Gerecht Finanzamt für Großbetriebe arrest
De Oostenrijkse groothandelaar F GmbH levert van 2011 tot en met 2014 goederen aan afnemers in diverse EU-lidstaten, waarbij zij de goederen onder haar Oostenrijkse btw-identificatienummer bestelt bij leveranciers in Zweden en Denemarken die de goederen rechtstreeks naar de afnemers verzenden. F GmbH geeft deze transacties aanvankelijk aan als intracommunautaire leveringen en reikt facturen uit zonder btw-vermelding en zonder opgave van een driehoekstransactie of de vermelding ‘Btw verlegd’. Na een belastingcontrole concludeert de Oostenrijkse belastingdienst dat wegens het ontbreken van deze vermeldingen niet aan de voorwaarden voor de vereenvoudigde driehoekstransactieregeling is voldaan, waarna hij de algemene regels voor ketentransacties toepast, cumulatieve intracommunautaire verwervingen in Oostenrijk belast en de aftrek van voorbelasting weigert. In 2015 reikt F GmbH alsnog gecorrigeerde facturen en opgaven uit met de vermelding ‘Btw verlegd’ over de jaren 2011 tot en met 2014 en geeft zij een correctiebedrag op in haar btw-aangifte over maart 2015. De Oostenrijkse belastingdienst weigert dit correctiebedrag in aanmerking te nemen, waarna een juridische procedure ontstaat.
De vraag is of artikel 42, onder a), btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), btw-richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het voor het eerst uitreiken van facturen met de vermelding ‘Btw verlegd’ meerdere jaren na de leveringen de rechtsgevolgen van de vereenvoudigde driehoekstransactieregeling ex nunc doet intreden. Concreet wil de Oostenrijkse rechter weten of een tussenhandelaar in dat geval een btw-correctiebedrag mag opnemen in de aangifte over het lopende of een toekomstig belastingtijdvak. Subsidiair vraagt de Oostenrijkse rechter zich af of deze ex nunc-werking afhangt van belastingheffing in het verleden en op welke wijze de ontvangst van de nieuwe facturen door de eindafnemer moet worden bewezen.
Het Gerecht beslist dat artikel 42, onder a), btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), zo moet worden uitgelegd dat het meerdere jaren na de leveringen voor het eerst uitreiken van een factuur met de vermelding ‘Btw verlegd’ de rechtsgevolgen van de vereenvoudigde driehoekstransactieregeling niet doet intreden, waardoor het btw-correctiebedrag niet in een lopende of toekomstige aangifte mag worden opgegeven. In zijn motivering verwijst het Gerecht naar jurisprudentie waarin is bepaald dat de vermelding ‘Btw verlegd’ een dwingende materiële voorwaarde is (HvJ 19 april 2018, Firma Hans Bühler, C-580/16, ECLI:EU:C:2018:261 en HvJ 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C-247/21, ECLI:EU:C:2022:966). Het achteraf voldoen aan een dwingende toepassingsvoorwaarde kan namelijk geen terugwerkende kracht hebben, en een aanvaarding van werking ex nunc zou feitelijk neerkomen op een niet-toegestane terugwerkende kracht doordat de geldende fiscale regeling over het verleden alsnog achteraf wijzigt (HvJ 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C-247/21, ECLI:EU:C:2022:966). Voorts stelt het Gerecht onder verwijzing naar Gerecht 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T-646/24, ECLI:EU:T:2025:1081 dat de beoogde administratieve vereenvoudiging achteraf niet meer kan worden bereikt en dat het neutraliteitsbeginsel geen herziening vereist, aangezien de situatie verschilt van de herziening van ten onrechte gefactureerde belasting (HvJ 11 april 2013, Rusedespred, C-138/12, ECLI:EU:C:2013:233).
