Gerecht 04-11-2026 Mercedes Benz T-680/25

Gerecht Mercedes Benz arrest

Mercedes-Benz AG, gevestigd in Duitsland en geregistreerd voor btw-doeleinden in Roemenië, schaft in 2020 apparatuur en matrijzen aan voor de productie van auto-onderdelen op Roemeens grondgebied. Mercedes stelt deze apparatuur om niet ter beschikking aan Roemeense onderdelenfabrikanten om financiële risico’s te beperken en de controle over het productieproces volgens haar precieze specificaties te behouden. Na een belastingcontrole legt de Roemeense belastingdienst een naheffingsaanslag op, omdat de kosteloze terbeschikkingstelling volgens de Roemeense belastingdienst moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel. De Roemeense belastingdienst stelt daartoe dat niet is bewezen dat de apparatuur uitsluitend voor de eigen activiteit van Mercedes is gebruikt, mede omdat met de apparatuur geproduceerde goederen via een tussenpersoon werden gefactureerd in plaats van rechtstreeks aan Mercedes.

De vraag is of het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een voertuigfabrikant aan een onderdelenfabrikant op grond van artikel 26, lid 1, btw-richtlijn moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel (dienst verricht voor ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’) wanneer de gefabriceerde onderdelen niet rechtstreeks aan de eigenaar van de apparatuur worden gefactureerd, maar de verkopen via een tussenpersoon verlopen waardoor een rechtstreekse factureringsrelatie ontbreekt.

Het Gerecht oordeelt dat het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een voertuigfabrikant aan een onderdelenfabrikant niet wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel in de zin van artikel 26, lid 1, btw-richtlijn, mits de vervaardigde onderdelen uitsluitend door de voertuigfabrikant worden gebruikt. Het Gerecht overweegt dat een handeling niet voor ‘andere dan bedrijfsdoeleinden’ wordt verricht wanneer deze ertoe strekt de goede werking en rentabiliteit van de onderneming te waarborgen (zie HvJ 17 november 2022, GE Aircraft Engine Services, C-607/20, ECLI:EU:C:2022:884) of plaatsvindt in het belang van de onderneming (zie HvJ 2 oktober 2025, Svilosa, C-535/24, ECLI:EU:C:2025:744). Het ontbreken van een rechtstreekse factureringsrelatie tussen de voertuigfabrikant en de onderdelenfabrikant is bij deze beoordeling niet doorslaggevend. Voorts moeten Unierechtelijke begrippen uniform worden toegepast ongeacht afwijkende nationale uitleg (zie HvJ 20 juni 2013, Newey, C-653/11, ECLI:EU:C:2013:409). Tevens verklaart het Gerecht het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk onder verwijzing naar o.a. HvJ 16 oktober 1997, Fillibeck, C-258/95, ECLI:EU:C:1997:491.

Afbeelding en samenvatting door de redactie m.b.v. Gemini

DictumArrestVerzoek

Artikel 26, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een fabrikant van wegvoertuigen aan een fabrikant van auto-onderdelen niet moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel in een situatie waarin laatstgenoemde, met behulp van die apparatuur, onderdelen vervaardigt voor de voertuigfabrikant maar deze niet rechtstreeks aan hem verkoopt, aangezien de verkopen via een tussenpersoon worden verricht, zodat er geen rechtstreekse factureringsrelatie bestaat tussen de onderdelenfabrikant en de voertuigfabrikant, mits deze onderdelen uitsluitend door die voertuigfabrikant worden gebruikt.

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

4 november 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Handelingen die met diensten onder bezwarende titel worden gelijkgesteld – Artikel 26, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG – Begrip ‚andere dan bedrijfsdoeleinden’ – Kosteloos ter beschikking stellen van apparatuur en matrijzen door een fabrikant van wegvoertuigen aan fabrikanten van onderdelen – Geen rechtstreekse factureringsrelatie ”

In zaak T‑680/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (belastingrechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 12 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 15 september 2025, in de procedure

Mercedes-Benz AG

tegen

Ministerul Finanțelor – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor,

Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Nerezidenți,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse (rapporteur), G. Steinfatt, D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: T. Henze, waarnemend griffier,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 3 oktober 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Mercedes-Benz AG, vertegenwoordigd door M. Bosa en R. Andrei, avocați,

– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door B.‑I. Ciulacu, E. Gane en L. Popescu als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en E. Stamate als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 26, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Mercedes-Benz AG (hierna: „MB”) en de Direcție Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Nerezidenți (regionale directie overheidsfinanciën Boekarest – belastingdienst voor niet-ingezeten belastingplichtigen, Roemenië) en de Ministeru Finanțelor – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor (ministerie van Financiën – directoraat-generaal voor de behandeling van klachten, Roemenië) betreffende een belastingaanslag op grond waarvan MB belasting over de toegevoegde waarde (btw) moet betalen over de levering door dit bedrijf van apparatuur en matrijzen (hierna: „betrokken apparatuur”) aan zijn leveranciers en onderaannemers.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 2 van de btw-richtlijn bepaalt:

„1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

a) de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]

c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4 Artikel 24, lid 1, van de btw-richtlijn luidt:

„Als ‚dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”

5 Artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:

„Met diensten verricht onder bezwarende titel worden de volgende handelingen gelijkgesteld:

a) het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan;

b) het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden.”

Roemeens recht

Belastingwetboek

6 Artikel 271, lid 1 en lid 4, onder a), van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal (wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek) van 8 september 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 688 van 10 september 2015; hierna: „belastingwetboek”), waarbij artikel 24, lid 1, en artikel 26, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn in Roemeens recht zijn omgezet, bepaalt:

„(1) Als dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is in de zin van artikel 270.

[…]

(4) Met diensten onder bezwarende titel worden gelijkgesteld:

a) het gebruik van andere tot het bedrijf behorende goederen dan investeringsgoederen, voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of die om niet ter beschikking van anderen worden gesteld voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor die goederen recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van goederen waarvan de verwerving krachtens artikel 298 is onderworpen aan de beperking van het recht op aftrek tot 50 %.”

Uitvoeringsbepalingen van het belastingwetboek

7 Punt 8, lid 7, van afdeling 2, met als opschrift „Diensten”, van hoofdstuk IV, van titel VII van de Norme metodologice de aplicare a Legii nr. 227/2015 privind Codul fiscal, aprobate prin Hotărârea Guvernului nr. 1/2016 (uitvoeringsbepalingen van wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek, goedgekeurd bij regeringsbesluit nr. 1/2016) van 6 januari 2016 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 22 van 13 januari 2016) bepaalt:

„Voor de toepassing van artikel 271, lid 4, van het belastingwetboek worden niet met diensten onder bezwarende titel gelijkgesteld: het gebruik van andere tot het bedrijf behorende goederen dan investeringsgoederen die om niet ter beschikking van anderen worden gesteld, alsmede het om niet verrichten van diensten voor bedrijfsdoeleinden. Met diensten onder bezwarende titel worden gelijkgesteld: het gebruik van tot het bedrijf behorende goederen voor privédoeleinden van de belastingplichtige, of het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor privédoeleinden, wanneer voor die goederen recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, met uitzondering van goederen waarvan de verwerving krachtens artikel 298 van het belastingwetboek is onderworpen aan de beperking van het recht op aftrek tot 50 %.

[…]

Voorbeeld nr. 4: In het geval van overeenkomsten waarbij een belastingplichtige die als leverancier van goederen/diensten optreedt, voor de vervaardiging van goederen ten behoeve van een andere persoon een matrijs of andere apparatuur gebruikt om de bestellingen van zijn klant uit te voeren, kunnen afhankelijk van de aard van de overeenkomst de volgende situaties worden onderscheiden:

a) indien de leverancier de eigendom van de matrijs of de apparatuur overdraagt aan de persoon aan wie hij de vervaardiging van goederen heeft uitbesteed, vindt er een levering plaats in de zin van artikel 270 van het belastingwetboek. De aankoop van deze matrijzen/apparatuur wordt geacht te zijn gedaan voor de bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige aan wie de leverancier de vervaardiging van goederen heeft uitbesteed, zelfs indien deze goederen worden gebruikt door de leverancier van goederen/diensten. De terbeschikkingstelling aan de leverancier is een dienst voor bedrijfsdoeleinden van de persoon die het goed om niet ter beschikking heeft gesteld van een andere persoon, die niet wordt gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel, voor zover de leverancier het goed gebruikt voor de levering van goederen/diensten ten behoeve van uitsluitend de eigenaar van het goed;

b) indien de leverancier de eigendom van de matrijs of de apparatuur niet overdraagt, maar de tegenwaarde ervan verhaalt op de persoon aan wie hij de vervaardiging van goederen heeft uitbesteed, wordt het verhaal van de tegenwaarde van de matrijs of de apparatuur beschouwd als bijkomstig bij de hoofdtransactie, namelijk de levering van goederen of diensten, waarvoor dezelfde belastingregeling geldt als voor de hoofdtransactie.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8 MB, die is gevestigd in Duitsland, is in Roemenië geregistreerd voor btw-doeleinden. Zij vervaardigt op Roemeens grondgebied voertuigen voor wegvervoer.

