Ontwikkelaar A, sloot in 2016 een turnkey-koopovereenkomst met investeerder C BV tot levering van grond en realisatie van een zorgcomplex. Dit project, het eerste in een reeks vergelijkbare projecten, werd belast met omzetbelasting. De uitvoering betrof een bedrijfsmodel waarbij A het complex inclusief inrichting (zoals keuken, domotica, interieur, tuinmeubilair) realiseerde, de investeerder de financiering verstrekte en eigenaar werd, en een gelieerde vennootschap (B BV) de exploitatie (verhuur aan bewoners) verzorgde. A bracht de voorbelasting op alle inkoopkosten in aftrek. De Belastingdienst stelde zich echter op het standpunt dat een substantieel deel van deze kosten, waaronder die voor het ‘inbouwpakket’ en diverse inrichtingskosten, geen betrekking had op de belaste levering aan de investeerder. Het huurcontract, dat later overging op de investeerder, impliceerde zelfs dat de kosten van het inbouwpakket voor rekening van de huurder (B BV) zouden komen. Dit leidde tot een naheffingsaanslag en een lagere teruggaafbeschikking voor het eerste en tweede kwartaal van 2020.
De vraag was of de voorbelasting op de betwiste kosten volledig aftrekbaar was door A, hetgeen afhing van de vraag of deze kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband hielden met de belaste levering van het zorgcomplex aan de investeerder, of als algemene kosten van de onderneming konden worden aangemerkt. A concludeerde tot volledige aftrek, stellende dat de inrichtingskosten essentieel waren voor het functioneren van het zorgcomplex en daardoor toe te rekenen waren aan de belaste levering. Zij erkende dat de schriftelijke vastlegging van afspraken, mede gezien het feit dat dit het eerste project was, ‘amateuristisch’ was, maar dat de intentie was dat de inrichting bij de oplevering aan de investeerder was inbegrepen. De Belastingdienst betoogde dat de kosten samenhingen met de vrijgestelde exploitatieprestaties van de gelieerde B BV, waardoor geen recht op aftrek bestond. Subsidiair beriep de Belastingdienst zich op misbruik van recht. Bij de beoordeling van de aftrek van voorbelasting en de definitie van algemene kosten zijn vaste HvJ-principes van belang, zoals uiteengezet in onder meer Iberdrola (C-132/16) en A tegen Finanzamt M (C-596/21). Misbruik van recht vereist dat transacties zijn verricht met het oog op een belastingvoordeel dat strijdig is met het doel van de belastingwetgeving, zoals vastgelegd in jurisprudentie als Halifax (C-255/02).
Hoewel de schriftelijke contractuele afspraken de stelling van A op zichzelf niet aannemelijk maakten, achtte Hof ’s-Hertogenbosch de nadere toelichting van A over haar geloofwaardige bedrijfsmodel doorslaggevend. Het Hof nam aan dat de realisatie door A, inclusief de inrichting van gemeenschappelijke ruimten, noodzakelijk was om het complex als woonomgeving voor de doelgroep in gebruik te kunnen nemen, en dat deze kosten tot de stichtingskosten behoorden. De verklaring van de investeerder en de onbetwiste stelling dat de aftrek bij latere, vergelijkbare projecten met betere vastlegging niet ter discussie stond, verleenden steun aan dit standpunt. Het Hof verwierp tevens het standpunt van de Belastingdienst ten aanzien van misbruik van recht, nu de levering van het zorgcomplex belast was en de toekenning van de aftrek van voorbelasting in overeenstemming was met doel en strekking van de wet. Nu de voorbelasting toerekenbaar werd geacht aan de belaste levering, komt deze voor aftrek in aanmerking. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, evenals de naheffingsaanslag. De teruggaafbeschikkingen werden verhoogd en de Belastingdienst werd veroordeeld in de proceskosten.
Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-06-2025
Datum publicatie
24-09-2025
Zaaknummer
23/886
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:3801, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft een zorgcomplex ontwikkeld en deze aan een investeerder geleverd (met berekening van omzetbelasting). Belanghebbende heeft alle voorbelasting op haar kosten in aftrek gebracht. De inspecteur is echter van mening dat een deel van de kosten geen betrekking heeft op de levering van het zorgcomplex aan de investeerder en acht de voorbelasting op deze kosten niet aftrekbaar. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar in hoger beroep komt het hof tot de slotsom dat belanghebbende wel recht heeft op aftrek van deze voorbelasting. Het hof verklaart het hoger beroep gegrond.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2025092417
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/886 en 23/887
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juni 2023, nummers BRE 21/5713 en 21/5714, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor de omzetbelasting voor het eerste en tweede kwartaal 2020 en daarbij verzocht om teruggaven. De inspecteur heeft besloten niet aan het verzoek ten aanzien van het eerste kwartaal 2020 tegemoet te komen, zoals vastgelegd in een beschikking geen teruggaaf. Daarnaast heeft de inspecteur een naheffingsaanslag vastgesteld voor het eerste kwartaal 2020. Ten aanzien van het tweede kwartaal 2020 heeft de inspecteur een teruggaafbeschikking gegeven waarin de teruggaaf lager is vastgesteld dan verzocht. Ten aanzien van deze teruggaafbeschikking is belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in 1.1. genoemde naheffingsaanslag en beschikkingen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] . Namens de inspecteur is verschenen [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is een dochteronderneming van [A BV] . [A BV] bezat daarnaast vanaf 28 december 2017 tot en met het tweede kwartaal van 2020 middellijk danwel onmiddellijk 70% of meer van de aandelen in [B BV] .
2.2.
Op 1 juni 2016 is een turnkey-koopovereenkomst tussen belanghebbende en [C BV] (hierna: de investeerder) gesloten, waarin partijen zijn overeengekomen dat belanghebbende een perceel grond zal leveren en daarop een zorgcomplex zal realiseren.
2.3.
Op 27 april 2018 hebben belanghebbende en [de aannemer] (hierna: de aannemer) een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van
het zorgcomplex.
2.4.
Op 17 mei 2018 is tussen belanghebbende en [B BV] een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van het zorgcomplex, waarbij belanghebbende als verhuurder optreedt. In deze huurovereenkomst is onder andere de volgende bepaling opgenomen:
‘14.1 Het is Huurder toegestaan om, geheel voor eigen rekening en risico, de zaken zoals omschreven in BIJLAGE 3 als inbouwpakket (dat nog door Huurder zal worden aangeleverd en welke bijdrage schriftelijk dient te zijn goedgekeurd door Verhuurder) (hierna te noemen ‘Inbouwpakket’) vóór de bouwkundige oplevering van het Gehuurde door de aannemer en-/of derden in het Gehuurde te laten aanbrengen, indien en voor zover de bouwkundige oplevering van het Gehuurde hierdoor niet wordt vertraagd. (…)’
In een door belanghebbende overgelegd overzicht van 11 november 2018 van de stichtingskosten van het zorgcomplex is dit inbouwpakket voor een bedrag van € 270.000 opgenomen, dat bestaat uit een keuken, domotica, vast timmerwerk, data/wifi, verlichting en hulpmiddelen.
2.5.
Belanghebbende heeft ten bate van de ontwikkeling van het zorgcomplex op 6 juni 2018 een perceel grond aangekocht en geleverd gekregen. Op dezelfde dag heeft belanghebbende dat perceel geleverd aan de investeerder.
2.6.
Op 8 december 2019 is een allonge op de huurovereenkomst opgemaakt. De investeerder is op grond van deze allonge in de rechten getreden van belanghebbende en wordt daarmee de nieuwe verhuurder. In de allonge zijn partijen overeengekomen dat € 275.880 aan meerwerk nodig is om het zorgcomplex te kunnen realiseren. De investeerder is bereid dit bedrag voor zijn rekening te nemen, indien de huurprijs daarop aangepast kan worden. Op grond van deze afspraak heeft belanghebbende vijf meerwerkfacturen van de aannemer doorbelast aan de investeerder voor een totaalbedrag van € 276.022. Belanghebbende heeft alle voorbelasting op het meerwerk in aftrek gebracht.
2.7.
Blijkens een proces-verbaal van oplevering is het zorgcomplex op 5 februari 2020 door de aannemer opgeleverd.
2.8.
Een zesde factuur voor meerwerk van de aannemer van 24 april 2020 heeft belanghebbende niet doorbelast aan de investeerder, maar belanghebbende heeft de voorbelasting op deze factuur wel in aftrek gebracht. Daarnaast heeft belanghebbende voorbelasting in aftrek gebracht die ziet op diverse andere kosten die niet behoren tot de aanneemsom of het meerwerk genoemd in 2.6. Hieronder vallen de kosten van de huismeester, advertenties/brochures, schilderwerk, rioolwerkzaamheden, kleine materialen, plantenbakken, keukeninrichting, beveiliging, hulpmiddelen, ICT, alarm, interieur, tuinmeubilair, zorgbenodigdheden vloeren, kroonluchter/lampen, tv’s, aansluiting nutsvoorzieningen, gordijnen, koffieapparaat, sloten, eetkamerstoelen en zonwering. Het hof zal de hiervoor genoemde kosten hierna aanduiden als: de kosten.