Samenvatting en afbeelding: Gemini + redactie btwjurisprudentie.nl
Artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd,
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat, meerdere jaren na leveringen waarvoor al facturen waren opgesteld zonder de in artikel 226, punt 11 bis, van deze richtlijn bedoelde vermelding „Btw verlegd”, die vereist is voor de toepassing van de afwijkende regeling voor driehoekstransacties, facturen zijn uitgereikt die deze vermelding voor het eerst wel bevatten, voor deze leveringen de rechtsgevolgen van deze regeling ter administratieve vereenvoudiging niet doet intreden, en dat het bedrag van de btw-correctie over deze leveringen bijgevolg niet kan worden opgegeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
7 oktober 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Intracommunautaire driehoekstransacties – Artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG – Facultatieve vereenvoudigde regeling voor driehoekstransacties – Te late uitreiking van de factuur met de vermelding ,Btw verlegd’ ”
In zaak T‑773/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 7 oktober 2025, ingekomen bij het Hof op 15 oktober 2025, in de procedure
Finanzamt für Großbetriebe,
in tegenwoordigheid van:
F GmbH,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt (rapporteur), D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 10 november 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door F. Koppensteiner en E. Pürgy als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, L. Halajová en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en L. Hohenecker als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 (PB 2010, L 189, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen het Finanzamt für Großbetriebe (belastingdienst voor grote ondernemingen, Oostenrijk; hierna: „belastingdienst”) en F GmbH over de weigering van deze dienst om bij de vaststelling van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor het belastingjaar 2015 een correctiebedrag in aanmerking te nemen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[…]b) de intracommunautaire verwervingen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht:
i) door een als zodanig handelende belastingplichtige of door een niet-belastingplichtige rechtspersoon, wanneer de verkoper een als zodanig handelende belastingplichtige is die noch onder de in de artikelen 282 tot en met 292 bedoelde vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, noch onder artikel 33 of artikel 36 valt”.
4 Titel V van de btw-richtlijn heeft als opschrift „Plaats van de belastbare handelingen”. Hoofdstuk 2 van die titel omvat de artikelen 40 tot en met 42, waarin de plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt gedefinieerd.
5 Volgens artikel 40 van die richtlijn wordt „[a]ls plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen […] de plaats [aangemerkt] waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer”.
6 Artikel 41 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Onverminderd artikel 40 wordt als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), aangemerkt het grondgebied van de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de btw op deze verwerving is geheven overeenkomstig artikel 40.
Indien op de verwerving uit hoofde van artikel 40 btw wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de btw erop is geheven op grond van de eerste alinea, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.”
7 Artikel 42 van de btw-richtlijn is als volgt verwoord:
„Artikel 41, eerste alinea, is niet van toepassing en de intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig artikel 40 aan de btw te zijn onderworpen wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de afnemer toont aan deze verwerving te hebben verricht met het oog op een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de overeenkomstig artikel 40 bepaalde lidstaat, waarvoor degene voor wie deze levering bestemd is, overeenkomstig artikel 197 is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon;
b) de afnemer heeft voldaan aan de in artikel 265 bedoelde verplichtingen inzake de indiening van de aldaar bedoelde lijst.”
8 Titel IX van de btw-richtlijn heeft als opschrift „Vrijstellingen”. Hoofdstuk 4 van deze titel betreft vrijstellingen met betrekking tot intracommunautaire handelingen. Afdeling 2 van dit hoofdstuk handelt over vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen. In deze afdeling bepaalt artikel 141:
„Elke lidstaat treft bijzondere maatregelen om de intracommunautaire verwerving van goederen die overeenkomstig artikel 40 binnen zijn grondgebied wordt verricht, niet aan de btw te onderwerpen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de verwerving van goederen wordt verricht door een niet in die lidstaat gevestigde, maar in een andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige;
b) de verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een daaropvolgende levering van deze goederen in diezelfde lidstaat door de in punt a) bedoelde belastingplichtige;
c) de aldus door de in punt a) bedoelde belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks vanuit een andere lidstaat dan die waarin hij voor btw-doeleinden geïdentificeerd is, verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de daaropvolgende levering verricht;
d) degene voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die in diezelfde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd;
e) de in punt d) bedoelde persoon voor wie de volgende levering is bestemd, is overeenkomstig artikel 197 aangewezen als degene die is gehouden tot voldoening van de belasting, verschuldigd uit hoofde van de levering welke is verricht door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de belasting is verschuldigd.”
9 In titel XI van de btw-richtlijn, met als opschrift „Verplichtingen van de belastingplichtigen en van bepaalde niet-belastingplichtige personen”, bepaalt artikel 197, lid 1:
„De btw is verschuldigd door degene voor wie de goederenlevering bestemd is wanneer […] de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de belastbare handeling is een goederenlevering die onder de voorwaarden van artikel 141 wordt verricht;
b) degene voor wie de levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de levering wordt verricht;
c) de factuur welke is uitgereikt door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat van degene voor wie de levering bestemd is, is opgesteld overeenkomstig hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5.”
