Verhuur werkkamer door stille maatschap: wel ondernemerschap, maar btw-aftrek strandt op privégebruik

Een samenwerkingsverband (stille maatschap) wordt gevormd door twee echtelieden (man en vrouw) die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en gezamenlijk eigenaar zijn van hun woning. De echtelieden, die beiden afzonderlijk loon genieten uit de BV waarvan de man DGA is, lieten in 2018 en 2019 een werkkamer van 15 m² bouwen boven de aangebouwde garage van de woning. Dit samenwerkingsverband verhuurde de werkkamer vanaf 1 januari 2020 aan de BV en heeft geopteerd voor belaste verhuur ex artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, Wet OB. Op basis van de aangifte omzetbelasting over eerdere tijdvakken (waarin investeringen in de werkkamer plaatsvonden) werd voorbelasting in aftrek gebracht, leidend tot een naheffingsaanslag en een beschikking geen teruggaaf door de Belastingdienst.

Er speelden vier vragen:

  1. Kwalificeert het samenwerkingsverband ten aanzien van de verhuur als btw-ondernemer en is sprake van een economische activiteit?
  2. Zo ja, kan belanghebbende opteren voor belaste verhuur van de werkkamer?
  3. Is sprake van strijd met de Btw-richtlijn?
  4. Is sprake van een andere belaste prestatie?

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde dat het samenwerkingsverband een voor btw-doeleinden zelfstandige entiteit is en dat de verhuur als de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, kwalificeert als ondernemerschap (artikel 7 Wet OB). Ook is sprake van een economische activiteit in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn. Het hof zag in HvJ Gemeente Borsele (ECLI:EU:C:2016:334), dat door de Belastingdienst werd aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen, nu dit arrest betrekking heeft op publiekrechtelijke lichamen. Het hof oordeelde dat de belanghebbende niet aan de de bewijslast had voldaan om te opteren voor belaste verhuur. De verhuur van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld, maar kan belast worden indien aan voorwaarden wordt voldaan, waaronder de cruciale eis dat het verhuurde niet als woning wordt gebruikt. Elke mate van gebruik als woning staat de belaste verhuur en daarmee de aftrek van voorbelasting in de weg. Gezien de feiten (onder meer de inrichting, de aangifte van beperkt privégebruik en het ontbreken van een werkruimte elders in de woning), achtte het hof niet aannemelijk dat de werkkamer uitsluitend zakelijk werd gebruikt. Ten slotte verwierp het hof het argument van belanghebbende dat het uitsluiten van de optie tot belaste verhuur bij gedeelten die als woning worden gebruikt, strijdig zou zijn met de Btw-richtlijn. Het hof bevestigde dat lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben bij het keuzerecht, waarbij zij ook bepaalde handelingen (zoals de verhuur van woonruimte) van dit recht mogen uitsluiten, conform HvJ ARVI (ECLI:EU:C:2022:509).

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-06-2025
Datum publicatie
24-09-2025
Zaaknummer
23/4 en 23/5
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2022:7139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslag omzetbelasting. Verhuur werkkamer. Er is sprake van ondernemerschap en van een economische activiteit. Belanghebbende heeft niet aan de bewijslast voldaan dat is voldaan aan de voorwaarden om te kunnen opteren voor belaste verhuur. De voorbelasting kan niet in aftrek worden gebracht. Er is geen sprake van strijdigheid met de Btw-richtlijn. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2025092402
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 23/4 en 23/5

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 november 2022, nummers BRE 21/2953 en 21/2954, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 22 september 2018 tot en met 31 december 2018 opgelegd (de naheffingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.
De inspecteur heeft over de periode 1 januari 2019 tot en met 30 september 2019 geen teruggaaf van omzetbelasting verleend (de beschikking geen teruggaaf).

