spanning tussen, enerzijds, de ter fine van directe belastingen vastgestelde regels inzake verrekenprijzen teneinde – op basis van het zakelijkheidsbeginsel – tot een zakelijke beoordeling van een transactie te komen (dat wil zeggen de normale waarde) en, anderzijds, de btw-regels, die in het algemeen berusten op het bestaan van een onder bezwarende titel verrichte dienst, waarbij de tegenprestatie wordt beschouwd als een objectieve waarde (dat wil zeggen de daadwerkelijk betaalde prijs)”(20).

53. De opvatting van de belastingdienst over de juiste verrekenprijs kan dus gevolgen hebben vanuit het oogpunt van de winstbelasting, maar heeft in beginsel geen gevolgen voor de btw. In dit verband blijven de opvattingen van de partijen over de hoogte van de tegenprestatie doorslaggevend.

54. Hieraan refereren ook de volkomen juiste verklaringen van de btw-deskundigengroep. Volgens deze verklaringen vallen dergelijke verrekenprijsaanpassingen buiten de werkingssfeer van de btw-richtlijn.(21) De btw-deskundigengroep preciseert evenwel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de hypothesen wanneer in de aanpassing contractueel is voorzien en dat, indien er sprake is van een aanpassing voor eerdere leveringen, dit moet leiden tot een herziening van de belastbare grondslag.(22)

55. Indien de belastingdienst daarentegen om redenen van winstbelasting achteraf eenzijdig de winst (uiteindelijk fictief) verhoogt (of verlaagt), houdt dit geen wijziging in van de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen vergoeding. Dit verandert dus in beginsel niets aan de tot dan toe tegen de overeengekomen vergoeding verrichte diensten (zie artikel 73 van de btw-richtlijn) en dus ook niets aan het bedrag van de verschuldigde en reeds afgedragen btw. Een dergelijke situatie lijkt in het onderhavige geval echter niet aan de orde te zijn.

3. Aanpassing achteraf van een onbepaalde maar bepaalbare (variabele) prijs

56. In casu gaat het veeleer om de aanpassing achteraf van een prijs voor geleverde voertuigen die, bij de overeenkomst, nog onbepaald was en dus werd aangeduid met een referentieprijs, maar die naar boven of naar beneden kon variëren afhankelijk van de ontwikkeling van verschillende parameters. In dit verband kan dus zeker worden gesproken van een onbepaalde maar bepaalbare (variabele) prijs. Volgens de door de verwijzende rechter uiteengezette feiten zijn de bepalende parameters de kosten die de koper (verzoekster) heeft gemaakt (eigen distributiekosten en overgenomen garantiekosten) voor de distributie van de door de groep General Motors geproduceerde en door haar gekochte voertuigen.

57. Aan het einde van elke periode werd de verrekenprijs aangepast op basis van het bedrijfsresultaat dat eerder is vastgesteld voor de distributie-eenheid (in casu verzoekster), zodat het bedrag van het werkelijke bedrijfsresultaat van verzoekster ook overeenkwam met het streefbedrag van dat bedrijfsresultaat.

58. Door deze methode voor de berekening van de verkoopprijs tussen de OEM’s en verzoekster werd gewaarborgd dat verzoekster de winst behield die haar binnen de groep was toegewezen, maar ook niet meer of minder. Deze toegewezen winst hangt af van de variabelen (eigen distributiekosten en overgenomen garantiekosten) die achteraf aan elk gekocht goed worden gekoppeld. Afhankelijk van de ontwikkeling van de variabelen steeg of daalde de aankoopprijs naderhand.

59. Voor dergelijke gevallen bestaan er in de richtlijn evenwel bepalingen die de gevolgen op het gebied van de btw regelen. Het is dus niet nodig fictieve diensten te construeren die verder gaan dan de verrichte diensten, zeker niet als deze tot een negatieve prijs zouden kunnen leiden.

60. Artikel 90 van de btw-richtlijn bepaalt uitdrukkelijk dat in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld. Hiermee wordt in casu de maatstaf van heffing van de levering aan verzoekster bedoeld. Tegelijkertijd heeft artikel 73 van de btw-richtlijn betrekking op prijsverhogingen achteraf, aangezien volgens deze bepaling de maatstaf van heffing voor de levering van de verkoper uiteindelijk alles omvat wat deze voor zijn levering als tegenprestatie verkrijgt. Dit omvat noodzakelijkerwijs ook latere verhogingen van de aankoopprijs.