10 De inhoud van de facturen wordt nader bepaald in afdeling 4 van hoofdstuk 3 van titel XI van de btw-richtlijn. Tot de bepalingen van die afdeling behoort artikel 226, dat als volgt luidt:
„Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor btw-doeleinden op de overeenkomstig de artikelen 220 en 221 uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:
[…]11 bis) wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden, de vermelding ‚Btw verlegd’;
[…]”Oostenrijks recht
11 Lid 8 („Plaats van de intracommunautaire verwerving”) van artikel 3 van het Umsatzsteuergesetz 1994 (wet op de omzetbelasting 1994) van 23 augustus 1994 (BGBl. 663/1994; hierna: „UStG 1994”), in de in de onderhavige zaak toepasselijke versie, luidt als volgt:
„De intracommunautaire verwerving wordt geacht te zijn verricht op het grondgebied van de lidstaat waarop de goederen zich na afloop van het vervoer of de verzending bevinden. Wanneer de afnemer jegens de leverancier gebruikmaakt van een door een andere lidstaat toegekend btw-identificatienummer, geldt de verwerving als verricht op het grondgebied van deze lidstaat totdat de afnemer bewijst dat de verwerving door de in de eerste zin bedoelde lidstaat is belast. […]”
12 Artikel 25 UStG 1994, met als opschrift „Driehoekstransactie”, bepaalt:
„Begrip
(1) Er is sprake van een driehoekstransactie wanneer drie ondernemers in drie verschillende lidstaten belastbare handelingen met betrekking tot dezelfde goederen verrichten, deze goederen rechtstreeks door de eerste leverancier aan de laatste afnemer worden bezorgd en aan de in lid 3 gestelde voorwaarden is voldaan. Dat geldt eveneens wanneer de laatste afnemer een rechtspersoon is die geen ondernemer is of het goed niet voor bedrijfsdoeleinden verwerft.
Plaats van de intracommunautaire verwerving in het geval van een driehoekstransactie
(2) De in artikel 3, lid 8, tweede volzin, bedoelde intracommunautaire verwerving wordt geacht te zijn belast met btw wanneer de ondernemer (afnemer) bewijst dat er sprake is van een driehoekstransactie en hij zijn aangifteplicht op grond van lid 6 is nagekomen. Indien de ondernemer zijn aangifteplicht niet nakomt, wordt de vrijstelling met terugwerkende kracht opgeheven.
Vrijstelling bij intracommunautaire verwerving van goederen
(3) De intracommunautaire verwerving is onder de volgende voorwaarden vrijgesteld:
a) De ondernemer (afnemer) heeft geen woonplaats of zetel op het nationale grondgebied, maar is voor btw-doeleinden op het grondgebied van de [Unie] geïdentificeerd;
b) de verwerving wordt verricht met het oog op een daaropvolgende levering op het nationale grondgebied door de ondernemer (afnemer) aan een andere ondernemer of een rechtspersoon die voor btw-doeleinden op het nationale grondgebied is geïdentificeerd;
c) de verworven goederen zijn afkomstig uit een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de ondernemer (afnemer) voor btw-doeleinden is geïdentificeerd;
d) de beschikkingsmacht over de verworven goederen wordt rechtstreeks door de eerste ondernemer of de eerste afnemer aan de laatste afnemer (ontvanger) overgedragen;
e) de belasting is overeenkomstig lid 5 verschuldigd door de ontvanger.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 F is een in Oostenrijk gevestigde vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die als groothandelaar in werkkleding werkzaam is voor rekening van verschillende merken.
14 Van 2011 tot en met 2014 heeft F goederen geleverd aan in andere lidstaten gevestigde ondernemers (hierna: „afnemers van F”). Zij heeft de geleverde goederen met gebruik van haar Oostenrijkse btw-identificatienummer besteld bij in Zweden en Denemarken gevestigde ondernemers – die voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd in hun lidstaat van vestiging –, die de goederen rechtstreeks naar de afnemers van F hebben verzonden. De geleverde goederen werden vanuit Zweden of Denemarken rechtstreeks verzonden naar andere lidstaten van de Europese Unie, behalve Oostenrijk. De afnemers van F handelden onder het btw-identificatienummer van het land van bestemming van de goederen.
