Integrale proceskostenvergoeding wegens onzorgvuldig handelen Belastingdienst

Integrale proceskostenvergoeding wegens onzorgvuldig handelen Belastingdienst

Aan A BV is door de Belastingdienst over het jaar 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 20.000 opgelegd. De Belastingdienst baseerde dit bedrag niet op een inhoudelijke controle van bewijsstukken, hoewel de relevante facturen op dat moment al beschikbaar waren bij de afdeling Vennootschapsbelasting. Bovendien verzuimde de Belastingdienst om A BV expliciet en tijdig vooraf in kennis te stellen van de naheffing, waardoor A BV haar zienswijze niet vooraf kenbaar kon maken. Nadat A BV in de bezwaarfase wees op deze tekortkomingen, vernietigde de Belastingdienst de aanslag uiteindelijk wegens schending van formele rechtsbeginselen, waaronder het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

In de procedure stond de vraag centraal of A BV recht had op een integrale proceskostenvergoeding voor de gemaakte kosten in de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase (in totaal meer dan € 59.000). A BV stelde dat de handelswijze van de Belastingdienst kwalificeerde als een bijzondere omstandigheid die afwijking van het forfaitaire tarief rechtvaardigt. Volgens A BV had de Belastingdienst namelijk “tegen beter weten in” en in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld door zonder bewijs en in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel een willekeurige aanslag op te leggen.

Gerechtshof Den Haag oordeelde dat er voor de bezwaarfase inderdaad recht is op een integrale proceskostenvergoeding van € 9.038. Het Hof baseert dit op vaste jurisprudentie inzake verregaande onzorgvuldigheid (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975) en het niet respecteren van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel (o.a. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1850). Omdat de Belastingdienst zich onvoldoende had ingespannen om bewijs te verkrijgen én A BV niet de kans had gegeven zich te verdedigen, handelde de Belastingdienst in vergaande mate onzorgvuldig. Voor de beroeps- en hogerberoepsfase werd de integrale vergoeding echter afgewezen; de verregaande onzorgvuldigheid van de Belastingdienst eindigde namelijk op het moment dat de aanslag werd vernietigd, waardoor voor die latere fasen slechts het reguliere forfaitaire bedrag geldt.

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2026
Datum publicatie
20-04-2026
Zaaknummer
BK-24/990
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:16827, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 3, Bpb; integrale proceskostenvergoeding; naheffingsaanslag omzetbelasting werd, ondanks de schending van formele rechtsbeginselen, niet vernietigd terwijl duidelijk was dat die naheffingsaanslag in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026042002
V-N Vandaag 2026/786
FutD 2026-0722
NDFR Nieuws 2026/668
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/990

Uitspraak van 10 maart 2026
in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.E. Kers)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 oktober 2024, nummer SGR 23/2367.

Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 20.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 3.374 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).

1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag vernietigd, onder toekenning van een forfaitaire kostenvergoeding van € 310.

1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 371 griffierecht geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de kostenvergoeding betreft;

– laat de overige rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand;

– bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

– wijst het verzoek om vergoeding voor immateriële schade af;

– veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte (proces)kosten van in totaal

€ 2.735,50 (€ 1.860,50 + € 875);

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden; en

– bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van de wettelijke rente over de vergoedingen van proceskosten en griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.”

1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 559 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft gereageerd op het incidentele hoger beroep. Op 3 oktober 2025 en 13 oktober 2025 is van de zijde van belanghebbende een nader stuk ingekomen.

1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. De onderhavige zaak is ter zitting gezamenlijk behandeld met de zaken van belanghebbende met nummers BK 24/991 en BK 24/992. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht in de andere zaken te zijn aangevoerd, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten
2.1.
Belanghebbende is op [datum] 2005 opgericht. Sinds de oprichting van belanghebbende is [A] enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende, waarbij [A] zelfstandig bevoegd is.

2.2.
Belanghebbende houdt alle aandelen in de vennootschap [B.V. 1] , die op haar beurt deelnemingen in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen en één in [buitenland] gevestigde vennootschap houdt. Belanghebbende houdt daarnaast alle aandelen in de vennootschap [Inc. 1] , die in [datum] 2013 is opgericht naar het recht van de staat [Staat 1] en is gevestigd in de Verenigde Staten. [Inc. 1] verleent diensten met betrekking tot (het ter beschikking stellen van) software in de Verenigde Staten, die alleen in de Verenigde Staten kan worden gebruikt. De software wordt door een in Nederland gevestigde kleindochtervennootschap van belanghebbende, [B.V. 2] , ontwikkeld.

