Gerecht 17-06-2026 Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Exonérations – gestion de crédits effectuée par celui qui les a octroyés) T-184/25

Gerecht Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Exonérations – gestion de crédits effectuée par celui qui les a octroyés) arrest

Bank A verstrekt woningkredieten aan klanten en verkoopt deze direct door aan haar dochteronderneming B. A en B vormen samen geen fiscale eenheid. B is zelf niet betrokken bij de klantenservice of het kredietbeheer. Hoewel de kredieten juridisch zijn overgedragen aan B, blijft A tegen een vergoeding (werkelijke kosten plus winstopslag) verantwoordelijk voor het volledige beheer ervan, inclusief facturering, klantenservice en incasso.

A verzocht om zekerheid over de btw-behandeling van deze beheerdiensten. De Finse centrale belastingcommissie oordeelde dat de door A aan B verkochte diensten voor kredietbeheer kwalificeerden als btw-vrijgestelde financiële diensten. De Finse belastingdienst ging hiertegen in beroep. De verwijzende hoogste bestuursrechter heeft prejudiciële vragen gesteld of deze beheerdiensten onder de btw-vrijstellingen van artikel 135 lid 1 onder b), c) of d) btw-richtlijn vallen.

Het Gerecht oordeelt dat het beheer van overgedragen kredieten belast is met btw. De vrijstelling van art. 135(1)(b) moet strikt worden uitgelegd (zie Franck, C-801/19) en ziet enkel op het beheer binnen de oorspronkelijke relatie tussen kredietverstrekker en kredietnemer. Na overdracht valt het beheer daar niet meer onder, mede om fiscale bevoordeling ten opzichte van derden te voorkomen (o.g.v. het beginsel van fiscale neutraliteit en Velvet & Steel Immobilien, C-455/05, en Skandinaviska Enskilda Banken, C-540/09). Ook de vrijstellingen voor garanties (art. 135(1)(c)) en schuldvorderingen (art. 135(1)(d)) zijn niet van toepassing, aangezien kredietbeheer hier materieel niet onder valt en dit de specifieke reikwijdte van sub b zou uithollen.

DictumArrestConclusieVerzoek

1) Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

2) Artikel 135, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de vrijstelling voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen niet van toepassing is op diensten voor kredietbeheer die worden verricht door de persoon die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een obligatie die is uitgegeven door een andere financiële instelling waaraan die kredieten zijn overgedragen.

3) Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de daarin opgenomen vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen.

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

17 juni 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Vrijstellingen – Artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van richtlijn 2006/112/EG – Beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend – Aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen – Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen – Overdracht van kredieten – Beheerdiensten die door de overdrager aan de verkrijger in rekening worden gebracht ”

In zaak T‑184/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) bij beslissing van 28 februari 2025, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure ingesteld door

Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö

tegen

A Oy,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt (rapporteur), D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 18 maart 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– A, vertegenwoordigd door L. Ahopelto, handelend namens A,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en I. Söderlund als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 februari 2026,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (dienst ter bescherming van de rechten van de ontvangers van belastinginkomsten, Finland) en de vennootschap A Oy over een verzoek om een ruling over de btw-behandeling van aan een derde onderneming verkochte kredieten alsmede van diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de verkochte kredieten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 2 van de btw-richtlijn bepaalt:

„1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

[…]

c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

4 Artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn luidt:

„Als ‚belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.

Als ‚economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”

5 Artikel 24, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:

„Als, dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”

6 In artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn staat te lezen:

„1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

b) de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;

c) de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;

d) handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;

[…]”

Fins recht

7 In Finland wordt de btw geregeld door de op 1 juni 1994 in werking getreden arvonlisäverolaki (1501/1993) [wet op de belasting over de toegevoegde waarde (1501/1993)] van 30 december 1993, zoals gewijzigd (hierna: „btw-wet”).

8 Overeenkomstig § 1, eerste alinea, punt 1, van de btw-wet wordt btw ten gunste van de staat geheven over alle goederenleveringen en diensten die in Finland in het kader van een bedrijfsactiviteit worden verricht.

9 Volgens § 18, tweede alinea, van de btw-wet wordt onder „verkoop van een dienst” verstaan het onder bezwarende titel verrichten van een dienst of elke andere overdracht van een dienst onder bezwarende titel.

10 Uit § 41 van de btw-wet volgt dat geen btw verschuldigd is over de verkoop van een financiële dienst.

11 In § 42, eerste alinea, punten 2 en 3, van de btw-wet wordt bepaald dat de verlening van kredieten en andere vormen van financiering alsmede kredietbeheer door de kredietverstrekker als financiële diensten worden beschouwd.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

12 A is de hoofdvestiging van bank X en vertegenwoordiger van de btw-groep van groep Y in Finland. Groep Y verkoopt hoofdzakelijk van btw vrijgestelde financiële en verzekeringsdiensten.

13 B is een dochteronderneming die volledig in handen is van A, maar zij maken geen deel uit van dezelfde btw-groep.

14 Een groot deel van de door A verstrekte woningkredieten wordt tegen de marktprijs aan B verkocht nadat de klant het krediet heeft opgenomen. De vergoeding bestaat uit het uitstaande bedrag van het krediet dat de kredietnemer heeft opgenomen en de niet-betaalde rente die op de datum van overdracht van het krediet op grond van de overeenkomst is opgebouwd. De kredieten worden meestal meteen aan B verkocht, op de dag waarop zij worden verstrekt en er nog geen rente is opgebouwd. In dat geval is de prijs de nominale waarde van het krediet. Indien het krediet in termijnen wordt opgenomen, kan het worden verkocht nadat de eerste termijn is opgenomen. B verstrekt de woningkredieten niet zelf maar koopt deze van A.

15 Alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de betrokken kredieten worden samen met de kredieten overgedragen aan B op de datum van de overdracht, die overigens geen enkele tussenkomst van de kredietnemer vereist.