2.9.
Belanghebbende heeft op 29 april 2020 in haar aangifte omzetbelasting voor het eerste kwartaal 2020 verzocht om een teruggaaf van belasting van € 13.657.
2.10.
Belanghebbende heeft op 29 juli 2020 in haar aangifte omzetbelasting voor het tweede kwartaal 2020 verzocht om een teruggaaf van belasting van € 21.108.
2.11.
Belanghebbende heeft in augustus 2020 een overzicht met de naam ‘Doorberekening van de investeringen gedaan door [belanghebbende] aan [B BV] ’ aan de inspecteur verstrekt, dat is gedateerd op 17 juli 2020. Het overzicht bevat onder meer de volgende tabel:
Totaal investeringen
€ 187.483,82
Verspreid over 10 jaren, per jaar
€ 18.748,38
Doorberekening per kwartaal, exc. btw
€ 4.687,10
De investeringen zijn volgens dit overzicht gedaan in de periode juli 2019 tot en met juni 2020. Het overzicht vermeldt daarnaast diverse facturen, waaronder facturen met de omschrijving ‘keuken’, ‘interieur’ en ‘tuinmeubels’.
Daarnaast bevatten de gedingstukken een factuur van 30 juni 2020 aan [B BV] , waarbij met de omschrijving ‘Doorberekening investeringskosten intramuraal kwartaal 2 2020’ een vergoeding van € 4.687,10 in rekening wordt gebracht. Over dit bedrag is 21% omzetbelasting berekend.
2.12.
De inspecteur heeft op 6 mei 2021 besloten niet aan het verzoek ten aanzien van het eerste kwartaal 2020 tegemoet te komen, zoals vastgelegd in een beschikking geen teruggaaf. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift tegen deze beschikking ingediend, dat op 19 mei 2021 is ontvangen door de inspecteur. Daarnaast heeft de inspecteur op 27 mei 2021 voor het eerste kwartaal 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting vastgesteld voor een bedrag van
€ 33.808. Belanghebbende heeft op 27 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag.
2.13.
Ten aanzien van het tweede kwartaal 2020 heeft de inspecteur op 7 juni 2021 een teruggaafbeschikking gegeven, waarin een teruggaaf van € 1.522 is verleend en tevens € 14 belastingrente is vergoed (de belastingrentebeschikking). Belanghebbende heeft op 31 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen deze teruggaafbeschikking.
2.14.
Op 26 oktober 2021 heeft de inspecteur een bericht per e-mail aan belanghebbende gestuurd, waarin onder meer de volgende tekst is opgenomen:
‘Ik constateer dat er een voornemen bestond/bestaat(?) die investeringskosten (niet opgenomen in de kostprijs van de levering van het complex) op kwartaalbasis voor een periode van 10 jaar door te factureren aan [B BV] . Ik heb de beschikking over een overzicht ten aanzien van de doorberekening van de investeringen voor een totaalbedrag van 187.483,82 euro, resulterende in een doorbelasting van 4.687,10 euro per kwartaal. Tevens heb ik kennis genomen van een verkoopfactuur aan [B BV] inzake doorberekening investeringskosten betreffende Q2 2020, terwijl deze niet werd opgenomen in de aangifte omzetbelasting van belanghebbende. Er heeft dan kennelijk geen doorbelasting plaatsgehad.’
Belanghebbende heeft op 26 oktober 2021 per e-mail richting haar gemachtigde als volgt gereageerd, waarbij [D] refereert aan de accountant van belanghebbende:
‘[de inspecteur] formuleert “het voornemen”
Weet wat er door [D] is geroepen, maar er bestaat geen voornemen dit te doen, wij willen dit nu in een keer als verlies boeken, wij hebben geïnvesteerd in het gebouw en dus recht op teruggave van BTW.’
Diezelfde dag heeft belanghebbende ook per e-mail naar de inspecteur gereageerd met de tekst:
‘Dit gaat alleen over de investeringen van de meubels , die zijn wel keurig doorbelast.