2.3.
Met ingang van 18 augustus 2014 is [A] door belanghebbende uitgezonden om als Chief Executive Officer te functioneren bij [Inc. 1] . Ter zake van de uitzending is tussen belanghebbende en [A] een International Assignment Letter (de International Assignment Letter) overeengekomen waarin de voorwaarden van de uitzending zijn vastgelegd. Voor het uitzenden van personeel ontvangt belanghebbende een vergoeding van [Inc. 1] op grond van een tussen beide gesloten Secondment Agreement.

2.4.
Naar aanleiding van de in 2.3 genoemde uitzending is [A] in augustus 2014 met zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd. Met ingang van 18 augustus 2024 is [A] fiscaal inwoner van de staat [Staat 2] (Verenigde Staten) en per 1 januari 2015 is [A] op federaal niveau fiscaal inwoner geworden.

2.5.
Op 1 januari 2018 is in de Verenigde Staten de “Tax Cuts and Jobs Act” (TCJA) in werking getreden. Onderdeel van de TCJA was de “Global Intangible Low-Taxed Income”-wetgeving (GILTI-wetgeving). In verband met de aankondiging van de GILTI-wetgeving, zijn voor tussen maart 2018 en januari 2019 verrichte werkzaamheden, advieskosten van in totaal € 166.991 aan belanghebbende in rekening gebracht. De advieskosten hadden onder andere betrekking op een herstructurering van de ondernemingsstructuur van belanghebbende ter voorkoming van een toerekening van de ondernemingsresultaten aan [A] en een mogelijke economische dubbele heffing als gevolg van de inwerkingtreding van de GILTI-wetgeving.

2.6.
Belanghebbende heeft op 23 april 2019 de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2018 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 9.210, waarbij de in 2.5 genoemde advieskosten als onderdeel van de post “andere kosten” in aftrek zijn gebracht.

2.7.
Bij kennisgeving van 21 oktober 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij zal afwijken van de aangifte Vpb 2018. In de kennisgeving staat onder meer dat de Inspecteur van de advieskosten van € 166.991 een bedrag van € 162.223 aan kosten niet in aftrek zal toestaan en derhalve zal corrigeren. Voorts staat in de kennisgeving, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende:

“2. Omzetbelasting
Mogelijkerwijs is de voorbelasting over de gemaakte herstructureringskosten niet aftrekbaar van de te betalen omzetbelasting. Indien en voor zover de voorbelasting over de gemaakte herstructureringskosten is afgetrokken van de te betalen omzetbelasting, kan dit middels een naheffingsaanslag omzetbelasting worden gecorrigeerd. Het omzetbelasting-onderzoek is op moment van schrijven nog lopend. Mocht hieruit een te corrigeren bedrag voortvloeien, dan kan dit worden meegenomen bij de bepaling van de regresvordering (…).”

2.8.
De Inspecteur heeft met dagtekening 28 juni 2023 de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 20.000. Bij de toelichting wordt als reden voor het opleggen van de naheffingsaanslag vermeld:

“Reden voor deze naheffingsaanslag
Wij hebben u deze naheffingsaanslag opgelegd omdat u de btw (gedeeltelijk) niet heeft betaald, of omdat u te veel btw heeft terugontvangen.”

2.9.
Belanghebbende heeft op 13 juli 2023 gemotiveerd bezwaar ingediend tegen de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente, waarbij belanghebbende onder andere verzoekt om een integrale kostenvergoeding vanwege schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Op 26 juli 2023 ontving belanghebbende een aanmaning voor de naheffingsaanslag waarbij aanmaningskosten van € 18 in rekening zijn gebracht. Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 3 augustus 2023 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2023 is de Inspecteur tegemoetgekomen aan voormeld bezwaar van 3 augustus 2023 en zijn de aanmaningskosten verminderd tot nihil. In de uitspraak op bezwaar staat, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:

“Beoordeling van uw bezwaar
Ik kom om de volgende redenen ten dele tegemoet aan het bezwaar:

De aanmaning en het bezwaar hebben elkaar gekruist.”