9 MB heeft in 2020 de betrokken apparatuur aangeschaft, die zij stelt kosteloos ter beschikking te hebben gesteld van Roemeense fabrikanten zodat zij deze zouden gebruiken voor de productie van voor haar bestemde auto-onderdelen. Na een belastingcontrole heeft de belastingdienst op 3 april 2023 een belastingaanslag vastgesteld waarbij MB werd gelast een aanvullend btw-bedrag te betalen van 12 174 729 Roemeense leu (RON) (ongeveer 2 398 932 EUR), dat met name overeenkwam met de btw die verschuldigd was over de terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur.

10 De belastingdienst was van mening dat de terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur moest worden gelijkgesteld met een onder bezwarende titel verrichte dienst in de zin van artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn, op grond dat MB geen documenten had overgelegd waaruit de identiteit bleek van de fabrikanten van auto-onderdelen aan wie zij deze apparatuur ter beschikking had gesteld, en evenmin had aangetoond dat deze apparatuur uitsluitend was gebruikt voor de productie van voor haar bestemde onderdelen. Volgens de belastingdienst had MB, om ervoor te zorgen dat de kosteloze terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur niet zou worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel, moeten bewijzen dat die apparatuur was gebruikt voor haar economische activiteit en niet ten behoeve van andere belastingplichtigen.

11 MB heeft tegen de aanslag van 3 april 2023 bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 15 november 2023 is verworpen. De bevoegde autoriteit was van mening dat de kosteloze terbeschikkingstelling van apparatuur aan een onderdelenfabrikant niet kan worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel indien die fabrikant deze apparatuur uitsluitend gebruikt voor het verrichten van diensten ten behoeve van de eigenaar daarvan. Zij heeft erop gewezen, bij wijze van voorbeeld, dat een van de litigieuze apparaten ter beschikking was gesteld van een onderdelenfabrikant die de met dat apparaat geproduceerde goederen niet aan MB maar aan de leverancier van het apparaat had gefactureerd. De bevoegde autoriteit heeft daaruit afgeleid dat het rechtstreekse verband dat moest bestaan tussen de kosteloze terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur en het resultaat van het gebruik van die apparatuur uitsluitend ten behoeve van de eigen activiteit van MB, was verbroken.

12 MB heeft tegen de belastingaanslag van 3 april 2023 en het besluit tot afwijzing van haar bezwaar van 15 november 2023 beroep ingesteld bij de Curte de Apel București, de verwijzende rechter. Zij betoogt dat deze aanslag en dat besluit berusten op een onjuiste uitlegging van artikel 26 van de btw-richtlijn.

13 De verwijzende rechter merkt op dat de aanvullende btw aan MB in rekening is gebracht op grond dat de met de betrokken apparatuur vervaardigde goederen door een tussenpersoon waren verkocht of dat deze goederen waren verkocht aan anderen dan MB. Hij is in dit verband van oordeel dat in het bij hem aanhangige geding moet worden vastgesteld of, om het kosteloos ter beschikking stellen van apparatuur aan fabrikanten van auto-onderdelen niet te kunnen gelijkstellen met een onder bezwarende titel verrichte dienst in de zin van artikel 26 van de btw-richtlijn, deze fabrikanten de met die apparatuur geproduceerde goederen rechtstreeks aan de eigenaar van de apparatuur moeten verkopen. Hij is van mening dat de uitlegging van deze bepaling niet zo evident is dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.

14 In die omstandigheden heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet [de btw-richtlijn] in het algemeen, maar in het bijzonder artikel 26 ervan, in een specifieke context als die van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat er kan worden geacht sprake te zijn van een onder bezwarende titel verrichte dienst wanneer de eigenaar van apparatuur/matrijzen deze om niet ter beschikking stelt aan een leverancier, die deze vervolgens ter beschikking stelt aan een of meer onderleveranciers (fabrikanten) die ten behoeve van de eigenaar van de matrijs onderdelen vervaardigen en die verkopen aan de leverancier, die deze vervolgens doorverkoopt aan de eigenaar van de matrijs?