1.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [de man] en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2Feiten
2.1.
Belanghebbende is geen maatschap in civielrechtelijke zin en is als zodanig niet ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Het samenwerkingsverband wordt gevormd door [de man] (de man) en zijn echtgenote [de vrouw] (de vrouw) (samen: de echtelieden).

2.2.
De man en de vrouw zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Samen zijn zij eigenaar van de woning aan de [adres] in [vestigingsplaats] (de woning) en zij zijn ouders van vier minderjarige kinderen. De woning beschikt over een aangebouwde garage. De garage is, via een tussendeur die op slot kan, ook vanuit de woning bereikbaar.

2.3.
De man is directeur-grootaandeelhouder van [de vennootschap] (de vennootschap). De man en de vrouw genieten ieder en afzonderlijk loon uit de vennootschap.

2.4.
In 2018 en 2019 is op de garage een werkkamer gebouwd (de werkkamer). De werkkamer heeft een grootte van 15 m2, beschikt niet over een eigen sanitaire voorziening en is afsluitbaar. De trap die toegang biedt tot de werkkamer komt uit in de garage. De garage wordt gebruikt voor de stalling van fietsen van de gezinsleden.

2.5.
Belanghebbende verhuurt met ingang van 1 januari 2020 de werkkamer aan de vennootschap. Belanghebbende en de vennootschap hebben geopteerd voor belaste verhuur als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB). Volgens de huurovereenkomst dient de vennootschap per kwartaal € 363, inclusief omzetbelasting, te voldoen.

2.6.
Belanghebbende heeft de aangifte omzetbelasting (OB) over het tijdvak 22 september 2018 tot en met 31 december 2018 ingediend. Die aangifte heeft tot een teruggaaf geleid van € 533.

2.7.
Belanghebbende heeft de aangifte OB over het tijdvak 1 september 2019 tot en met 30 september 2019 ingediend waarin € 12.313 aan OB wordt teruggevraagd. De inspecteur heeft daarover vragen gesteld.

2.8.
Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 een te betalen bedrag aan OB aangegeven van € 1.830. De verschuldigde OB is tijdig betaald. In deze OB-aangifte is het privégebruik van de werkkamer aangegeven en aftrek van voorbelasting.

2.9.
De inspecteur heeft inzake de teruggaaf van OB van € 533 met dagtekening 25 juli 2020 de naheffingsaanslag opgelegd. Met dagtekening 1 augustus 2020 heeft de inspecteur de beschikking geen teruggaaf vastgesteld.

2.10.
De inspecteur heeft met dagtekening 1 augustus 2020 de verschuldigde OB over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 op nihil vastgesteld en heeft het op aangifte betaalde bedrag van € 1.830 teruggeven/verrekend (de nihilbeschikking).

2.11.
De rechtbank heeft met toepassing van prorogatie tevens het bezwaar van belanghebbende tegen de nihilbeschikking beoordeeld en ongegrond verklaard.

3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende ten aanzien van de activiteiten inzake de verhuur van de werkkamer ondernemer in de zin van artikel 7 Wet OB en is sprake van een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, Btw-richtlijn1?

2. Zo ja, kan belanghebbende opteren voor belaste verhuur van de werkkamer?

3. Is sprake van strijd met de Btw-richtlijn?

4. Is sprake van een andere belaste prestatie?

3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag OB, vernietiging van de beschikking geen teruggaaf, teruggaaf van € 12.313 aan OB en vernietiging van de nihilbeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden
Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Ondernemerschap en economische activiteit

4.1.
Op grond van artikel 7, lid 1, Wet OB is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. In lid 2 en letter b is bepaald dat onder een bedrijf mede wordt verstaan: exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

4.2.
De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“Niet in geschil is dat tussen de echtelieden sprake is van een stille maatschap. Beoordeeld moet worden of de stille maatschap ondernemer is in de zin van de relevante bepalingen in het kader van de omzetbelasting. De activiteit van belanghebbende bestaat uit de verhuur van de werkkamer. De rechtbank acht aannemelijk dat ten aanzien van deze activiteit sprake is van zelfstandigheid aángezien belanghebbende een samenwerkingsverband is en daarmee een voor btw-doeleinden zelfstandige entiteit is. De stelling van de inspecteur dat de verhuur wordt beheerst door de dienstbetrekkingen van de man en de vrouw met de vennootschap, wordt door de rechtbank verworpen. Niet duidelijk is hoe die dienstbetrekkingen de zelfstandigheid van belanghebbende voor de omzetbelasting in de weg staan.”