15 F heeft deze transacties aanvankelijk in Oostenrijk, zowel in de btw-aangiften als in de lijsten en in de aan haar afnemers gerichte facturen, als intracommunautaire leveringen aangegeven. De oorspronkelijke facturen van F aan haar afnemers waren uitgereikt zonder vermelding van de btw en bevatten geen enkele vermelding van een driehoekstransactie of van een verlegging van de belastingschuld naar de ontvanger.
16 Bij een belastingcontrole heeft de belastingdienst vastgesteld dat, bij gebreke van vermelding van de driehoekstransactie in de facturen, niet was voldaan aan de voorwaarden voor de vereenvoudigde regeling voor driehoekstransacties. Het ging dus om „onvoltooide driehoekstransacties” waarop de belastingdienst de algemene regels voor ketentransacties heeft toegepast. Deze dienst was dan ook van mening dat er sprake was van cumulatieve intracommunautaire verwervingen in Oostenrijk in de zin van artikel 3, lid 8, tweede volzin, UStG 1994 en heeft de aftrek van de voorbelasting over deze verwervingen geweigerd.
17 In 2015 heeft F de betrokken facturen gecorrigeerd door een vermelding van de driehoekstransactie en van de verlegging van de btw-schuld toe te voegen. Zij heeft ook de lijsten voor 2011 tot en met 2014 gecorrigeerd door te vermelden dat er sprake was van een driehoekstransactie. In haar voorlopige btw-aangifte over maart 2015 heeft F een correctiebedrag opgegeven dat overeenkwam met de (cumulatieve) voorbelasting over de intracommunautaire verwervingen.
18 De belastingdienst heeft bij de vaststelling van het btw-bedrag geen rekening gehouden met het correctiebedrag.
19 F heeft tegen het besluit van de belastingdienst beroep ingesteld bij het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk). In het beroep heeft zij aangevoerd dat met de correcties van de betrokken facturen en van de lijsten alle onregelmatigheden waren verholpen en dat om die reden is voldaan aan alle voorwaarden voor de vereenvoudigde regeling.
20 Het Bundesfinanzgericht heeft het beroep van F gegrond verklaard en geoordeeld dat op basis van steekproeven bij een deel van de afnemers en ander bewijsmateriaal, zoals een forse stijging van de portokosten in maart 2015, kon worden aangenomen dat de afnemers de gecorrigeerde facturen daadwerkelijk hadden ontvangen.
21 Het Bundesfinanzgericht is tot de slotsom gekomen dat de in maart 2015 uitgereikte facturen geen terugwerkende kracht konden hebben voor 2011 tot en met 2014. Deze rechter was echter van oordeel dat deze facturen een werking ex nunc hadden, zodat het correctiebedrag voor 2015 moest worden erkend.
22 De belastingdienst heeft bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk), de verwijzende rechter, beroep in Revision ingesteld, dat strekte tot vernietiging van de uitspraak van het Bundesfinanzgericht.
23 De verwijzende rechter betwijfelt of het feit dat meerdere jaren na de leveringen waarvoor de oorspronkelijke facturen al waren opgesteld zonder de vermelding „Btw verlegd”, die vereist is voor de toepassing van de vereenvoudigde regeling voor driehoekstransacties, een factuur wordt uitgereikt die deze vermelding voor het eerst wel bevat, de rechtsgevolgen van deze afwijkende regeling ex nunc in het leven roept. Indien dit het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de toepassing ex nunc van deze vereenvoudigde regeling zou kunnen afhangen van de datum waarop deze factuur is uitgereikt, en met name van de vraag of de betrokken handeling al is belast, dan wel van de vraag of het in de lidstaten van bestemming nog mogelijk is om eventuele wijzigingen aan te brengen in de vaststelling van de door de afnemers van de leveringen verschuldigde btw over de jaren waarin de leveringen zijn verricht. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst voorts de vraag of daadwerkelijk moet worden bewezen dat de afnemers de nieuwe facturen hebben ontvangen, dan wel of dit ook op grond van de algemene ervaring kan worden vermoed.
24 Tegen deze achtergrond heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 42, onder a), van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat de eerste uitreiking van een voor de toepassing van de afwijkende regeling voor driehoekstransacties vereiste factuur, zij het pas meerdere jaren na de leveringen, de rechtsgevolgen van de regeling ter administratieve vereenvoudiging ex nunc doet intreden?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is voor de werking ex nunc van de eerste uitreiking van een dergelijke factuur vereist dat de opsteller van de factuur over de periode vóór de uitreiking ervan belasting heeft geheven volgens de algemene bepalingen die van toepassing zijn in de lidstaat van bestemming?
3) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: in welke vorm moet de tussenhandelaar het bewijs leveren dat de voor het eerst uitgereikte vereiste factuur daadwerkelijk door de eindafnemer is ontvangen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat, meerdere jaren na leveringen waarvoor al facturen waren opgesteld zonder de in artikel 226, punt 11 bis, van deze richtlijn bedoelde vermelding „Btw verlegd”, die vereist is voor de toepassing van de afwijkende regeling voor driehoekstransacties, facturen zijn uitgereikt die deze vermelding voor het eerst wel bevatten, voor deze leveringen de rechtsgevolgen van deze regeling ter administratieve vereenvoudiging doet intreden, en dat het bedrag van de btw-correctie over deze leveringen bijgevolg kan worden opgegeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
26 Volgens de rechtspraak is een driehoekstransactie een transactie waarbij goederen door een leverancier die in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, worden geleverd aan een tussenhandelaar die in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, en die de goederen op zijn beurt levert aan een eindafnemer die in een derde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, waarbij de goederen rechtstreeks vanuit de eerste lidstaat naar de derde lidstaat worden vervoerd (zie arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 41, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 33).
27 Bij deze driehoekstransactie kan gebruik worden gemaakt van een regeling die afwijkt van de regel van artikel 2, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, die bepaalt dat intracommunautaire verwervingen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat onder bezwarende titel worden verricht, aan de btw zijn onderworpen (zie arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 42, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 34).
28 Deze afwijkende regeling bestaat erin dat de intracommunautaire verwerving door de tussenhandelaar, die in de tweede lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, wordt vrijgesteld, en dat de belasting over deze verwerving wordt verlegd naar de eindafnemer, die in de derde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, waarbij de tussenhandelaar is vrijgesteld van de verplichting om zich in die laatste lidstaat voor btw-doeleinden te identificeren. Deze regeling volgt uit de samenhang tussen de regel van artikel 40 van deze richtlijn en de afwijking die voortvloeit uit artikel 42 ervan (zie arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 43, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 35).
29 Volgens artikel 40 van de btw-richtlijn wordt een intracommunautaire verwerving van goederen immers belast op de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer. Om te waarborgen dat deze regel correct wordt toegepast, bepaalt artikel 41 van deze richtlijn dat wanneer de afnemer niet aantoont dat de btw op de verwerving overeenkomstig artikel 40 van deze richtlijn is geheven, het grondgebied van de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, als plaats van de intracommunautaire verwerving wordt aangemerkt (arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 44, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 36).
30 Artikel 42 van deze richtlijn bepaalt dat die regel niet van toepassing is op de in artikel 141 van die richtlijn gedefinieerde driehoekstransacties wanneer, ten eerste, de afnemer aantoont dat hij de intracommunautaire verwerving in kwestie heeft verricht met het oog op een daaropvolgende levering op het grondgebied van een overeenkomstig artikel 40 van deze richtlijn bepaalde lidstaat, waarvoor de ontvanger is aangewezen als de persoon die overeenkomstig artikel 197 van die richtlijn tot voldoening van de belasting is gehouden en, ten tweede, de afnemer de in artikel 265 van deze richtlijn bepaalde verplichtingen inzake de indiening van de aldaar bedoelde lijst is nagekomen (arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 45, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 37).
31 Overeenkomstig artikel 197, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn moet de door de tussenhandelaar uitgereikte factuur worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3 tot en met 5 van hoofdstuk 3 van titel XI van deze richtlijn. Tot die bepalingen behoort artikel 226, punt 11 bis, dat bepaalt dat de factuur de vermelding „Btw verlegd” moet bevatten wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden. In dit verband heeft het Hof al verduidelijkt dat deze voorwaarde een materiële voorwaarde is waaraan noodzakelijkerwijs moet zijn voldaan opdat de btw op een verwerving in het kader van een driehoekstransactie overeenkomstig artikel 40 van deze richtlijn wordt geacht te zijn geheven (zie in die zin arresten van 19 april 2018, Firma Hans Bühler, C‑580/16, EU:C:2018:261, punt 49, en 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 49).