2) Verzet [de btw-richtlijn] in het algemeen, maar in het bijzonder artikel 26 ervan, zich tegen een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke het om niet ter beschikking stellen van de apparatuur/matrijs aan de fabrikant/leverancier/dienstverlener alleen dan niet met een dienst onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld wanneer de fabrikant/leverancier van de onderdelen waarvoor de apparatuur/matrijs is gebruikt, deze rechtstreeks aan de eigenaar van de matrijs levert, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een rechtstreekse factureringsrelatie tussen de fabrikant van de onderdelen en de eigenaar van de matrijs?”

Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

15 De Roemeense regering voert aan dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn. Zij betoogt in wezen dat de eerste vraag berust op de veronderstelling dat de met behulp van de ter beschikking gestelde apparatuur geproduceerde goederen via derde vennootschappen aan de eigenaar van die apparatuur zijn geleverd, en dat de tweede vraag berust op de veronderstelling dat de goederen rechtstreeks aan die eigenaar zijn geleverd. De verwijzende rechter heeft echter niet de begunstigde van de door middel van de betrokken apparatuur geproduceerde onderdelen geïdentificeerd. Daarnaast zijn de twee veronderstellingen waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd, tegenstrijdig. De Roemeense regering is derhalve van mening dat het Gerecht bij gebreke van een duidelijke feitelijke situatie geen nuttig antwoord kan geven op deze vragen en dat ten minste één daarvan kennelijk hypothetisch is.

16 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan de Unierechter is om de juistheid te onderzoeken [arrest van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C‑753/22, EU:C:2024:524, punt 44]. De Unierechter kan slechts weigeren om op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer de gevraagde uitlegging van een regel van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer de Unierechter niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

17 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arrest van 6 maart 2025, Anikovi, C‑395/23, EU:C:2025:142, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), de verwijzende rechter de feitelijke achtergrond van het hoofdgeding voldoende gedetailleerd heeft uiteengezet om het Gerecht in staat te stellen om de gestelde vragen zinvol te beantwoorden, met name door aan te geven dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde naheffingsaanslagen voor de btw aan MB in rekening zijn gebracht op grond dat de verkoop van de met de betrokken apparatuur vervaardigde goederen had plaatsgevonden via een tussenpersoon of dat deze goederen waren verkocht aan andere personen dan MB.

18 In dit verband bestaat er met name geen tegenstrijdigheid tussen de premissen die ten grondslag liggen aan de twee prejudiciële vragen, aangezien de eerste betrekking heeft op een situatie waarin een handeling moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel in de zin van artikel 26 van de btw-richtlijn, terwijl de tweede vraag betrekking heeft op een situatie waarin een dergelijke gelijkstelling is uitgesloten.

19 In de derde plaats blijkt niet duidelijk uit het dossier waarover het Gerecht beschikt dat de gestelde vragen, die in wezen betrekking hebben op een situatie waarin er geen rechtstreekse factureringsrelatie bestaat tussen de voertuigfabrikant en de onderdelenfabrikant aan wie hij apparatuur ter beschikking heeft gesteld, geen verband houden met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding of dat zij een hypothetisch vraagstuk aan de orde stellen.

20 Het verzoek om een prejudiciële beslissing moet derhalve ontvankelijk worden verklaard.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

21 In het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en de Unierechter is het de taak van deze laatste om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient de Unierechter in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. In dit verband moeten uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens de aspecten van Unierecht worden geput die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [zie arrest van 6 oktober 2021, A (Grensoverschrijding met een pleziervaartuig), C‑35/20, EU:C:2021:813, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

22 Opgemerkt zij dat de verwijzende rechter verwijst naar artikel 26 van de btw-richtlijn, zonder te verduidelijken welke specifieke bepaling van dat artikel moet worden uitgelegd om de gestelde vragen te kunnen beantwoorden. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de uitlegging van artikel 26, lid 1, van deze richtlijn. Meer in het bijzonder blijkt uit deze beslissing dat de twijfels van de verwijzende rechter in wezen betrekking hebben op het begrip „andere dan [bedrijfsdoeleinden]”, dat voorkomt in artikel 26, lid 1, van de btw‑richtlijn, onder zowel punt a) als punt b). Voor de beantwoording van de prejudiciële vragen hoeft dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen deze twee bepalingen (zie in die zin arrest van 16 oktober 1997, Fillibeck, C‑258/95, EU:C:1997:491, punt 20).

23 In dit verband stelt artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn een handeling in twee gevallen gelijk met een dienst onder bezwarende titel. Het eerste geval, bedoeld in artikel 26, lid 1, onder a), van deze richtlijn, betreft het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan. Het tweede geval, bedoeld in artikel 26, lid 1, onder b), van voornoemde richtlijn, betreft het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden.