Voor de rest weet ik van niks over een totaal doorbelasting !’
2.15.
De inspecteur heeft op 20 december 2021 voor zowel het eerste als tweede kwartaal 2020 zijn beslissing op de ingediende bezwaarschriften aan belanghebbende doen toekomen, waarin hij de bezwaren ongegrond verklaart. Deze beslissing wordt voor het eerste kwartaal 2020 bevestigd in een uitspraak op bezwaar van 14 januari 2022 en voor het tweede kwartaal 2020 in een uitspraak op bezwaar van 31 januari 2022.
2.16.
Bij de motivering van het hoger beroep heeft belanghebbende een ongedateerde verklaring van de investeerder gevoegd, waarin de volgende tekst is opgenomen:
‘We hebben in onze schriftelijke overeenkomsten wellicht niet met zoveel woorden opgenomen dat de keukeninrichting en domotica onderdeel vormden van onze afspraken, maar ik kan met de hand op mijn hart verklaren dat deze afspraken wel degelijk zijn gemaakt. We hebben heel wat mondelinge besprekingen gevoerd gaandeweg het traject en onze afspraken telkens bijgesteld en verfijnd.
Wellicht hadden we onze schriftelijke overeenkomsten moeten aanpassen, maar er was – en is –over en weer zoveel vertrouwen dat we er niet bij stil hebben gestaan om een en ander aan te passen.
Het was inderdaad ons eerste gezamenlijke project. Op jouw advies hebben we voor de op dit project volgende projecten genoemde afspraken wel op papier gezet.’
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende alsnog recht heeft op de volledige aftrek van voorbelasting over het eerste en tweede kwartaal 2020.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot teruggaaf van omzetbelasting conform de door haar ingediende aangiften. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt dat de kosten waarop de aftrek van voorbelasting ziet toe te rekenen zijn aan de levering van het zorgcomplex aan de investeerder, omdat een dergelijk complex niet kan functioneren zonder de voorzieningen waarvoor deze kosten zijn gemaakt. Dat de kosten niet individueel aanwijsbaar zijn in de facturen van belanghebbende doet daar niet aan af. Belanghebbende stelt verder dat met de investeerder wel degelijk afspraken zijn gemaakt ten aanzien van deze kosten en verwijst daarbij naar de verklaring genoemd in 2.16. Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van voorbelasting op algemene kosten, waardoor eveneens recht op aftrek van voorbelasting zou bestaan, aangezien belanghebbende alleen belaste prestaties heeft verricht. Daarbij stelt belanghebbende dat zij de kosten voor haar rekening heeft genomen met het oog op aanvullende opdrachten van de investeerder en dat inmiddels drie nieuwe projecten zijn gevolgd.
4.2.
Daarnaast heeft [persoon 1] namens belanghebbende ter zitting een toelichting gegeven op de aanleiding en de uitvoering van de ontwikkeling van het zorgcomplex, zoals hierna in 4.2.1 tot en met 4.2.5 zakelijk is weergegeven.
4.2.1.
Belanghebbende en [B BV] zijn opgericht om dementiepatiënten een goede woonsituatie te bieden. De taakverdeling tussen deze vennootschappen is dat belanghebbende verantwoordelijkheid draagt voor de realisatie van het zorgcomplex met bijbehorende inrichting (inclusief meubels, stoffering en tuininrichting), zodat het direct gereed is voor de exploitatie. [B BV] is vervolgens verantwoordelijk voor die exploitatie. De exploitatie houdt in dat [B BV] de in het zorgcomplex gerealiseerde appartementen verhuurt aan de bewoners en zorg draagt voor de gezamenlijke ruimtes van het pand en de bijbehorende inrichting. Dit brengt met zich mee dat [B BV] vanaf de start van de exploitatie van het zorgcomplex verantwoordelijk is voor onderhoud en vervanging van de door belanghebbende opgeleverde inrichting. Ter dekking van de daaruit voortvloeiende kosten berekent zij servicekosten aan de bewoners.
4.2.2.
De investeerder is in dit kader de partij die de financiering verstrekt om de realisatie van het zorgcomplex mogelijk te maken. Daarnaast is de investeerder als eigenaar van het pand verantwoordelijk voor de instandhouding daarvan.
4.2.3.
De zorg aan de bewoners wordt verstrekt door een derde, [E BV] .
4.2.4.