16 B is zelf niet betrokken bij het werven van klanten, de klantenservice of het beheer van verworven kredieten. Hoewel de kredieten aan B worden overgedragen, blijft A verantwoordelijk voor het beheer ervan. A handelt gedurende de gehele looptijd van het krediet alle kwesties af die zich afspelen tussen de kredietnemers en B.

17 Het beheer van de door A aan B verkochte kredieten en de daaraan verbonden zekerheden bestaat uit het beheer van diensten ten behoeve van de klanten die deze kredieten hebben afgesloten alsmede de monitoring en de storting van de overgedragen kredieten, zoals de facturering van de aflossingen, rente en commissies, de verschillende wijzigingen van de kredieten en eventuele incassodiensten. A neemt beslissingen zoals over de herfinanciering van een krediet of de verlenging van de looptijd van een krediet. De door A aan B verkochte diensten voor kredietbeheer zijn dezelfde als die A aanbiedt in het geval dat deze kredieten bij A zouden blijven.

18 B is grotendeels gefinancierd met gedekte obligaties en kredieten en zekerheden die haar door A zijn verstrekt. A verricht daarnaast alle taken in verband met de uitgifte van obligaties en verkoopt deze diensten aan B. Het grootste deel van de aan B verkochte kredieten dient in elk geval op een bepaald moment tijdens de looptijd ervan als zekerheid voor obligaties.

19 De prijs van de diensten voor het beheer van de door A aan B verkochte kredieten en zekerheden wordt op basis van de werkelijke maandelijkse kosten ervan berekend. De vergoeding bestaat uit de werkelijke kosten en de overeengekomen winstopslag. A brengt B haar diensten in rekening op basis van de werkelijk gemaakte kosten vermeerderd met een winstopslag.

20 A heeft de Keskusverolautakunta (centrale belastingcommissie, Finland) verzocht om een ruling over de btw-behandeling van de door haar aan B verkochte kredieten alsmede van de diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de verkochte kredieten.

21 Volgens de door de centrale belastingcommissie aan A afgegeven ruling is de verkoop van kredieten door A aan B een van btw vrijgestelde financiële dienst in de zin van § 42, eerste alinea, punt 2, van de btw-wet. De door A aan B verkochte incassodiensten zijn aan btw onderworpen diensten in de zin van § 1, eerste alinea, punt 1, van de btw-wet. De diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de aan B verkochte kredieten worden verricht door de kredietverstrekker, zodat deze van btw vrijgestelde financiële diensten vormen in de zin van § 41 en § 42, eerste alinea, punt 3, van de btw-wet.

22 De dienst ter bescherming van de rechten van de ontvangers van belastinginkomsten heeft bij de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze ruling voor zover daarbij wordt gesteld dat de door A aan B verkochte beheerdiensten niet aan btw zijn onderworpen.

23 De verwijzende rechter betwijfelt of de door A verrichte diensten voor het beheer van kredieten en zekerheden in verband met de door haar verstrekte en daarna aan een andere onderneming verkochte kredieten kunnen worden aangemerkt als het uit hoofde van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn vrijgestelde beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend. Indien dit niet het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de door A verrichte diensten als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn van btw zijn vrijgesteld, indien de door deze onderneming verleende beheerdiensten betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor door een andere financiële instelling uitgegeven obligaties. Indien dit evenmin het geval is, vraagt hij zich af of de door A verrichte diensten als financiële diensten in de zin van artikel 135, lid 1, onder d), van deze richtlijn moeten worden vrijgesteld.

24 Tegen deze achtergrond heeft de Korkein hallinto-oikeus de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet, indien een financiële onderneming de door haar aan een klant verstrekte kredieten aan een andere financiële instelling verkoopt en deze kredieten zelf tegen vergoeding blijft beheren nadat deze zijn verkocht, artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming de door haarzelf verstrekte kredieten die zij aan die andere financiële instelling heeft verkocht, blijft beheren?

2) Moet, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het beheer van kredieten door de eerste onderneming betrekking heeft op kredieten die als zekerheden voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie dienen, artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming kredieten beheert die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie?

3) Moet, indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van handelingen betreffende schuldvorderingen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming schuldvorderingen beheert die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

26 Krachtens artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen betreffende „de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”.

27 Volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van het recht van de Europese Unie uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de verschillende taalversies van een tekst van het Unierecht moet er bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt [zie arresten van 26 september 2013, Commissie/Frankrijk, C‑296/11, niet gepubliceerd, EU:C:2013:612, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 oktober 2020, United Biscuits (Pensions Trustees) en United Biscuits Pension Investments, C‑235/19, EU:C:2020:801, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28 De bewoordingen van de voorwaarde „door degene die deze heeft verleend” in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn geven geen eenduidig antwoord op de vraag welke personen in aanmerking komen voor de vrijstelling voor kredietbeheer.

29 Zoals de advocaat-generaal in punt 18 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, wordt in bepaalde taalversies van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, zoals de Griekse („pou tis chorígise”), de Franse („qui les a octroyés”) en de Nederlandse taalversie („die deze heeft verleend”), een werkwoord in de verleden tijd gebruikt om de verlening van kredieten te beschrijven. Deze versies kunnen er dus op wijzen dat de persoon die de vrijstelling van deze bepaling geniet, degene is die het krediet in het verleden en aan het begin van de contractuele relatie aan de kredietnemer heeft uitgekeerd. Sommige andere taalversies van deze bepaling, zoals de Engelse („the person granting it”), de Kroatische („koja ga odobrava”), de Roemeense („care le acordă”) en de Sloveense („ki kredit odobri”) taalversie, gebruiken daarentegen het equivalent van het werkwoord „verlenen” als onvoltooid deelwoord of in de tegenwoordige tijd. Zij kunnen dus worden opgevat als een verwijzing naar de hoedanigheid van de persoon als kredietverstrekker, namelijk degene aan wie de kredieten door een andere persoon zijn overgedragen. Bovendien kunnen de in de Duitse („Kreditgeber”) en de Finse („luotonantaja”) versie gebruikte termen in die respectieve talen beide bovengenoemde betekenissen hebben.