61. Uit deze twee bepalingen blijkt duidelijk dat wijzigingen van de concrete prijs van een levering de maatstaf van heffing van die levering wijzigen. Indien dat het geval is, kan een dergelijke wijziging van de maatstaf van heffing niet tegelijkertijd een dienst vormen. Een prijsaanpassing achteraf heeft dus alleen gevolgen voor de maatstaf van heffing van de onderliggende handeling.

62. Het Hof heeft zich ook in andere situaties reeds moeten buigen over de gevolgen van prijswijzigingen achteraf en heeft daarbij de veronderstelling van een (fictieve) dienst „door de contractuele aanpassing” altijd kunnen vermijden. Zo rijzen in het douanerecht vergelijkbare vragen bij de aanpassing achteraf van de douanewaarde. Terwijl het Hof in het arrest Hamamatsu(23) een algemene bijstelling van de verrekenprijzen zonder concreet verband tussen de aanpassingen en de afzonderlijk ingevoerde goederen als een onvoorziene wijziging heeft aangemerkt die geen douanerechtelijke gevolgen heeft, heeft het in het arrest Tauritus(24) de latere contractuele wijziging van een onbepaalde maar bepaalbare (variabele) aankoopprijs van individuele goederen als douanerechtelijk relevant beschouwd. Dit komt overeen met het hier voorgestelde onderscheid naargelang van de wijze waarop een verrekenprijs wordt aangepast.

63. Mijns inziens verzet de beslissing van het Hof in de zaak Arcomet Towercranes(25) zich niet tegen deze conclusie. Deze zaak had geen betrekking op de aanpassing van een verrekenprijs, maar op de veronderstelling van een dienst onder bezwarende titel indien de winst te hoog of te laag was. Los van de vraag of de uitkomst in dat concrete geval werkelijk overtuigend is, dan wel of er veeleer sprake was van afrekeningen van fictieve prestaties, heeft het Hof uiteindelijk alleen beslist dat er sprake is van een dienst onder bezwarende titel wanneer de partijen contractueel een dienst onder bezwarende titel zijn overeengekomen, waarbij het Hof waarschijnlijk heeft verondersteld dat de dienst ook daadwerkelijk is verricht.

VI. Conclusie

64. Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Supremo Tribunal Administrativo als volgt te beantwoorden:

„Artikel 2, lid 1, onder c), en de artikelen 73 en 90 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: ‚btw-richtlijn’) moeten aldus worden uitgelegd dat de relevantie voor de btw van een door de winstbelasting ingegeven aanpassing van de winst afhangt van de vraag waarop deze betrekking heeft en hoe deze plaatsvindt.

Wanneer de winst wordt aangepast door middel van onder bezwarende titel verrichte zelfstandige diensten (het genereren van lasten en baten) en er niet slechts sprake is van fictieve diensten, vormen deze zelfstandige diensten onder bezwarende titel belastbare handelingen in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn.

Indien de aanpassing van de winst eenzijdig en met terugwerkende kracht door de belastingdienst enkel plaatsvindt met het oog op een passende verdeling van de winst tussen twee belastingheffende staten, is dit vanuit het oogpunt van de btw in beginsel niet relevant.

Indien daarentegen, zoals in casu, de winst wordt aangepast door middel van een specifiek daartoe vastgestelde en variabele aankoopprijs die betrekking heeft op een concrete levering van goederen, gaat het om een verlaging van de maatstaf van heffing in de zin van artikel 90 of een ander deel van de maatstaf van heffing overeenkomstig artikel 73 van de btw-richtlijn voor de verrichte levering. Aangezien de wijziging van de maatstaf van heffing van een levering uitsluitend betrekking heeft op de tegenprestatie (de vergoeding), kan zij op zichzelf geen ‚dienst onder bezwarende titel’ in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn vormen.”

1 Oorspronkelijke taal: Duits.

2 Zie over dit onderwerp ook Echevarria, Gorka, The interplay between transfer pricing and Value Added tax: Recent Case Law, in EC Tax Review 2025/5, blz. 201 (207 en 208).

3 Arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646).

4 Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).

5 Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 (PB 2006, L 347, blz. 1).

6 Dit zou anders zijn indien verzoekster een dienst onder bezwarende titel had verricht en er vervolgens was verrekend met de schuldvordering inzake de aankoopprijs. Volgens de meegedeelde feiten is dit in casu echter niet gebeurd en bovendien zou dit nooit tot een hogere aankoopprijs leiden. Daarom kan deze mogelijkheid in het onderhavige geval buiten beschouwing worden gelaten.