2.10.
Bij brief van 24 augustus 2023 heeft de Inspecteur, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt gereageerd op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag:

“Uw bezwaar
U maakt bezwaar tegen de naheffingsaanslag van € 20.000,-.

In uw bezwaar gaat u in op het schenden van een aantal rechtsbeginselen. Allereerst vermeldt u het verdedigingsbeginsel. U geeft aan dat de belastingplichtige geen aankondiging van de naheffingsaanslag heeft ontvangen. De naheffing is tijdens het hoorgesprek aangekondigd. Ook heeft de belastingplichtige in de brief met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting een aankondiging gehad van de naheffingsaanslag voor de btw.

Dit had beter gekund. Wij hadden dit op een andere manier kunnen communiceren met de belastingplichtige, maar het verdedigingsbeginsel is hiermee niet geschonden.

U geeft ook aan dat de belastingplichtige niet de kans heeft gekregen gehoord te worden. Dit is onjuist geconcludeerd. Het is geen verplichting van de belastingdienst om te horen voordat er een aanslag wordt opgelegd. Het verdedigingsbeginsel is naar mijn mening niet geschonden, omdat de belastingplichtige het recht heeft om in bezwaar en beroep te gaan. Dit is middels uw bezwaarschrift ook gebeurd. Voordat ik uitspraak zal doen op het bezwaar, nodig ik uw client uit voor een hoorgesprek.

Ook benoemt u het zorgvuldigheidsbeginsel. De reden voor de naheffingsaanslag is zorgvuldig bepaald en ook aan de belastingplichtige medegedeeld. De belastingdienst was van mening dat de geleverde diensten advieskosten betreffen die zien op herstructurering teneinde de Amerikaanse Belastingclaim te verminderen van de aandeelhouder.

Wel is er een fout gemaakt bij de berekening van de naheffing. Met het bedrag van de naheffing is niet zorgvuldig omgegaan. Ik wil hiervoor mijn excuses aanbieden.

(…)

Verzoek om informatie
In uw omschrijving staat ongeveer € 20.000,-. Ik ben voornemens de aanslag te verminderen tot het btw-bedrag van deze facturen. Graag ontvang ik daarom de facturen met btw die betrekking hebben op deze advieskosten. (…)”

2.11.
Bij e-mailberichten van 8 september 2023 en 13 september 2023 heeft belanghebbende bij de Inspecteur navraag gedaan of de Inspecteur beschikt over de facturen waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. Zo staat in het e-mailbericht van 13 september 2023, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:

“Wij begrijpen naar aanleiding van uw bericht dat de facturen niet in het dossier zitten van de naheffingsaanslag btw 2018 en dat uw collega’s deze facturen ook niet tot hun beschikking hadden bij het opleggen van deze naheffingsaanslag. Is dit correct? Wij vernemen graag uw bevestiging alvorens wij een kopie van de facturen aan u verstrekken.”

Op voornoemd e-mailbericht heeft de Inspecteur als volgt gereageerd:

“(…). Het klopt inderdaad dat ik de facturen nog niet tot mijn beschikking heb. Om het juiste bedrag vast te stellen zou ik graag de facturen willen ontvangen die betrekking hebben op dit bedrag.”

2.12.
Bij brief van 7 november 2023 deelt de Inspecteur mede dat hij naar aanleiding van gesprekken met collega’s van de afdeling Vpb voornemens is de naheffingsaanslag te verminderen tot € 4.711. Deze e-mail bevat een overzicht van de facturen waarop de naheffingsaanslag volgens hem gebaseerd had moeten zijn.

2.13.
In de toelichting op de uitspraak op bezwaar van 16 januari 2024 is de Inspecteur, na overleg met een deskundige op het gebied van formeel belastingrecht, tot de conclusie gekomen dat een aantal rechtsbeginselen is geschonden. Vervolgens heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 2 februari 2024 vernietigd. Ten aanzien van belanghebbendes verzoek om een integrale kostenvergoeding vermeldt de aanvullende brief van 16 januari 2024, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende:

“Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand
Ik vind dat het een gemiddelde zaak is. Bij bezwaar kent het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een gemiddelde zaak 1 punt toe. Ik stel de kostenvergoeding daarom vast op € 310,-.

Dit bedrag zal op korte termijn worden uitbetaald of verrekend.