30 Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 10 september 2014, Ben Alaya, C‑491/13, EU:C:2014:2187, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31 Wat betreft de context van de voorwaarde „door degene die deze heeft verleend” en de doelstellingen van de regeling waarvan deze voorwaarde deel uitmaakt, zij opgemerkt dat de bewoordingen van de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn strikt moeten worden uitgelegd – aangezien deze vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht – voor zover deze uitlegging er niet toe leidt dat deze vrijstellingen geen effect meer sorteren, in overeenstemming is met de door die vrijstellingen nagestreefde doeleinden en strookt met de vereisten van het beginsel van fiscale neutraliteit (zie arrest van 17 december 2020, Franck, C‑801/19, EU:C:2020:1049, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Bovendien moet worden opgemerkt dat in een en dezelfde bepaling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn vrijstelling wordt verleend voor „de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten” en „het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”. Uit deze formulering blijkt dat de vrijstelling van deze bepaling geldt voor het beheer van kredieten in verband met de verlening ervan. Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van haar conclusie heeft opgemerkt, beoogt deze vrijstelling te waarborgen dat alle prestaties die in het kader van een kredietrelatie worden verricht, van btw worden vrijgesteld. Die context en de beperking van de werkingssfeer van deze vrijstelling tot diensten die worden verricht „door degene die deze heeft verleend”, wijzen erop dat het gaat om de relatie tussen de kredietverstrekker en de kredietnemer en dat deze relatie geen betrekking heeft op diensten die daarbuiten worden verricht. De strikte uitlegging van de uitzondering van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn verzet zich er dus tegen dat deze vrijstelling wordt toegepast op elke situatie waarin dit verband is verdwenen.

33 Aangezien de oorspronkelijke kredietverstrekker zijn vorderingen heeft overgedragen aan een derde verkrijger, maakt het beheer van deze kredieten in casu geen deel meer uit van de oorspronkelijke rechtsbetrekking die recht gaf op de vrijstelling, ook al wordt dit beheer materieel uitgevoerd door de oorspronkelijke kredietverstrekker zelf. Een dergelijke activiteit vormt bijgevolg een dienst die onder bezwarende titel en rechtstreeks ten behoeve van de derde verkrijger wordt verricht.

34 Zoals de advocaat-generaal in de punten 34 en 35 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de Uniewetgever door de subjectieve werkingssfeer van de vrijstelling voor kredietbeheer te beperken, de uitbesteding van dit beheer aan een derde niet fiscaal wilde bevorderen. Hieruit volgt dat deze vrijstelling moet worden opgevat als een vrijstelling die betrekking heeft op kredietbeheer dat plaatsvindt in het kader van de kredietrelatie tussen de oorspronkelijke kredietverstrekker en de kredietnemer.

35 Deze uitlegging wordt bevestigd door de doelstellingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Deze doelstellingen vereisen niet dat de vrijstelling van deze bepaling van toepassing is op kredietbeheer wanneer dit wordt verricht door de persoon die kredieten heeft verleend, maar deze vervolgens aan een andere persoon heeft overgedragen.

36 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt namelijk dat de vrijstelling voor financiële handelingen van artikel 13, B, onder d), van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1) en van artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn beoogt de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw te verhelpen en een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet te voorkomen (arresten van 19 april 2007, Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 24, en 10 maart 2011, Skandinaviska Enskilda Banken, C‑540/09, EU:C:2011:137, punt 21; zie in die zin ook arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 46).

37 Aangezien de vrijstellingen van artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn de voorheen in artikel 13, B, onder d), punten 1 tot en met 6, van de Zesde richtlijn opgenomen vrijstellingen overnemen zonder de inhoud ervan te wijzigen, blijft de rechtspraak over laatstgenoemde bepalingen relevant voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de btw-richtlijn (arrest van 26 mei 2016, Bookit, C‑607/14, EU:C:2016:355, punt 32).

38 Wat de eerste doelstelling betreft, namelijk het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw, stelt de Europese Commissie terecht dat deze doelstelling niet aan de orde is in een situatie als in het hoofdgeding waarin het kredietbeheer wordt uitgevoerd door de persoon die deze kredieten heeft verleend, maar deze vervolgens aan een andere persoon heeft overgedragen.

39 De moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw doen zich namelijk doorgaans voor in de relatie tussen de oorspronkelijke kredietverstrekker en de kredietnemer, waarin het moeilijk kan zijn om de vrijgestelde tegenprestatie voor de kredietverstrekking te onderscheiden van de tegenprestatie voor het daarmee samenhangende beheer. In een situatie als in het hoofdgeding, waarin het kredietbeheer door A aan B afzonderlijk in rekening wordt gebracht op basis van de werkelijke kosten en een overeengekomen winstopslag, doen dergelijke moeilijkheden zich niet voor. Deze omstandigheid ondersteunt de uitlegging dat de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zich niet uitstrekt tot de aldus uitbestede beheerdiensten.

40 Deze overwegingen worden bevestigd door de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn in het licht van de tweede doelstelling, namelijk het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.

41 Ten eerste worden deze diensten niet rechtstreeks aan de kredietnemers in rekening gebracht in een situatie als in het hoofdgeding, waarin de onderneming die de kredieten heeft overgedragen beheerdiensten verricht voor de onderneming die de kredieten heeft verkregen, en niet voor de kredietnemers. De kredietnemers, die deze diensten niet afnemen, kunnen de btw over deze diensten dus niet rechtstreeks betalen.