32 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat in het geval waarin oorspronkelijk niet aan deze voorwaarde is voldaan, maar later een factuur met de vermelding „Btw verlegd” is uitgereikt, het achteraf voldoen aan een dwingende toepassingsvoorwaarde voor de verlegging van de belastingschuld naar de afnemer geen correctie vormt. Het gaat om een eerste uitreiking van de vereiste factuur, die geen terugwerkende kracht kan hebben (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 61).
33 De eerste prejudiciële vraag betreft de vraag of een factuur die meerdere jaren na de leveringen onder de in punt 32 hierboven genoemde voorwaarden is uitgereikt, de rechtsgevolgen van de vereenvoudigde regeling ex nunc doet intreden, dat wil zeggen of de tussenhandelaar, nadat hij voor het eerst en meerdere jaren na de betrokken handelingen de factuur heeft uitgereikt die voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van deze afwijkende vereenvoudigde regeling, een btw-correctie kan opgeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
34 Ter beantwoording van de eerste vraag moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn, maar ook met de context van deze bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 47).
35 De bewoordingen van artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn geven geen duidelijk antwoord op de vraag of de tussenhandelaar, nadat hij voor het eerst en meerdere jaren na de betrokken handelingen de factuur heeft uitgereikt die voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vereenvoudigde regeling, een btw-correctie kan opgeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
36 Artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn voorziet immers niet in een termijn voor het gebruik van de betrokken vereenvoudigde regeling. Ook kan uit het gebruik van een werkwoord in de verleden tijd („is aangewezen”) in artikel 42, onder a), en artikel 141, onder e), van de btw-richtlijn slechts worden afgeleid dat een factuur met de vermelding „Btw verlegd” moet worden opgesteld voordat deze vereenvoudigde regeling kan worden toegepast. Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt echter niet vóór welk tijdstip deze factuur moet worden uitgereikt.
37 Wat de context van artikel 42 van de btw-richtlijn betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat in dit artikel de toepassingsvoorwaarden van de vereenvoudigingsmaatregel van artikel 141 van deze richtlijn worden verduidelijkt en vervolledigd (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 50). Artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn stelt de toepassing van deze regeling afhankelijk van de voorwaarde dat de ontvanger van de daaropvolgende levering overeenkomstig artikel 197 van deze richtlijn is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon. Volgens artikel 197, lid 1, onder c), van die richtlijn moet de door de tussenhandelaar uitgereikte factuur worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3 tot en met 5 van hoofdstuk 3 van titel XI van die richtlijn. Tot deze bepalingen behoort artikel 226, punt 11 bis, van die richtlijn, dat bepaalt dat de factuur de vermelding „Btw verlegd” moet bevatten wanneer de afnemer tot voldoening van de belasting is gehouden.
38 De doelstelling van artikel 42 van de btw-richtlijn moet samen met die van artikel 141 van deze richtlijn worden onderzocht, aangezien de twee bepalingen samen de betrokken vereenvoudigde regeling vormen (zie in die zin arrest van 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 49).
39 Terwijl artikel 141 van de btw-richtlijn tot doel heeft om te voorkomen dat de tussenhandelaar in de lidstaat van bestemming van de goederen moet voldoen aan identificatie- en aangifteverplichtingen, beogen de artikelen 41 en 42 van die richtlijn te waarborgen dat de btw op de intracommunautaire verwerving in kwestie wordt geheven bij de eindafnemer, degene voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, en tegelijk te voorkomen dat over die handeling tweemaal belasting wordt geheven (zie arresten van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI, T‑646/24, EU:T:2025:1081, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Wat de eerste doelstelling betreft, namelijk voorkomen dat de tussenhandelaar in de lidstaat van bestemming van de goederen moet voldoen aan identificatie- en aangifteverplichtingen, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de uitreiking achteraf van een factuur die voor het eerst de vermelding „Btw verlegd” bevat, geen terugwerkende kracht kan hebben (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 61). Uit deze rechtspraak kan niet worden afgeleid dat wanneer voor een levering al een factuur zonder deze vermelding is opgesteld, de vereenvoudigde regeling op diezelfde levering van toepassing wordt vanaf de uitreiking, meerdere jaren later, van een factuur die wel deze vermelding bevat. De regeling van de artikelen 40 en 41 van de btw-richtlijn blijft namelijk hoe dan ook van toepassing op de periode tussen de betrokken leveringen en de uitreiking van deze facturen, en de toepassing van die regeling wordt niet met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt vanaf het tijdstip waarop de aangevulde factuur is uitgereikt. Hieruit volgt dat, zoals de Republiek Oostenrijk in haar opmerkingen over het verzoek om een prejudiciële beslissing terecht benadrukt, de belastingschuld voor intracommunautaire verwervingen uit hoofde van artikel 41, lid 1, van de btw-richtlijn en de identificatie-, aangifte- en belastingverplichtingen van de tussenhandelaar in de lidstaat van bestemming al zijn ontstaan en niet met terugwerkende kracht verdwijnen. Bijgevolg kan de doelstelling van vereenvoudiging van de administratieve procedures niet meer achteraf worden bereikt.