Deze beslissing maakt onderdeel uit van de uitspraak op het bezwaarschrift die u inmiddels heeft ontvangen of binnenkort zult ontvangen.

Integrale kostenvergoeding
In uw bezwaarschrift verzoekt u om een integrale kostenvergoeding. Voor het toekennen van een integrale kostenvergoeding is alleen aanleiding bij zeer onzorgvuldig handelen zoals het tegen beter in volharden in een onjuist standpunt. Er is inderdaad een fout gemaakt door ten onrechte de belastingplichtige niet expliciet en tijdig de gelegenheid te bieden om te worden gehoord over het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen. Wel komen wij daar nu in de bezwaarfase, op grond van voortschrijdend inzicht, op terug door de aanslag alsnog te vernietigen. Wij komen echter niet aan het verzoek tegemoet, omdat er in onze optiek geen sprake is van zeer onzorgvuldig handelen.”

Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Kostenvergoeding bezwaar

12. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, en artikel 2, lid 3, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase een forfaitaire vergoeding worden toegekend. Voor toekenning van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb bestaat grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking neemt of een uitspraak doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen gestelde procedure geen stand zal houden.[3] Daarnaast kan ook in andere gevallen aanleiding bestaan om, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Een dergelijke situatie kan zich voordoen als verweerder bij het opleggen van een aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.[4]

13. Het is aan eiseres om de feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals genoemd onder 12. Eiseres heeft aangevoerd dat de bijzondere omstandigheid in de onderhavige zaak in de eerste plaats is gelegen in het feit dat verweerder in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld door het opleggen van een naheffingsaanslag naar een willekeurig bedrag. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende toelichting en/of bewijs verstrekt over de achtergrond van de totstandkoming van de naheffingsaanslag. De naheffingsaanslag is, naar eiseres stelt, opgelegd terwijl op dat moment duidelijk wat dat hij geen stand zou houden in een procedure vanwege gebrek aan bewijs. Door eiseres niet in de gelegenheid te stellen te reageren op een voornemen tot het opleggen van de naheffingsaanslag, is bovendien het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel op ernstige wijze geschonden. Met betrekking tot de bezwaarfase voert eiseres aan dat verweerder onnodig lang en tegen beter weten in heeft volhard in zijn standpunten en dat verweerder belangrijke informatie niet heeft verstrekt. Volgens eiseres houdt verweerder in de beroepsfase nog steeds informatie achter, waarbij zij wijst op de verplichting van artikel 8:42 van de Awb om alle op de zaak betrekking

hebbende stukken te overleggen.

14. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in dit geval aanleiding om af te wijken van het op grond van het Bpb op forfaitaire wijze berekende bedrag van een kostenvergoeding in bezwaar. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat niet tussen partijen in geschil is dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. Daar komt bij dat verweerder niet heeft kunnen onderbouwen hoe hij tot een naheffing naar een bedrag van € 20.000 is gekomen. Voor het opleggen van de naheffingsaanslag heeft verweerder naar eigen zeggen inzage gehad in de stukken die betrekking hadden op de aanslag Vpb 2018 en dus ook in de facturen, maar

berust het ten onrechte naheffen van het bedrag van € 20.000 op een menselijke fout. De stukken waar verweerder inzage in heeft gehad, zijn in de procedure over de aanslag Vpb 2018 overgelegd. Verder heeft volgens verweerder alleen mondeling overleg tussen “de inspecteur omzetbelasting” en “de inspecteur Vpb” plaatsgevonden. Verweerder heeft verklaard dat hij voor het opleggen van de naheffingsaanslag is aangesloten bij het onderzoek naar de Vpb. Dat geen onderbouwing aan de aanzienlijke naheffing van € 20.000 ten grondslag ligt, acht de rechtbank onder deze specifieke omstandigheden in verregaande mate onzorgvuldig, te meer omdat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan de naheffingsaanslag haar standpunt kenbaar te maken.

15. Deze verregaande onzorgvuldigheid strekt echter niet verder dan het moment waarop eiseres haar standpunt wel kenbaar heeft kunnen maken. De rechtbank stelt vast dat dit moment zich voor het eerst voordoet op 13 juli 2023 bij de indiening van het bezwaarschrift. De gemachtigde van eiseres heeft met betrekking tot het opstellen van dit bezwaarschrift voor het laatst op 10 juli 2023 kosten in rekening gebracht. De rechtbank ziet dan ook aanleiding voor een vergoeding van de integrale kosten die zijn gemaakt tot en met de indiening van het bezwaarschrift, te weten een bedrag van € 2.170,50.

16. Hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd, leidt er niet toe dat eiseres recht heeft op een hogere (integrale) kostenvergoeding (betreffende de kosten gemaakt na 13 juli 2023). De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder in de bezwaarfase onnodig lang en tegen beter weten in heeft volhard in zijn standpunten. Verweerder stelt terecht dat hij in de bezwaarfase al vroegtijdig, namelijk bij de ontvangstbevestiging van het bezwaar op 24 augustus 2023, heeft erkend dat een fout is gemaakt in de berekening van de naheffingsaanslag. Dat verweerder pas later in de bezwaarfase duidelijk is geworden dat het verdedigingsbeginsel is geschonden waarna hij de naheffingsaanslag geheel heeft vernietigd, betekent niet dat hij tegen beter weten in heeft doorgeprocedeerd.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, veroordeelt de rechtbank verweerder in een integrale vergoeding van de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 2.170,50. De bij uitspraak op bezwaar reeds toegekende vergoeding van € 310 dient hierop in mindering te worden gebracht. De totale nog te vergoeden kosten in bezwaar bedragen dan € 1.860,50. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

18. Eiseres heeft verzocht om vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ontvangen op 14 juli 2023. De uitspraak van de rechtbank is van 8 oktober 2024. De redelijke termijn is niet overschreden.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Voor een integrale proceskostenvergoeding in beroep ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om in de beroepsfase van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder stukken van het proces inzake de totstandkoming van de naheffingsaanslag, heeft overgelegd en dat zij daardoor hoge kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand heeft moeten maken. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verweerder ter zitting dat geen verdere interne vastlegging bestaat. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb die aanleiding geven voor een integrale proceskostenvergoeding in beroep is niet gebleken. De

rechtbank wijst het verzoek daarom af.

20. De te vergoeden kosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat de zaak van licht gewicht is, omdat deze slechts gaat over de kostenvergoeding in de bezwaarfase. De rechtbank ziet aanleiding het betaalde griffierecht aan eiseres te laten vergoeden. Indien de vergoedingen niet aan eiseres worden uitbetaald binnen vier weken na de datum van de uitspraak van de rechtbank, heeft eiseres recht op vergoeding van de wettelijke rente.

(…)

[3] Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802.

[4] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of belanghebbende terecht aanspraak maakt op een integrale vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt in de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase van respectievelijk € 9.038, € 27.400 en € 23.278.

4.2.
Belanghebbende concludeert in het principale hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, behoudens voor zover daarin de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente zijn vernietigd. Belanghebbende verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep, alsmede om een vergoeding van de betaalde griffierechten. In het incidentele hoger beroep concludeert belanghebbende tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.3.
In het principale hoger beroep concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. In zijn incidentele hoger beroep concludeert de Inspecteur primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Subsidiair concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot een nadere vaststelling van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.480.

Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Op grond van artikel 8:75, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 7:15, lid 2, Awb kunnen kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, worden vergoed. Volgens artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geldt voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand een forfait dat is opgenomen in de Bijlage bij het Bpb. Artikel 2, lid 3, Bpb bepaalt dat onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van een forfaitaire kostenvergoeding.

5.2.
Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, r.o. 3.2). Voorts kan voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb grond bestaan indien sprake is van feiten en omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, moeten leiden tot het oordeel dat het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, r.o. 3.5).

5.3.
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een integrale (proces)kostenvergoeding in bezwaar en beroep vanwege bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb. Zo is belanghebbende niet op de hoogte gesteld van het voornemen van de Inspecteur om een naheffingsaanslag omzetbelasting op te leggen en is belanghebbende ook niet in de gelegenheid gesteld om daarover te worden gehoord, waardoor sprake is van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Bovendien blijkt uit de tussen belanghebbende en de Inspecteur gevoerde correspondentie niet waarop het nageheven bedrag van € 20.000 is gebaseerd. Deze omstandigheden leiden volgens belanghebbende ertoe dat door de Inspecteur een naheffingsaanslag is opgelegd die in een procedure daartegen geen stand zou kunnen houden (“tegen beter weten in” handelen) en door de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld, waardoor belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase ten aanzien van onderhavig geschil.