42 Ten tweede kan weliswaar niet worden uitgesloten dat de btw over de diensten voor kredietbeheer die de overdrager voor de verkrijger verricht, een indirecte invloed heeft op de financieringskosten voor de kredietnemers, maar dit betekent niet dat het btw-bedrag automatisch naar hen wordt verschoven. Het risico dat deze kosten aan de kredietnemer worden doorberekend, hangt met name af van de specifieke kredietvoorwaarden, de financiële en marketingstrategie van de betrokken ondernemingen of de mededingingssituatie op de markt.

43 In ieder geval kan elke uitbesteding van het kredietbeheer tot hogere kosten leiden, ongeacht of de beheerdiensten aan btw zijn onderworpen.

44 Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak dat de btw-richtlijn dient te worden uitgelegd in overeenstemming met het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit, dat zich ertegen verzet dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de btw-heffing verschillend worden behandeld. De lidstaten moeten bij de inning van de btw steeds dit beginsel eerbiedigen (zie arresten van 17 december 2015, WebMindLicenses, C‑419/14, EU:C:2015:832, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 april 2016, Degano Trasporti, C‑546/14, EU:C:2016:206, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Zoals de advocaat-generaal in punt 36 van haar conclusie heeft benadrukt, mag er voor btw-doeleinden geen verschil in behandeling zijn tussen aan een verkrijger verkochte diensten voor kredietbeheer naargelang deze diensten worden verricht door de overdrager die de kredieten oorspronkelijk heeft verleend dan wel door een andere persoon. In het laatste geval is het duidelijk dat de beheerdiensten aan btw zijn onderworpen.

46 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

Tweede vraag

47 Met zijn tweede vraag, die is gesteld voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten voor kredietbeheer die worden verricht door degene die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie, van btw moeten worden vrijgesteld voor zover zij bestaan in het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen in de zin van deze bepaling.

48 Volgens artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen die betrekking hebben op „de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”.

49 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat dit verzoek hoofdzakelijk betrekking heeft op het eerste onderdeel van deze bepaling, namelijk de vraag of de betrokken diensten kunnen worden aangemerkt als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn.

50 In dit verband moet worden vastgesteld dat diensten die bestaan in het beheer van kredieten ten behoeve van de koper ervan, zoals de diensten die in casu aan de orde zijn, als zodanig niet kunnen worden aangemerkt als het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen in de zin van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn. Het aangaan van dergelijke verbintenissen kan namelijk niet worden gelijkgesteld met het beheer van krediet dat als zekerheid dient, temeer daar de enige vrijgestelde vorm van beheer die in deze bepaling wordt genoemd betrekking heeft op het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend.

51 Bovendien wordt kredietbeheer uitdrukkelijk genoemd in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van haar conclusie heeft benadrukt, zou de beperking van de werkingssfeer van de btw-vrijstelling voor kredietbeheer, waarvan artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn bepaalt dat zij alleen van toepassing is op degene die het krediet heeft verleend, haar nuttig effect verliezen indien artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn op kredietbeheer zou worden toegepast.

52 Hieruit volgt dat op de tweede vraag moet worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de vrijstelling voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen niet van toepassing is op diensten voor kredietbeheer die worden verricht door de persoon die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een obligatie die is uitgegeven door een andere financiële instelling waaraan die kredieten zijn overgedragen.

Derde vraag

53 Met zijn derde vraag, die is gesteld voor het geval dat de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de daarin bedoelde vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen van toepassing is op het beheer door de overdrager van aan een andere onderneming overgedragen kredieten.

54 Volgens artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor handelingen betreffende „deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen”.

55 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn genoemde handelingen financiële handelingen zijn en met name betrekking hebben op betalingsinstrumenten die een geldoverdracht impliceren (zie arrest van 1 augustus 2025, Határ Diszkont, C‑427/23, EU:C:2025:596, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 De feitelijke of potentiële eigendomsoverdracht van de betrokken middelen als gevolg van de handeling in kwestie of het feit dat die handeling de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht vervult, dus het criterium aan de hand waarvan een handeling die leidt tot een overmaking van geld en juridische en financiële wijzigingen meebrengt en die onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn valt, kan worden onderscheiden van een handeling zonder deze gevolgen, die derhalve niet onder die vrijstelling valt (zie arrest van 1 augustus 2025, Határ Diszkont, C‑427/23, EU:C:2025:596, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 In casu wijst niets in het dossier erop dat de beheerdiensten die overeenkomen met de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving bestaan in een overdracht van de eigendom van tegoeden of tot gevolg hebben dat de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht worden vervuld, zodat dergelijke diensten geen van de handelingen betreffende schuldvorderingen vormen zoals bedoeld in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn.

58 Bovendien kan, zoals blijkt uit punt 51 hierboven, artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn niet worden geacht van toepassing te zijn op kredietbeheer, teneinde te voorkomen dat de beperking van de werkingssfeer van de btw-vrijstelling voor kredietbeheer, waarvan artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn bepaalt dat zij alleen van toepassing is op degene die het krediet heeft verleend, haar nuttig effect verliest.

59 Hieruit volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen.

Kosten

60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

verklaart voor recht:

1) Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

de daarin opgenomen vrijstelling voor kredietbeheer niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, vervolgens heeft overgedragen en onder bezwarende titel blijft beheren voor de verkrijger.

2) Artikel 135, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de vrijstelling voor het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen niet van toepassing is op diensten voor kredietbeheer die worden verricht door de persoon die het krediet heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die dienen als zekerheid voor een obligatie die is uitgegeven door een andere financiële instelling waaraan die kredieten zijn overgedragen.

3) Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

de daarin opgenomen vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen niet van toepassing is op diensten voor het beheer van kredieten die worden verricht door de persoon die deze kredieten heeft verleend, en die betrekking hebben op kredieten die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen.

Półtorak

Hesse

Steinfatt

Petrlík

Dimitrakopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 juni 2026.

ondertekeningen

* Procestaal: Fins.