24 Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een fabrikant van wegvoertuigen aan een fabrikant van auto-onderdelen moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel wanneer laatstgenoemde, met behulp van die apparatuur, onderdelen vervaardigt voor de voertuigfabrikant maar deze niet rechtstreeks aan hem verkoopt, aangezien de verkopen via een tussenpersoon worden verricht, zodat er geen rechtstreekse factureringsrelatie bestaat tussen de onderdelenfabrikant en de voertuigfabrikant.

25 Er zij aan herinnerd dat artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn beoogt te verzekeren dat een belastingplichtige die voor eigen privédoeleinden of die van zijn personeel een goed onttrekt aan zijn bedrijf of een dienst verricht, op dezelfde wijze wordt behandeld als een eindgebruiker die een goed of dienst van hetzelfde type afneemt. Daartoe verhindert artikel 26, lid 1, onder a), van deze richtlijn dat een belastingplichtige die de btw over de aankoop van een voor zijn bedrijf bestemd goed heeft kunnen aftrekken, geen btw betaalt wanneer hij dit goed voor zijn eigen privédoeleinden of die van zijn personeel aan zijn bedrijfsvermogen onttrekt, en dus ongerechtvaardigde voordelen geniet in vergelijking met een eindgebruiker die bij de aanschaf van een goed daar btw over betaalt. Om dezelfde reden verhindert artikel 26, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn dat een belastingplichtige of diens personeelsleden geen belasting hoeven te betalen over diensten van de belastingplichtige waarover een privépersoon wel btw zou hebben moeten betalen (zie in die zin arrest van 17 november 2022, GE Aircraft Engine Services, C‑607/20, EU:C:2022:884, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Uit de rechtspraak volgt dat een handeling niet wordt verricht voor andere dan bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige in de zin van artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn wanneer deze ertoe strekt de goede werking en de rentabiliteit van de belastingplichtige te waarborgen (zie in die zin arrest van 17 november 2022, GE Aircraft Engine Services, C‑607/20, EU:C:2022:884, punt 33). Handelingen ten behoeve en in het belang van een onderneming kunnen evenmin worden geacht te zijn verricht voor andere dan bedrijfsdoeleinden (arrest van 2 oktober 2025, Svilosa, C‑535/24, EU:C:2025:744, punt 30).

27 In casu is de terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur geen handeling onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de btw-richtlijn. Het feit dat deze terbeschikkingstelling kosteloos is, staat er echter op zich niet aan in de weg dat deze aan de btw wordt onderworpen. Een dergelijke handeling kan immers op grond van artikel 26, lid 1, van deze richtlijn worden gelijkgesteld met een onder bezwarende titel verrichte dienst, mits de handeling wordt verricht voor andere doeleinden dan de bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige.

28 Het is dan ook aan de verwijzende rechter om vast te stellen of de terbeschikkingstelling van de betrokken apparatuur daadwerkelijk ten goede kwam aan de economische activiteit van MB, met name door na te gaan of de met behulp van deze apparatuur vervaardigde onderdelen uitsluitend door MB werden gebruikt.

29 Indien de onderdelen die met behulp van de betrokken kosteloos door MB ter beschikking gestelde apparatuur zijn vervaardigd, uitsluitend door MB worden gebruikt, kan de terbeschikkingstelling van deze apparatuur aan externe fabrikanten niet worden beschouwd als een handeling die voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt verricht in de zin van artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn.

30 MB is namelijk een fabrikant van wegvoertuigen. In beginsel is de tooling, dat wil zeggen het proces waarbij de machines en apparatuur worden aangeschaft of vervaardigd die nodig zijn voor de productie van onderdelen, een belangrijk onderdeel van de voertuigproductie. In casu blijkt uit het dossier waarover het Gerecht beschikt dat de betrokken apparatuur wordt gebruikt voor de vervaardiging van onderdelen die bestemd zijn om te worden ingebouwd in de wegvoertuigen van MB, die er dus belang bij heeft dat deze onderdelen overeenkomstig haar precieze specificaties worden vervaardigd. Bovendien schaft MB de betrokken apparatuur aan om deze ter beschikking te stellen van onderdelenfabrikanten teneinde de financiële risico’s tot een minimum te beperken en tegelijkertijd de controle over deze apparatuur, waarvan zij eigenaar blijft, te behouden.