4.3.
Het hof acht deze overweging juist en op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het hof merkt hierbij op dat, anders dan in de door de inspecteur genoemde jurisprudentie2, belanghebbende niet in dienstbetrekking staat tot de vennootschap. Het feit dat de maten die belanghebbende vormen (de echtelieden) ieder en afzonderlijk wel in dienstbetrekking staan tot de vennootschap, maakt dit niet anders.

4.4.
Het hof is verder van oordeel dat de rechtbank ook terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat sprake is van een economische activiteit in de zin van artikel 9 Btw-richtlijn. Evenals de rechtbank ziet het hof in het arrest van het Hof van Justitie (het HvJ) inzake de gemeente Borsele3 geen aanleiding om te oordelen dat verhuur van de werkkamer geen economische activiteit is, omdat niet wordt deelgenomen aan een markt voor de verhuur van bedrijfsruimte. Uit dit arrest volgt dat bij door publiekrechtelijke lichamen verrichtte prestaties in het bijzonder moet worden beoordeeld of de vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoedt en de hoogte ervan niet is bepaald op basis van andere factoren die in voorkomend geval kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de diensten en de tegenprestatie ervan.4 In dit geval is geen sprake van een overheidsactiviteit, zodat dit arrest geen aanleiding vormt om ten aanzien van de verhuur van een werkkamer anders te oordelen dan de Hoge Raad in zijn arrest van 4 oktober 2013.5

Vraag 2 Belaste verhuur

4.5.
De verhuur van onroerende zaken is in beginsel van OB vrijgesteld.6 Onder voorwaarden kan worden geopteerd voor belaste verhuur.7 Een van die voorwaarden is dat hetgeen verhuurd wordt niet als woning wordt gebruikt.8 Daarbij staat elke mate van gebruik als woning aan belaste verhuur in de weg. Van doorslaggevend belang is dus of de werkkamer uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Alleen in dat geval is belaste verhuur en aftrek van voorbelasting mogelijk. Belanghebbende dient het benodigde bewijs te leveren.

4.6.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende niet aan haar bewijslast voldaan. Het hof acht, gelet op de inrichting van de werkkamer zoals blijkt uit de foto’s, de verklaringen van belanghebbende over het privégebruik, de aangifte waarin (beperkt) privégebruik is opgenomen en het ontbreken van een werkruimte elders in de woning, niet aannemelijk dat de werkkamer uitsluitend voor zakelijke werkzaamheden wordt gebruikt. De verklaringen van klanten die belanghebbende in hoger beroep heeft overgelegd doen daaraan niet af. Daarin wordt slechts gesteld dat zakelijke besprekingen hebben plaatsgevonden in de werkkamer, en deze verklaringen zien niet op het gebruik voor privé(woon) doeleinden.

4.7.
Uit het vorenstaande volgt dat belaste verhuur van de werkkamer niet mogelijk is en de voorbelasting niet in aftrek kan worden gebracht.

Vraag 3 Strijd met de Btw-richtlijn

4.8.
Belanghebbende betoogt dat sprake is van strijd met de Btw-richtlijn omdat in geval van verhuur van een gedeelte van een woning niet kan worden geopteerd voor belaste verhuur en dit, gelet op de Btw-richtlijn, niet als zelfstandige voorwaarde kan worden gesteld. Volgens belanghebbende kan uitsluitend een kwantitatieve beperking worden gesteld.