ECLI:EU:T:2026:399

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. BRKAN

van 25 februari 2026 (1)

Zaak T‑184/25

Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö

in tegenwoordigheid van:

A Oy

[verzoek van de Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Vrijstellingen – Beheer van kredieten en kredietgaranties – Handelingen betreffende schuldvorderingen – Eén enkele prestatie – Verkoop van door een eerste financiële vennootschap aan haar klanten verleende kredieten aan een tweede financiële vennootschap – Voortgezet beheer van de kredieten door de eerste vennootschap – Kredietvorderingen die dienen als zekerheid voor een door de tweede vennootschap uitgegeven obligatie ”

 

 

 

Inleiding

1. De onderhavige zaak behoort tot de talloze prejudiciële zaken betreffende vrijstellingen van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor financiële diensten.(2) De toepassing van de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG(3) over deze vrijstellingen, die in de jaren zeventig zijn uitgewerkt in het kader van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)(4), heeft tal van vragen doen rijzen en ook een behoefte aan hervormingen aan het licht gebracht(5).

2. In de onderhavige zaak moet het Gerecht zich buigen over de vrijstelling van btw voor bepaalde handelingen uit een commerciële praktijk in de financiële sector, namelijk de securitisatie van woningkredieten. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde groep vennootschappen is voornemens om woningkredieten van de oorspronkelijke kredietverstrekkende vennootschap over te dragen aan een specifieke vennootschap zodat deze obligaties kan uitgeven waarvoor deze kredietvorderingen als zekerheid dienen, terwijl het beheer van deze kredieten bij de oorspronkelijke kredietgever blijft. In het hoofdgeding, dat betrekking heeft op een door de oorspronkelijke kredietgever ingediend verzoek om een ruling, rijst de vraag of dat beheer van kredieten van btw is vrijgesteld.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3. Volgens artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn zijn aan de btw onderworpen „de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.

4. Artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn verplicht de lidstaten om de volgende handelingen van btw vrij te stellen:

„[…]

b) de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend;

c) de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend;

d) handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen;

[…]”

5. De in het voorgaande punt weergegeven bepalingen komen overeen met artikel 13, B, onder d), punten 1 tot en met 3, van de Zesde richtlijn, die met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken en vervangen door de btw-richtlijn.

Fins recht

6. De btw-richtlijn is in Fins recht omgezet bij wet 1501/1993 van 30 december 1993 betreffende de btw, zoals gewijzigd (hierna: „btw-wet”).

7. Volgens § 42, lid 1, punten 2 en 3, van de btw-wet, gelezen in samenhang met § 41 ervan, zijn de verlening van kredieten en van andere vormen van financiering, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, vrijgesteld van btw.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

8. Het geschil in het hoofdgeding betreft een door de vennootschap A Oy aangevraagde ruling. In haar verzoek om een ruling heeft deze vennootschap een uiteenzetting van de feiten gegeven, zodat de keskusverolautakunta (centrale belastingcommissie, Finland) de btw-gevolgen van de voorgenomen transacties kon bepalen. Deze uiteenzetting kan als volgt worden samengevat, voor zover relevant voor de onderhavige zaak.

9. A is het hoofdkantoor van een bank in Finland. Deze vennootschap verstrekt kredieten voor de financiering van woningen. Nadat de kredieten zijn opgenomen, wordt een groot deel ervan onmiddellijk verkocht aan de vennootschap B Oy, een 100 % dochteronderneming van A. Deze verkoop gaat gepaard met de overdracht aan B van alle uit de kredieten voortvloeiende rechten en verplichtingen. Het grootste deel van de aan B verkochte kredieten dient als zekerheid voor door deze vennootschap uitgegeven obligaties. A blijft niettemin verantwoordelijk voor het beheer van de kredieten, inclusief de daaraan verbonden garanties, en vertegenwoordigt B ten aanzien van de kredietnemers. Voor dit beheer ontvangt A van B een marktconforme vergoeding.

10. In de ruling heeft de centrale belastingcommissie ten eerste vastgesteld dat de verkoop van kredieten door A aan B van btw is vrijgesteld op grond van § 42, lid 1, punt 2, van de btw-wet. Ten tweede heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de door A aan B verleende diensten voor het beheer van kredieten door de kredietgever worden verricht overeenkomstig § 42, lid 1, punt 3, van de btw-wet en bijgevolg van btw zijn vrijgesteld, met uitzondering van de incassodiensten. De veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö (Finse dienst voor het toezicht op de rechten van rechthebbenden op belastingen) heeft beroep ingesteld tegen deze ruling en daarin aangevoerd dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten alleen van toepassing is wanneer de belastingplichtige zowel kredietgever als kredietbeheerder is. In casu was A niet langer de kredietgever.

11. De Korkein hallinto-oikeus (hoogste bestuursrechter, Finland), de verwijzende rechter in deze zaak, is van mening dat het Unierecht, namelijk artikel 135, lid 1, onder b) tot en met d), van de btw-richtlijn, aldus kan worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn de betrokken handelingen vrij te stellen. Niettemin heeft deze rechter, in het licht van een andersluidende beslissing van de Högsta förvaltningsdomstol (hoogste bestuursrechter, Zweden)(6), de behandeling van de zaak geschorst en in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Moet, indien een financiële onderneming de door haar aan een klant verstrekte kredieten aan een andere financiële instelling verkoopt en deze kredieten zelf tegen vergoeding blijft beheren, nadat deze zijn verkocht,

artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming de door haarzelf verstrekte kredieten die zij aan die andere financiële instelling heeft verkocht, blijft beheren?

2) Moet, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het beheer van kredieten door de eerste onderneming betrekking heeft op kredieten die als zekerheden voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie dienen,

artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het aangaan van borgtochten en andere zekerheids‑ en garantieverbintenissen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming kredieten beheert die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie?