7 Zie in dit verband mijn conclusie in de zaak Zlakov (C‑744/23, EU:C:2025:332, punten 39 e.v.).

8 Aldus tenminste het Hof – zie het fundamentele arrest van 20 juni 1991, Polysar Investments Netherlands (C‑60/90, EU:C:1991:268, punt 13); zie ook arresten van 8 september 2022, Finanzamt R (Aftrek van btw in verband met een inbreng van een vennoot) (C‑98/21, EU:C:2022:645, punten 41 e.v.), 8 november 2018, C&D Foods Acquisition (C‑502/17, EU:C:2018:888, punten 30 e.v.), en 17 oktober 2018, Ryanair (C‑249/17, EU:C:2018:834, punten 16 e.v.). Dit is echter niet geheel overtuigend en daarom ook niet onomstreden – zie mijn conclusie in de zaak Högkullen (C‑808/23, EU:C:2025:149, punten 32 e.v.).

9 Arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646).

10 Conclusie in de zaak Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:244, punt 38).

11 Conclusie in de zaak Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:244, punt 32).

12 Zie in dit verband arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646).

13 Arresten van 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571, punt 36), 15 april 2021, Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA (C‑846/19, EU:C:2021:277, punt 36), en 3 maart 1994, Tolsma (C‑16/93, EU:C:1994:80, punt 14).

14 Arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen (C‑677/21, EU:C:2023:348, punt 31).

15 Arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646, punten 35 en 36).

16 Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:244, punten 41 e.v.).

17 Anders mogelijk arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646, punt 48), en de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:244, punt 48), die echter niet zijn ingegaan op het tegenargument op basis van de concrete feiten.

18 Inmiddels bestaat hiervoor binnen de Unie zelfs richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie (PB 2017, L 265, blz. 1). Deze richtlijn heeft echter enkel betrekking op geschillen die ontstaan naar aanleiding van de uitleg en toepassing van overeenkomsten en verdragen die voorzien in de afschaffing van dubbele belasting op inkomsten en, waar van toepassing, op vermogen.

19 Arrest van 3 juli 2025, Högkullen (C‑808/23, EU:C:2025:516, punt 21), met verwijzing naar arrest van 25 november 2021, Amper Metal (C‑334/20, EU:C:2021:961, punt 28), en 7 november 2013, Tulică en Plavoşin (C‑249/12 en C‑250/12, EU:C:2013:722, punt 33).

20 Zie werkdocument nr. 923 van het raadgevend comité voor de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw-comité”) [directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie (DG TAXUD)], taxud.c.1(2016)1280928 – EN in punt 3.4 (blz. 23) (vrije vertaling).

21 Zie werkdocument nr. 071 REV2 van de btw-deskundigengroep, taxud.c.1(2018)2326098 – EN, blz. 2.

22 Zie de in punt 2.2.2.2 (blz. 8) van het werkdocument nr. 071 REV2 van de btw-deskundigengroep, taxud.c.1(2018)2326098 – EN, weergegeven tabel.

23 Arrest van 20 december 2017, Hamamatsu Photonics Deutschland (C‑529/16, EU:C:2017:984, punt 18 en punten 31 e.v.).

24 Arrest van 15 mei 2025, Tauritus (C‑782/23, EU:C:2025:353, punten 60 en 61).

25 Arrest van 4 september 2025, Arcomet Towercranes (C‑726/23, EU:C:2025:646).

ECLI:EU:C:2026:21

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 16 september 2024 – Stellentis Portugal, S.A. / Autoridade Tributária e Aduaneira

(Zaak C-603/24, Stellantis Portugal)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Supremo Tribunal Administrativo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Stellentis Portugal, S.A.

Verwerende partij: Autoridade Tributária e Aduaneira

Prejudiciële vraag

Moet artikel 2 van de Zesde btw-richtlijn (Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 19771 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag), in de ten tijde van de feiten geldende versie, worden uitgelegd in die zin dat het begrip „levering van diensten onder bezwarende titel”, zoals bedoeld in deze bepaling, ook ziet op een aanpassing van de verkoopprijs van voertuigen die naar behoren is vastgesteld en vastgelegd in een tussen partijen gesloten overeenkomst tot het bereiken van een minimumwinstmarge, en die blijkt uit de uitgifte door de Europese producenten van de groep General Motors van een credit- of debetnota op naam van de verzoekende partij?

____________

1 PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1-40

Scroll naar boven