4.9.
Uit artikel 137, lid 2, Btw-richtlijn en de jurisprudentie van het HvJ9 volgt dat de lidstaten een ruime beoordelingsmarge hebben bij het invoeren van het keuzerecht en dat de lidstaten bij de uitoefening van hun beoordelingsvrijheid ook bepaalde handelingen of bepaalde groepen van belastingplichtigen van dit recht kunnen uitsluiten. Een beperking tot uitsluitend kwantitatieve aspecten blijkt daaruit niet en van de keuze om verhuur van woonruimte uit te sluiten van het keuzerecht kan niet worden gezegd dat die buiten de beoordelingsvrijheid valt.

Vraag 4 Andere van rechtswege aan OB onderworpen prestatie?

4.10.
Belanghebbende heeft gesteld dat, als er geen sprake is van verhuur aan de vennootschap, dan sprake is van een andere prestatie die van rechtswege is belast met OB. Het hof kan belanghebbende hierin niet volgen. Anders dan belanghebbende meent heeft de rechtbank niet geoordeeld dat geen sprake is van verhuur. Dat de wet niet de mogelijkheid biedt te opteren voor belaste verhuur in een geval als dit betekent dan ook niet dat het een andere (belaste) prestatie is.

Tussenconclusie

4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding

4.12.
Belanghebbende heeft een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan omdat niet binnen een redelijke termijn uitspraak is gedaan.

4.13.
De termijn begint in de regel te lopen op het moment waarop de inspecteur het eerste bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de hoofdzaak. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien het hof niet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld uitspraak doet.

4.14.
Aangezien belanghebbende het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Voor de vergoeding van immateriële schade wordt als uitgangspunt een bedrag gehanteerd van € 500 per half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.

4.15.
Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en de teruggaafbeschikking is ontvangen op 1 september 2020. Het hof doet uitspraak op 25 juni 2025. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd moet worden. Dat betekent dat de redelijke termijn van vier jaar die geldt voor de behandeling van bezwaar, beroep en hoger beroep op de datum dat het hof uitspraak doet met (naar boven afgerond) tien maanden is overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1000.

4.16.
De vergoeding van de schade wordt naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de inspecteur en de minister. Wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase van (afgerond) vier maanden, zal het hof de inspecteur veroordelen tot het betalen van een vergoeding van € 400 (4/10e deel). De minister zal worden veroordeeld voor het overige, te weten € 600. Het hof merkt de minister in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.
Het hof ziet, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 31 mei 202410, geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.
In de omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend, vindt het hof aanleiding om een vergoeding van proceskosten toe te kennen.

4.19.
Het hof stelt deze vergoeding op 1 (punt) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) is € 226,75. Deze vergoeding dient bij helft te worden vergoed door de inspecteur en de minister.

5Beslissing
Het hof:


verklaart het hoger beroep ongegrond;


bevestigt de uitspraak van de rechtbank;


veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 400;


veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 600;


veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 113,38;


veroordeelt de minister in de kosten van het geding bij het hof van € 113,38.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en

B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

N.A. de Grave L.B.M. Klein Tank

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2008.

2 O.a. Hoge Raad van 23 december 2016. ECLI:NL:HR:2016:2898.

3 HvJ EU 12 mei 2016, Gemeente Borsele, ECLI:EU:C:2016:334.

4 Hoge Raad 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1776.

5 Hoge Raad 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:783.

6 Artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, Wet OB.

7 Artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, Wet OB.

8 Artikel 11, lid 1, letter b, onder 5°, Wet OB, waarin de verhuur van “gebouwen en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt” zijn uitgezonderd van de mogelijkheid tot belaste verhuur.

9 HvJ, 30-06-2022, UAB „ARVI” ir ko, ECLI:EU:C:2022:509, r.o. 18,19 en 20.

10 Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1.

ECLI:NL:GHSHE:2025:1768

Scroll naar boven