3) Moet, indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord,

artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van handelingen betreffende schuldvorderingen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming schuldvorderingen beheert die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen?”

Analyse

Opmerkingen vooraf

12. De onderhavige zaak betreft in wezen de btw over de securitisatie van woningkredieten. Securitisatie heeft betrekking op transacties die onder meer een kredietgever in staat stellen een samenstel van leningen te herfinancieren door ze om te zetten in verhandelbare effecten.(7) In het kader van een dergelijke transactie draagt bijvoorbeeld een vennootschap die deel uitmaakt van een bankgroep en die onder meer woningkredieten verstrekt, deze kredieten over aan een speciale entiteit(8) binnen diezelfde groep, zodat die entiteit verhandelbare obligaties kan uitgeven die worden gedekt door de overgedragen kredietvorderingen. Met deze transactie kan de bankgroep haar activiteiten herfinancieren. Aangezien de speciale entiteit enkel het herfinancieringsinstrument uitgeeft, blijft het beheer van de kredieten onder de verantwoordelijkheid van de bank die de woningkredieten heeft verstrekt en die over de daartoe nodige competenties en middelen beschikt.

13. Wat de fiscale behandeling van de securitisatie van kredieten betreft, zou het voor de bankgroep voordelig zijn als de vergoeding die de bank van de speciale entiteit ontvangt voor het beheer van de kredieten, niet aan btw onderworpen is. Die speciale entiteit heeft namelijk geen recht op aftrek van btw, aangezien haar activiteiten op het gebied van de uitgifte van obligaties en de verlening van kredieten van deze belasting zijn vrijgesteld.(9) Indien deze handeling niet was vrijgesteld, zou de bankgroep bijgevolg de btw over het beheer van kredieten moeten dragen.

14. Hoewel een groot deel van de activiteiten in de financiële sector op grond van artikel 135, lid 1, onder a) tot en met g), van de btw-richtlijn van btw is vrijgesteld, zijn de vrijstellingen niet algemeen van toepassing op alle activiteiten van deze sector. In het kader van de drie prejudiciële vragen moeten dus de drie belastingvrijstellingen worden onderzocht die op het beheer van de kredieten in kwestie van toepassing zouden kunnen zijn. Bij dit onderzoek zal ik tevens ingaan op de rechtspraak van het Hof met betrekking tot de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn, die relevant blijft voor de uitlegging van de btw-richtlijn.(10)

Eerste prejudiciële vraag

15. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

16. Het antwoord op deze prejudiciële vraag hangt af van de uitlegging van het begrip „beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”. Hoewel er geen twijfel over lijkt te bestaan dat de betrokken handelingen onder „beheer van kredieten” vallen, rijst de vraag welke btw-plichtigen die kredieten beheren, voor deze vrijstelling in aanmerking kunnen komen.

17. Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt.(11)

Bewoordingen en context van de vrijstelling

18. Wat de letterlijke uitlegging betreft, volgt uit een vergelijking van de verschillende taalversies dat de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn op twee verschillende manieren kunnen worden uitgelegd, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan hetzij de oorspronkelijke kredietgever, hetzij de huidige kredietgever. De eerste uitlegging, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan de oorspronkelijke kredietgever, vloeit met name voort uit de Griekse, de Franse en de Nederlandse taalversie, waarin een werkwoord in de verleden tijd wordt gebruikt om de verlening van kredieten te beschrijven.(12) Dat betekent dat de persoon die de vrijstelling geniet, degene is die het kredietbedrag in het verleden en aan het begin van de contractuele relatie aan de kredietnemer heeft uitgekeerd. De tweede uitlegging, namelijk dat de vrijstelling is voorbehouden aan de huidige kredietgever, vindt in het bijzonder steun in de Engelse, de Kroatische, de Roemeense en de Sloveense taalversie van de tekst, waarin wordt verwezen naar het bestaan, op dat moment, van het krediet door gebruikmaking van het equivalent van het werkwoord verlenen in de tegenwoordige tijd.(13) De Duitse en de Finse taalversie van de bepaling kan zelfs volgens deze beide uitleggingen worden begrepen.(14) Tegen die achtergrond bieden de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn geen eenduidig antwoord op de vraag welke personen in aanmerking komen voor de vrijstelling voor het beheer van kredieten.

19. De context van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn biedt evenmin verdere duidelijkheid. Artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn, dat onder meer voorziet in de betreffende vrijstelling, somt een reeks vrijgestelde handelingen op die los van elkaar staan en waarvan het enige gemeenschappelijke kenmerk is dat zij niet behoren tot de activiteiten van algemeen belang waarvoor uitsluitend de vrijstellingen gelden die in artikel 132 van de btw-richtlijn zijn opgenomen. In het opschrift van artikel 135 wordt alleen verwezen naar „andere activiteiten” die op grond van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld. Voor zover andere bepalingen van deze richtlijn verwijzen naar artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn(15) wordt in dit verband slechts gezamenlijk verwezen naar meerdere vrijstellingen voor de in lid 1 genoemde financiële handelingen. Uit deze verwijzingen kunnen dus geen conclusies worden getrokken in verband met de vrijstelling voor het beheer van kredieten.