De oprichters van belanghebbende hebben na realisatie van het zorgcomplex in [plaats] meerdere projecten gerealiseerd met bovengenoemde partijen, waarbij de oprichters voor ieder project nieuwe BV’s hebben opgericht. Aangezien het project in [plaats] het eerste project was, zijn de afspraken tussen de betrokken partijen volgens belanghebbende voor dat project nog amateuristisch vastgelegd. Bij de latere projecten zijn de afspraken wel goed vastgelegd en staat de aftrek van voorbelasting niet ter discussie.
4.2.5.
Belanghebbende heeft verder toegelicht dat de vergoeding voor het turn-key opleveren van het zorgcomplex bestaat uit de stichtingskosten (inclusief het inbouwpakket genoemd in 2.4) vermeerderd met een winstmarge en dat de opzet zoals omschreven in 4.2.1 tot en met 4.2.3. daarop aansluit.
4.3.
De inspecteur stelt dat de aftrek van voorbelasting terecht geweigerd is. De inspecteur stelt dat de kosten niet samenhangen met belaste prestaties, maar zien op de vrijgestelde prestaties van een gelieerde maatschappij: [B BV] . Daarmee bestaat geen rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de aangeschafte goederen en diensten waar de voorbelasting op drukt en belaste handelingen (directe toerekening) of de gehele belaste economische activiteit van de ondernemer (algemene kosten). Subsidiair stelt de inspecteur dat sprake is van misbruik van recht.
4.4.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat belanghebbende aannemelijk maakt dat de voorbelasting voor aftrek in aanmerking komt. Dat is het geval als sprake is van voorbelasting die direct is toe te rekenen aan belaste prestaties, of van voorbelasting die voor aftrek in aanmerking komt als onderdeel van de algemene kosten van de onderneming van belanghebbende. Van algemene kosten is sprake als die zijn opgenomen in de prijs van door belanghebbende geleverde goederen of verrichte diensten.1 Wil van dergelijke kosten sprake zijn dan dient een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan met de gehele economische activiteit van de belastingplichtige. Daaronder vallen ook kosten die noodzakelijk zijn geweest om een belaste prestatie te voltooien.2 De aftrek kan echter alsnog worden beperkt als een specifieke wettelijke bepaling zich tegen de aftrek verzet, als sprake is van fraude3 of als sprake is van misbruik van recht4.
4.5.
Met dit rechtskader ziet het hof zich eerst voor de vraag gesteld of de voorbelasting op de kosten is toe te rekenen aan de belaste levering van het zorgcomplex aan de investeerder.
4.6.
Belanghebbende wijst op diverse contractuele afspraken en verklaringen ter onderbouwing van haar standpunt dat de voorbelasting is toe te rekenen aan de belaste levering van het zorgcomplex aan de investeerder. Volgens belanghebbende is dit bevestigd in de verklaring van de investeerder genoemd in 2.16. Deze verklaring laat echter strikt genomen alleen zien dat er afspraken zijn gemaakt over de kosten van domotica en de keukeninrichting, maar niet dat die kosten voor rekening van de investeerder zouden komen. Het huurcontract – dat als gevolg van de allonge is overgegaan op de investeerder – bepaalt verder dat alle kosten van het zogeheten inbouwpakket voor rekening van de huurder komen, waarbij het overzicht van de stichtingskosten van 11 november 2018 laat zien dat de keuken en domotica daartoe behoren. Het huurcontract laat tevens zien dat het de huurder is toegestaan om de zaken van het inbouwpakket aan te brengen en dus niet noodzakelijk wordt geacht voor de oplevering van het zorgcomplex. Daarnaast heeft de oplevering plaatsgevonden op 5 februari 2020, toen nog niet alle kosten waren gemaakt. De diverse schriftelijke contractuele afspraken en verklaringen maken de stelling van belanghebbende dus nog niet aannemelijk.
4.7.
