Daling WOZ- en bpm-zaken maskeert aanhoudende knelpunten in de belastingrechtspraak
Forse daling instroom door wetswijziging
Binnen de belastingrechtspraak is in 2025 een aanzienlijke daling van de instroom gerealiseerd bij de rechtbanken. Het totaal aantal nieuwe belastingzaken nam daar af met 32% (van 45.950 naar 31.090 zaken). Deze krimp is vrijwel volledig te danken aan de invoering van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen voor WOZ en bpm op 1 januari 2024, die bedoeld was om het verdienmodel van ‘no cure, no pay’-gemachtigden te ontmoedigen. Dit resulteerde in een daling van 39% bij WOZ-zaken en maar liefst 67% bij bpm-zaken. Bij de gerechtshoven daalde de instroom van belastingzaken veel minder hard, met slechts 6%. De Rechtspraak signaleert bovendien een waterbedeffect waarbij gemachtigden hun werkterrein nu verleggen naar andere lokale heffingen, waarop de nieuwe wetgeving niet van toepassing is.
Zorgen over doorlooptijden blijven aanhouden
Hoewel de instroom is afgenomen, blijft tijdige rechtspraak in belastingzaken een hardnekkig probleem. Van alle rechtsgebieden presteert de belastingrechtspraak procentueel het zwakst als het gaat om het halen van de doorlooptijdnormen. In 2025 werd slechts 19% van de belastingzaken bij de rechtbanken binnen de norm afgehandeld, een lichte stijging ten opzichte van de 15% in het jaar daarvoor. Bij de gerechtshoven daalde dit percentage zelfs scherp van 41% in 2024 naar 18% in 2025, wat deels te wijten is aan de afronding van een specifiek oud cluster zaken.
Verder valt op dat het aandeel belastingzaken dat meervoudig wordt afgedaan aan het dalen is. Bij de rechtbanken ging dit van 50% in 2022 naar 13% in 2025, deels door de afhandeling van eerdere grote clusters bpm- en dividendzaken. Ook bij de hoven nam dit licht af naar 75%.