41 De uitlegging van artikel 42 van de btw-richtlijn, gelezen in het licht van de tweede doelstelling, namelijk waarborgen dat de btw op de intracommunautaire verwerving in kwestie wordt geheven bij de afnemer, degene voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, en tegelijk voorkomen dat over die handeling tweemaal belasting wordt geheven, pleit ook voor de uitlegging dat de gevolgen van de vereenvoudigde regeling niet kunnen ontstaan door jaren na de betrokken handelingen nieuwe facturen uit te reiken.
42 Indien de vereenvoudigde regeling pas jaren na de belastbare handelingen van toepassing is, is het namelijk onder meer mogelijk dat de feiten inmiddels zijn gewijzigd, bijvoorbeeld dat de eindafnemer is verdwenen. De toepassing achteraf van deze regeling zou dus afbreuk kunnen doen aan de doelstelling om een juiste belastingheffing in de lidstaat van bestemming te verzekeren.
43 Bovendien kan dit risico niet worden ondervangen door, zoals de Commissie in haar opmerkingen over het verzoek om een prejudiciële beslissing voorstelt, de toepassing achteraf van de vereenvoudigde regeling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de tussenhandelaar te goeder trouw is geweest of dat de belastingheffing in de lidstaat van bestemming gewaarborgd is, naar analogie van de rechtspraak over de herziening van ten onrechte gefactureerde belasting die is ontwikkeld in de punten 26 en 27 van het arrest van 11 april 2013, Rusedespred (C‑138/12, EU:C:2013:233). Om na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan zouden de belastbare handelingen namelijk één voor één moeten worden onderzocht, hetgeen in strijd is met de door de afwijkende regeling nagestreefde doelstelling van vereenvoudiging.
44 Bovendien vereist artikel 226, punt 11 bis, van de btw-richtlijn dat de factuur de vermelding „Btw verlegd” bevat, zodat de afnemer kennis kan nemen van zijn hoedanigheid van tot voldoening van de belasting gehouden persoon en de belasting kan voldoen in de lidstaat van bestemming (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 54). Aangezien de afwijkende regeling van de artikelen 42 en 141 van de btw-richtlijn facultatief is, waarborgt de in artikel 226, punt 11 bis, van deze richtlijn opgenomen vereiste vermelding „Btw verlegd” dat de eindafnemer van een levering op de hoogte is van zijn fiscale verplichtingen. De vereenvoudigde regeling houdt immers juist in dat er geen btw wordt betaald tussen de leverancier en de belastingplichtige voor wie een levering wordt verricht, omdat laatstgenoemde de belasting voor deze levering verschuldigd is. Er mag daaromtrent dus geen onzekerheid bestaan (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 55).
45 De uitreiking van facturen met de vermelding „Btw verlegd” meerdere jaren na leveringen waarvoor al facturen zonder deze vermelding zijn opgesteld, zou echter kennelijk onverenigbaar zijn met dit vereiste.
46 Bovendien vereist het beginsel van fiscale neutraliteit niet dat een latere toepassing van de vereenvoudigde regeling, op basis van een nieuwe factuur die is aangevuld met de vermelding „Btw verlegd”, mogelijk moet zijn.
47 Uit de rechtspraak volgt inderdaad dat het aan de lidstaten is om ter waarborging van de neutraliteit van de btw in hun nationale recht de mogelijkheid op te nemen om, wanneer de opsteller van de factuur aantoont dat hij te goeder trouw is of tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld, alle ten onrechte gefactureerde belasting te herzien (zie in die zin arrest van 11 april 2013, Rusedespred, C‑138/12, EU:C:2013:233, punten 26 en 27).