Doel van de vrijstelling

20. Aangezien de letterlijke en systematische uitlegging geen sluitend antwoord oplevert, is een teleologische uitlegging noodzakelijk. Volgens vaste rechtspraak moeten de bewoordingen waarin de in artikel 135 van de btw-richtlijn bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt worden uitgelegd; de uitlegging ervan moet echter in overeenstemming zijn met de door die vrijstellingen nagestreefde doeleinden.(16)

21. De in artikel 135, lid 1, onder a) tot en met g), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling voor financiële handelingen beoogt, ten eerste, het verhelpen van de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag en het bedrag van de aftrekbare btw en, ten tweede, het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.(17) Meer in het bijzonder beoogt de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn voornamelijk het tweede doel, namelijk het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van consumentenkrediet.(18)

22. In dit verband onderschrijf ik het standpunt van de verwijzende rechter dat dit doel ook geldt voor de in deze zaak aan de orde zijnde woningkredieten, ook al gaat het strikt genomen niet om consumentenkredieten. Ten eerste volgt namelijk uit de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), dat deze bepaling betrekking heeft op alle kredieten. Ten tweede heeft het Hof nooit geoordeeld dat de vrijstelling alleen geldt voor consumentenkredieten. Het Hof heeft in de hierboven bedoelde zaken(19) weliswaar verwezen naar „consumentenkredieten” toen het doel van deze vrijstellingen aan de orde kwam. Deze verwijzing is echter te verklaren uit het feit dat de betrokken vrijstelling alleen voor consumenten een verlichting van de belastingdruk met zich brengt, aangezien belastingplichtigen ook zonder de belastingvrijstelling dankzij de aftrek van voorbelasting in beginsel geen extra kosten voor het krediet hoeven te dragen.(20)

23. Het doel om een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet te voorkomen biedt echter evenmin een sluitend antwoord op de gestelde vraag. Vastgesteld moet worden dat beide mogelijke uitleggingen, zowel de uitlegging dat de vrijstelling is voorbehouden aan de huidige kredietgever als de uitlegging dat de vrijstelling is voorbehouden aan de oorspronkelijke kredietgever, een verhoging met zich kunnen brengen van de kostprijs van de kredieten bij verkoop daarvan.

24. Mocht het beheer van kredieten door de huidige kredietgever op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zijn vrijgesteld, dan zou de kostprijs van het krediet hoger worden indien een kredietverkoper, die de oorspronkelijke kredietgever was, de kredieten zou blijven beheren, zoals in casu het geval is. Dit beheer zou namelijk worden aangemerkt als een door de verkoper aan de koper verrichte dienst die aan btw is onderworpen en niet daarvan is vrijgesteld op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Aangezien de activiteit van de koper van de kredieten van btw zou zijn vrijgesteld(21), zou deze koper de door de verkoper geheven btw over het beheer van kredieten moeten dragen(22) en zou hij hoogstwaarschijnlijk trachten deze belasting door te berekenen aan de kredietnemers, waardoor de kostprijs van het krediet voor de kredietnemers hoger zou worden.

25. Mocht de vrijstelling in kwestie echter gelden voor het beheer van kredieten door de oorspronkelijke kredietgever, dan zou de kostprijs van het krediet in beide gevallen hoger worden, zowel wanneer de koper van de kredieten voor dat beheer instaat als wanneer de verkoper van de kredieten dat blijft doen. In het eerste geval zou de koper diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen verrichten die afzonderlijk aan de kredietnemers worden aangerekend. Deze diensten zouden niet van btw zijn vrijgesteld, aangezien de koper niet de oorspronkelijke kredietgever is die als enige voor de betrokken vrijstelling in aanmerking zou kunnen komen. De koper zou dus btw over deze diensten in rekening moeten brengen, wat voor de consument een verhoging van de kostprijs van het krediet met zich zou brengen. In het tweede geval, namelijk wanneer de verkoper de kredieten voor de koper blijft beheren, is dat beheer voor rekening van de koper weliswaar wel vrijgesteld van btw, maar geldt deze vrijstelling niet voor de diensten op het gebied van kredietbeheer die de verkoper namens de koper in rekening brengt aan de kredietnemers. Die diensten worden namelijk vanuit btw-oogpunt verricht door de koper. Door op te treden namens de koper voldoet de verkoper aan de contractuele verplichtingen van de koper jegens de kredietnemers. Deze diensten zouden dus niet vallen onder de vrijstelling in kwestie, aangezien deze niet geldt voor het beheer door de huidige kredietgever, namelijk de koper, wat voor de consumenten eveneens zou resulteren in een verhoging van de kostprijs van het krediet.

26. Er kan niet staande worden gehouden dat de door de huidige kredietgever jegens de kredietnemers verrichte diensten op het gebied van kredietbeheer in ieder geval zijn vrijgesteld van btw, dus ook zonder inroeping van de in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling voor het beheer van kredieten. Zowel de verwijzende rechter als de Finse regering is van mening dat de huidige kredietgever zijn diensten op het gebied van kredietbeheer in de regel niet aan de kredietnemers verkoopt. Bovendien voeren zij aan dat, zelfs indien de huidige kredietgever een afzonderlijke vergoeding voor zijn diensten in rekening zou brengen – bijvoorbeeld verwerkingskosten in verband met de termijnbetalingen van kredieten – deze vergoeding in werkelijkheid zou neerkomen op een tegenprestatie voor de op grond van die bepaling vrijgestelde kredietverlening.

27. Niettemin bestaan er, ten eerste, door de huidige kredietgever verrichte diensten die kunnen worden aangemerkt als diensten op het gebied van kredietbeheer die losstaan van de diensten op het gebied van kredietverlening. Wanneer de huidige kredietgever kosten aan een kredietnemer in rekening brengt voor bijvoorbeeld een rentecertificaat, lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat deze dienst kan worden geacht deel uit te maken van de kredietverlening. Bovendien zijn er nog andere voorbeelden waarbij het op zijn minst moeilijk te bepalen is of het een dienst betreft die losstaat van de kredietverlening, zoals de ontbinding van een kredietovereenkomst tegen betaling van een vergoeding voor vervroegde aflossing.(23) Indien het beheer van kredieten niet van btw was vrijgesteld, zou er over dergelijke diensten van de huidige kredietgever btw verschuldigd zijn.