5.4.1.
De Inspecteur stelt dat, hoewel een (procedurele) fout is gemaakt door belanghebbende ten onrechte niet de gelegenheid te bieden een reactie te geven op de naheffingsaanslag en in zoverre onzorgvuldig is gehandeld, geen sprake is van een zodanig vergaande onzorgvuldigheid of “tegen beter weten in” handelen, dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding in afwijking van de op grond van artikel 2, lid 1, letter a, Bpb op forfaitaire wijze berekende kostenvergoeding.

5.4.2.
In zijn incidenteel ingestelde hoger beroep stelt de Inspecteur dat de Rechtbank ten onrechte de schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb, waarmee de Rechtbank zou zijn voorbijgegaan aan het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4, en de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7559, r.o. 4.19, en 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3479. Als het standpunt van belanghebbende zou worden gevolgd, zou dat bovendien tot gevolg hebben dat elke schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel tot toekenning van een integrale kostenvergoeding leidt, hetgeen niet verenigbaar is met artikel 2, lid 3, Bpb, aldus de Inspecteur. In het incidentele hoger beroep stelt de Inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat de verzochte kostenvergoeding bovenmatig is en dat een bedrag van € 1.480 redelijk is als vergoeding van de kosten voor het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift, gebaseerd op vier respectievelijk anderhalf uur aan werkzaamheden voor het indienen van een gemotiveerd bezwaarschrift van (twee werknemers van de) gemachtigde van belanghebbende met de functie manager respectievelijk partner.

5.5.1.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire kostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 1, letter a, Bpb rechtvaardigen, overweegt het Hof als volgt. Niet in geschil is dat in de onderhavige zaak sprake is van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Zo heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd zonder belanghebbende vooraf in de gelegenheid te hebben gesteld daarover te worden gehoord en is belanghebbende niet tijdig en expliciet, dat wil zeggen in niet mis te verstane bewoordingen, van de voorgenomen naheffingsaanslag op de hoogte gesteld, onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die de Inspecteur aan de naheffingsaanslag ten grondslag wilde leggen (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1850, r.o. 4.2, HR 24 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:934, r.o. 3.2.1, en HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:903, r.o. 5.2.2). Nadat de naheffingsaanslag was opgelegd, heeft belanghebbende in haar bezwaarschrift gemotiveerd uiteengezet om welke redenen sprake was van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en heeft belanghebbende zich beklaagd dat een inhoudelijke onderbouwing van het nageheven bedrag aan omzetbelasting van € 20.000 ontbreekt. Desondanks heeft de Inspecteur in zijn brief van 24 augustus 2023 het standpunt ingenomen dat geen sprake was van enige schending van rechtsbeginselen (zie 2.10) en heeft de Inspecteur in voornoemde brief en in zijn e-mailbericht van 7 november 2023 (zie 2.12) te kennen gegeven dat hij voornemens was de naheffingsaanslag, zij het naar een ander bedrag, te handhaven, hetgeen in strijd is met voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Gelet op voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad had de Inspecteur behoren te weten dat aan het vereiste van het expliciet op de hoogte stellen van het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag niet is voldaan met de aankondiging van de naheffingsaanslag in het hoorgesprek in het kader van het bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting en evenmin met de summiere aankondiging van de naheffingsaanslag in de brief met betrekking tot de aangifte Vpb. Evenzeer had hij op grond van voornoemde jurisprudentie van de Hoge Raad behoren te weten dat het voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag dient te geschieden onder voldoende nauwkeurige vermelding van de elementen die hij daaraan ten grondslag wil leggen, en dat hij daarbij de belastingplichtige dient uit te nodigen zijn zienswijze op het voornemen tot deze concrete naheffingsaanslag te geven. Door desondanks niet aanstonds na de ontvangst van het bezwaarschrift de naheffingsaanslag te vernietigen, terwijl de Inspecteur wist dat niet aan de door de Hoge Raad gestelde vereisten was voldaan heeft belanghebbende extra werkzaamheden moeten laten verrichten die tot onnodige kosten hebben geleid. Pas bij het doen van uitspraak op bezwaar op 16 januari 2024 heeft de Inspecteur erkend dat het verdedigingsbeginsel is geschonden en heeft hij de naheffingsaanslag vernietigd.