31 De omstandigheid dat er met betrekking tot de verkoop van met behulp van de betrokken apparatuur geproduceerde goederen geen factureringsrelatie bestaat tussen de fabrikant van wegvoertuigen – die eigenaar is van deze apparatuur die hij om niet ter beschikking heeft gesteld – en de onderdelenfabrikant die de apparatuur gebruikt, is in het kader van de krachtens artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn vereiste beoordeling niet doorslaggevend voor het onderzoek of een handeling is verricht voor andere doeleinden dan de bedrijfsdoeleinden van de belastingplichtige.

32 Voorts zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat de uitlegging van het nationale recht tot een andere conclusie zou kunnen leiden, niet doorslaggevend is, aangezien de btw-richtlijn een gemeenschappelijk btw-stelsel invoert dat met name is gebaseerd op een uniforme omschrijving van de belastbare handelingen (zie in die zin arrest van 20 juni 2013, Newey, C‑653/11, EU:C:2013:409, punt 39). De Unierechtelijke begrippen moeten dus uniform worden toegepast, ook als deze in het nationale recht verschillend worden uitgelegd.

33 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 26, lid 1, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een fabrikant van wegvoertuigen aan een fabrikant van auto-onderdelen niet moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel in een situatie waarin laatstgenoemde, met behulp van die apparatuur, onderdelen vervaardigt voor de voertuigfabrikant maar deze niet rechtstreeks aan hem verkoopt, aangezien de verkopen via een tussenpersoon worden verricht, zodat er geen rechtstreekse factureringsrelatie bestaat tussen de onderdelenfabrikant en de voertuigfabrikant, mits deze onderdelen uitsluitend door die voertuigfabrikant worden gebruikt.

Kosten

34 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

verklaart voor recht:

Artikel 26, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het om niet ter beschikking stellen van apparatuur door een fabrikant van wegvoertuigen aan een fabrikant van auto-onderdelen niet moet worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel in een situatie waarin laatstgenoemde, met behulp van die apparatuur, onderdelen vervaardigt voor de voertuigfabrikant maar deze niet rechtstreeks aan hem verkoopt, aangezien de verkopen via een tussenpersoon worden verricht, zodat er geen rechtstreekse factureringsrelatie bestaat tussen de onderdelenfabrikant en de voertuigfabrikant, mits deze onderdelen uitsluitend door die voertuigfabrikant worden gebruikt.

Półtorak

Hesse

Steinfatt

Petrlík

Dimitrakopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 november 2026.

ondertekeningen

* Procestaal: Roemeens.

ECLI:EU:T:2026:716

C/2025/6308

1.12.2025

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Bucureşti (Roemenië) op 15 september 2025 – Mercedes-Benz AG / Ministerul Finanțelor – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor en Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Nerezidenți

(Zaak T-680/25, Mercedes Benz)

(C/2025/6308)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Curtea de Apel Bucureşti

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Mercedes-Benz AG

Verwerende partijen: Ministerul Finanțelor – Direcția Generală de Soluționare a Contestațiilor, Direcția Generală Regională a Finanțelor Publice București – Administrația Fiscală pentru Contribuabili Nerezidenți

Prejudiciële vragen

1)

Moet richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in het algemeen (1), maar in het bijzonder artikel 26 ervan, in een specifieke context als die van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat er kan worden geacht sprake te zijn van een dienst verricht onder bezwarende titel wanneer de eigenaar van apparatuur/matrijzen deze om niet ter beschikking stelt aan een leverancier, die deze vervolgens ter beschikking stelt aan een of meer onderleveranciers (fabrikanten) die ten behoeve van de eigenaar van de matrijs onderdelen vervaardigen en die verkopen aan de leverancier, die deze vervolgens doorverkoopt aan de eigenaar van de matrijs?

2)

Verzet richtlijn [2006/112] in het algemeen, maar in het bijzonder artikel 26 ervan, zich tegen een rechterlijke uitlegging van het nationale recht volgens welke het om niet ter beschikking stellen van de apparatuur/matrijs aan de fabrikant/leverancier alleen dan niet met een dienst onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld wanneer de fabrikant/leverancier van de onderdelen waarvoor de apparatuur/matrijs is gebruikt, deze rechtstreeks aan de eigenaar van de matrijs levert, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een rechtstreekse factureringsrelatie tussen de fabrikant van de onderdelen en de eigenaar van de matrijs?

(1) PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.

ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/6308/oj

ISSN 1977-0995 (electronic edition)

Scroll naar boven