Het hof is echter van oordeel dat de toelichting van belanghebbende ter zitting de met de investeerder en [B BV] gemaakte afspraken in een zodanig ander licht plaatsen, dat geconcludeerd moet worden dat de kosten inderdaad zijn gemaakt ten behoeve van de realisatie van het zorgcomplex. De afspraken zoals weergegeven in de feiten geven een onvolledig beeld van het bedrijfsmodel van belanghebbende en zijn daardoor niet goed te begrijpen zonder de nadere toelichting. De in dit kader door belanghebbende toegelichte combinatie van de financiering door de investeerder, de realisatie door belanghebbende en de exploitatie door [B BV] beschrijft naar het oordeel van het hof alsnog een geloofwaardig en begrijpelijk bedrijfsmodel. Dat belanghebbende het complex realiseert inclusief inrichting, dat de kosten van die inrichting tot de stichtingskosten behoren en dat [B BV] op die basis de exploitatie kan aanvatten, komt het hof daarbij niet als ongebruikelijk voor, gelet op het niveau van zorg dat belanghebbende voor ogen heeft. Belanghebbende heeft toegelicht dat het bedrijfsmodel is ontstaan uit persoonlijke ervaringen in de familiesfeer, met het doel om een prettige woonomgeving te creëren voor de doelgroep (demente ouderen). Het onderhavige project is het eerste in een reeks en de schriftelijke vastlegging liet te wensen over, zo heeft belanghebbende erkend. Op dat vlak zijn verbeteringen doorgevoerd. Zo is beter vastgelegd dat de oorspronkelijke inrichting van de gemeenschappelijke ruimten voor rekening van de investeerder komt en is begrepen in de vergoeding die belanghebbende rekent voor de oplevering aan de investeerder. Deze inrichting is immers nodig om als woonomgeving voor de doelgroep in gebruik te kunnen worden genomen. Alhoewel de verklaring van de investeerder genoemd in 2.16 dit bedrijfsmodel onvolledig bevestigt, geeft deze wel steun aan de stellingen van belanghebbende. Er staat duidelijk in dat partijen meer gezamenlijke projecten hebben ondernomen, zoals belanghebbende heeft verklaard, en dat de afspraken bij deze latere projecten wel op papier zijn gezet. Verder acht het hof van belang dat belanghebbende onbetwist heeft gesteld dat in latere projecten van gelijke opzet door betere contractuele vastlegging van de afspraken de aftrek van voorbelasting niet ter discussie staat, al zijn die projecten niet door belanghebbende zelf gerealiseerd, maar door gelieerde vennootschappen.
4.8.
Het hof is daarnaast van oordeel dat geen sprake is van misbruik van recht. Dan zou sprake moeten zijn van transacties die ertoe leiden dat in strijd met het door de belastingwet beoogde doel een belastingvoordeel wordt toegekend.5 In deze zaak is slechts één transactie aan de orde, zijnde de levering van het zorgcomplex aan de investeerder. Aangezien deze levering belast is met omzetbelasting, komt de daaraan toerekenbare voorbelasting op grond van de wet voor aftrek in aanmerking. Nu het hof in 4.7. heeft geconcludeerd dat de voorbelasting aan deze transactie kan worden toegerekend, is het toekennen van de aftrek van voorbelasting in overeenstemming met doel en strekking van de wet. De inspecteur heeft bovendien niet duidelijk gemaakt met welke kunstmatige transacties of handelingen belanghebbende zou hebben getracht misbruik van de wet te maken.
4.9.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de voorbelasting op de kosten voor aftrek in aanmerking komt.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 360 respectievelijk € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep en het beroep bij de rechtbank gegrond zijn.
4.13.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor zowel de behandeling van het beroep bij de rechtbank als het hoger beroep bij het hof op 2 (punten)6 x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.814, in totaal € 3.628.
4.14.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
–
verklaart het hoger beroep gegrond;
–
vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
–
verklaart de tegen de uitspraken op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;
–
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
–
verklaart de bezwaren van belanghebbende alsnog gegrond;
–
vernietigt de naheffingsaanslag voor het eerste kwartaal 2020;
–
vermeerdert de teruggaafbeschikking voor het eerste kwartaal 2020 tot een bedrag aan teruggaaf van € 13.657;
–
vermeerdert de teruggaafbeschikking voor het tweede kwartaal 2020 tot een bedrag aan teruggaaf van € 21.108;
–
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 908 vergoedt;
–
veroordeelt de inspecteur/de minister in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.628.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, A. van Dongen en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van Y. Postema – van der Koogh, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
Y. Postema – van der Koogh E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
1 Vgl. HvJ EU 14 september 2017, C-132/16, Iberdrola, punt 28 en 29
2 Vgl. HvJ EU 14 september 2017, C-132/16, Iberdrola, punt 33
3 Vgl. HvJ EU, 24 november 2022, C-596/21, A tegen Finanzamt M
4 Vgl. HvJ EU, 21 februari 2006, C-255/02, Halifax
5 HvJ EU 21 februari 2006, C-255/02, Halifax, punt 74
6 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.