5.5.2.
Daarnaast heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd zonder dat deze (inhoudelijk) was onderbouwd, terwijl de Inspecteur bekend was, of had behoren te zijn met de facturen waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft en welke zich reeds bij zijn collega’s van de afdeling Vpb bevonden. Dit kan onder andere worden afgeleid uit de verwijzing van de Inspecteur in zijn brief van 24 augustus 2023 naar de kennisgeving van 21 oktober 2022 met betrekking tot de aangifte Vpb 2018 (zie 2.7), waarin staat dat op het moment van schrijven van de kennisgeving een omzetbelasting-onderzoek liep. De Inspecteur heeft desalniettemin een naheffingsaanslag opgelegd zonder kennis te hebben genomen van de facturen en hij heeft na het ingediende bezwaar meermaals aan belanghebbende verzocht de betreffende facturen te verstrekken, ondanks belanghebbendes navraag naar de aanwezigheid van de facturen (zie 2.11). Pas bij e-mailbericht van 7 november 2023 heeft de Inspecteur laten weten van zijn collega’s van de afdeling Vpb inzicht te hebben verkregen in de facturen (zie 2.12). Het Hof is derhalve van oordeel dat de Inspecteur, zowel in de periode voor als na het opleggen van de naheffingsaanslag, zich onvoldoende (tijdig) heeft ingespannen om het voor de onderbouwing van de naheffingsaanslag vereiste bewijs te verkrijgen.

5.5.3.
Gelet op de in 5.5.1 en 5.5.2 genoemde omstandigheden, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag niet alleen het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden maar ook in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld en dat derhalve sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb, die afwijking van de forfaitaire kostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 1, letter a, Bpb rechtvaardigen. Belanghebbende komt dientengevolge in aanmerking voor een integrale vergoeding van de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase.

5.6.
De stelling van de Inspecteur dat met het constateren van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel zou worden voorbijgegaan aan het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4, en de uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7559, r.o. 4.19, en 21 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3479, maakt het voorgaande niet anders. Anders dan in voornoemde zaken het geval was, is in de onderhavige zaak niet slechts sprake van schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, maar zijn meerdere omstandigheden van belang die, in onderling verband en samenhang bezien, een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen (zie 5.5.1 en 5.5.2).

5.7.
Gelet op het voorgaande, komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende terecht aanspraak maakt op een integrale vergoeding van de kosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase. Deze kosten zijn door belanghebbende aan de hand van kostenspecificaties becijferd op € 9.038. Het Hof ziet geen grond om de Inspecteur te volgen in de stelling dat de gemaakte kosten in de bezwaarfase bovenmatig zijn. Belanghebbende heeft immers een onderbouwd overzicht gegeven van de verrichte werkzaamheden en de daaraan verbonden kosten en niet gebleken is dat de werkzaamheden betrekking hadden op andere kwesties dan het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde geschil.

5.8.
Het Hof ziet echter geen grond om een integrale vergoeding van de proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand in de beroeps- en hogerberoepsfase toe te kennen. Hoewel belanghebbende beroep en hoger beroep heeft moeten instellen voor de toekenning van een integrale kostenvergoeding in de bezwaarfase, dient de vraag of belanghebbende recht heeft op een integrale (proces)kostenvergoeding per fase van de procedure te worden beoordeeld. Niet gebleken is dat de Inspecteur in de beroeps- of hogerberoepsfase in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, aangezien daarvan geen sprake meer was op het moment dat de naheffingsaanslag werd vernietigd. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding om voor de beroeps- en hogerberoepsfase af te wijken van de forfaitaire kostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 1, letter a, Bpb.

Slotsom

5.9.
Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in bezwaar gemaakte kosten van € 9.038.

6.2.
Het Hof ziet voorts aanleiding voor veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1). Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand eveneens vast op € 1.868 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1).

6.3.
Verder dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 930 te worden vergoed.

Beslissing
Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding en het griffierecht;


vernietigt de uitspraak op bezwaar, doch slechts voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om toekenning van een integrale kostenvergoeding;


veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 12.774, en


draagt de Inspecteur op aan belanghebbende het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 930 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers.

De griffier, de voorzitter,

X. Evers R.A. Bosman

De beslissing is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. – de naam en het adres van de indiener;

b. – de dagtekening;

c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. – de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHDHA:2026:432

Scroll naar boven