48 Deze rechtspraak kan echter niet worden toegepast op de onderhavige zaak, aangezien de herziening van ten onrechte gefactureerde belasting verschilt van de vervulling achteraf van een materiële voorwaarde voor de afwijkende regering inzake de verlegging van de belastingschuld naar de afnemer, omdat de belastingdienst in dat laatste geval de belasting correct heeft gevorderd (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 61). Het bestaan van nationale correctiemogelijkheden voor de opsteller van de factuur die zijn goede trouw aantoont of die tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld, kan dus niet als leidraad dienen voor de uitlegging van de specifieke vereisten voor de driehoekstransactie-regeling.
49 Ten slotte heeft het Hof in punt 61 van het arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil (C‑247/21, EU:C:2022:966), al geoordeeld dat het achteraf voldoen aan een dwingende toepassingsvoorwaarde voor de verlegging van de belastingschuld naar de afnemer geen terugwerkende kracht kan hebben. Zou worden aanvaard dat de uitreiking, meerdere jaren na de betrokken handelingen, van facturen die zijn aangevuld met de vermelding „Btw verlegd” tot gevolg heeft dat de toepasselijke belastingregeling wordt gewijzigd, dan zou dat, zoals de verwijzende rechter terecht vaststelt, er uiteindelijk toe leiden dat aan deze facturen terugwerkende kracht wordt verleend, juist omdat de regeling die tot het tijdstip waarop deze nieuwe facturen werden uitgereikt op deze handelingen van toepassing was, achteraf zou worden gewijzigd. Aan deze terugwerkende kracht wordt niet afgedaan door het feit dat de tussenhandelaar alleen in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak een correctiebedrag opgeeft, met name omdat de rechtspositie van de eindafnemer achteraf wordt gewijzigd.
50 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 42, onder a), van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat, meerdere jaren na leveringen waarvoor al facturen waren opgesteld zonder de in artikel 226, punt 11 bis, van deze richtlijn bedoelde vermelding „Btw verlegd”, die vereist is voor de toepassing van de afwijkende regeling voor driehoekstransacties, facturen zijn uitgereikt die deze vermelding voor het eerst wel bevatten, voor deze leveringen de rechtsgevolgen van deze regeling ter administratieve vereenvoudiging niet doet intreden, en dat het bedrag van de btw-correctie over deze leveringen bijgevolg niet kan worden opgegeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
Tweede en derde vraag
51 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
verklaart voor recht:
Artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010, gelezen in samenhang met artikel 197, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd,
moet aldus worden uitgelegd dat
het feit dat, meerdere jaren na leveringen waarvoor al facturen waren opgesteld zonder de in artikel 226, punt 11 bis, van deze richtlijn bedoelde vermelding „Btw verlegd”, die vereist is voor de toepassing van de afwijkende regeling voor driehoekstransacties, facturen zijn uitgereikt die deze vermelding voor het eerst wel bevatten, voor deze leveringen de rechtsgevolgen van deze regeling ter administratieve vereenvoudiging niet doet intreden, en dat het bedrag van de btw-correctie over deze leveringen bijgevolg niet kan worden opgegeven in de aangifte over het lopende belastingtijdvak of in een aangifte over een toekomstig belastingtijdvak.
Półtorak
Hesse
Steinfatt
Petrlík
Dimitrakopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 7 oktober 2026.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
C/2026/181
12.1.2026
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) op 15 oktober 2025 – Finanzamt für Großbetriebe / F GmbH
(Zaak T-773/25, Finanzamt für Großbetriebe)
(C/2026/181)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Finanzamt für Großbetriebe
Verwerende partij: F GmbH
Prejudiciële vragen
1.
Moet artikel 42, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 (2), aldus worden uitgelegd dat de eerste uitreiking van een factuur die vereist is voor de toepassing van de uitzondering voor driehoekstransacties, maar die pas meerdere jaren na de leveringen wordt uitgereikt, de rechtsgevolgen van de regeling ter vereenvoudiging van de administratie ex nunc doet ontstaan?
2.
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is voor de werking ex nunc van de eerste uitreiking van een dergelijke factuur vereist dat de opsteller van de factuur over de periode vóór de uitreiking ervan belasting heeft geheven volgens de algemene bepalingen van de lidstaat van bestemming?
3.
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: in welke vorm moet de tussenhandelaar het bewijs leveren dat de voor het eerst uitgereikte factuur daadwerkelijk door de eindafnemer is ontvangen?
(1) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
(2) Richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft (PB 2010, L 189, blz. 1).
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2026/181/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)