28. Ten tweede bestaat er inderdaad een andere hypothese waarin de door de huidige kredietgever verrichte diensten op het gebied van kredietverlening voor vrijstelling in aanmerking kunnen komen, zonder dat de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn voor het beheer van kredieten wordt toegepast. Volgens vaste rechtspraak van het Hof deelt een bijkomende prestatie namelijk het fiscale lot van de hoofdprestatie.(24) Voor zover het beheer van kredieten wordt aangemerkt als een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten zou de vrijstelling voor de verlening van kredieten ook gelden voor het beheer ervan. Het Hof heeft echter geoordeeld dat een prestatie in het bijzonder als bijkomend bij een hoofdprestatie moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie.(25) Bovendien volgt eveneens uit de rechtspraak van het Hof dat er geen absolute regel bestaat om te bepalen of een prestatie het fiscale lot van een andere prestatie deelt en dat er altijd rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling is verricht.(26) In het licht van deze in de rechtspraak gestelde vereisten betwijfel ik of alle diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen worden beschouwd als een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten. Dat geldt met name voor de bovengenoemde voorbeelden, aangezien een rentecertificaat andere doelen dient dan de kredietovereenkomst en de voortijdige ontbinding van deze overeenkomst evenmin een „middel” is „om optimaal gebruik te maken” van de verlening van het krediet.

29. Ten derde delen vrijwel alle lidstaten de overtuiging dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten van essentieel belang is voor de huidige kredietgever. Tijdens hun beraadslagingen in het btw-comité waren de lidstaten het er namelijk vrijwel unaniem over eens dat, in het geval van een door een bankenconsortium verleend krediet, het beheer van dit krediet door een lid van dat consortium in ruil voor een door de kredietnemer betaalde vergoeding, niet valt onder de vrijstelling voor de verlening van kredieten, maar onder die voor het beheer van kredieten overeenkomstig artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn.(27) Hieruit volgt duidelijk dat de vrijstelling voor het beheer van kredieten op grond van deze bepaling noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat alle kredietgerelateerde handelingen van de huidige kredietgever zijn vrijgesteld.

Doel van de beperking van de personele werkingssfeer

30. Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag niet kan worden afgeleid uit het algemene doel van de betrokken vrijstelling, moet meer specifiek worden vastgesteld waarom de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten beperkt is tot bepaalde belastingplichtigen. De bewoordingen van de vrijstelling zien namelijk duidelijk enkel op het beheer van kredieten door specifieke personen.

31. De Uniewetgever heeft evenwel geen aanwijzingen gegeven over het doel van de beperking van de personele werkingssfeer van deze vrijstelling.

32. Dat geldt in de eerste plaats voor de totstandkomingsgeschiedenis van de betrokken bepaling. Artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn vervangt artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn, waarvan de bewoordingen identiek waren. Het door de Commissie ingediende voorstel voor een zesde richtlijn voorzag enkel in de vrijstelling voor „kredietverrichtingen”, zonder verwijzing naar het beheer van kredieten, terwijl de definitieve versie van de Zesde richtlijn, zoals deze door de Raad was goedgekeurd, ook de vrijstelling voor het beheer van kredieten omvatte.(28) Hoewel de toevoeging door de Raad van de vrijstelling voor het beheer van kredieten in de definitieve tekst het gevolg kan zijn van het verzoek van het Economisch en Sociaal Comité om nadere bepaling van de draagwijdte van de begrippen waarvoor deze vrijstelling geldt(29), blijft er onzekerheid over de oorsprong van de bewoordingen „door degene die ze heeft verleend”.

33. In de tweede plaats bevat de overgangsregeling voor de desbetreffende vrijstelling, waarin de Zesde richtlijn had voorzien en die tot en met 31 december 1990 van toepassing was(30), geen aanwijzingen voor de redenen die de Uniewetgever ertoe hebben gebracht om de personele werkingssfeer van de vrijstelling in kwestie te beperken. Volgens deze regeling was het de lidstaten op grond van artikel 28, lid 3, onder b), van deze richtlijn en punt 13 van bijlage F daarbij toegestaan om tijdens deze overgangsperiode de vrijstelling te behouden voor het „[b]eheer van kredieten […] door een persoon of instelling, andere dan die welke de kredieten heeft verstrekt”. Deze bepaling van de overgangsregeling beoogde dus de vrijstelling van het beheer van kredieten dat niet was vrijgesteld op grond van artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn, thans artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn. Hieruit zou a contrario kunnen worden afgeleid dat die vrijstelling, die niet van tijdelijke aard was, alleen gold voor het beheer door personen „die de kredieten hebben verstrekt”. Deze redenering vindt met name bevestiging in de Duitse en de Engelse taalversie van de overgangsregeling, waarin een werkwoord in de verleden tijd wordt gebruikt(31), hoewel dat niet het geval is in de tekst van de vrijstelling zoals die in de Zesde richtlijn is opgenomen(32). Dat zou erop kunnen wijzen dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om de personele werkingssfeer van de in artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn neergelegde vrijstelling voor het beheer van kredieten te beperken tot de oorspronkelijke kredietgever. Niettemin moet worden vastgesteld dat er sprake is van semantische discrepanties tussen enerzijds meerdere taalversies van de overgangsregeling en anderzijds de bewoordingen van de in artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn neergelegde vrijstelling.(33) Het staat dan ook vast dat de Uniewetgever bij het opstellen van de Zesde richtlijn de bewoordingen van deze vrijstelling niet heeft afgestemd op die van de overgangsregeling, zodat het mij moeilijk lijkt om uit deze overgangsregeling af te leiden welk doel de Uniewetgever met de beperking van de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor ogen had.

34. In het licht van het bovenstaande blijkt duidelijk uit de bewoordingen van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn dat de Uniewetgever de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten heeft willen beperken, zonder evenwel de ratio legis daarvan nader te preciseren. Het enige dat kan worden afgeleid uit het bestaan zelf van een beperking van de personele werkingssfeer – hetzij tot de oorspronkelijke kredietgever, hetzij tot de huidige kredietgever – is dat het niet de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om de uitbesteding van het beheer van kredieten aan derden fiscaal aan te moedigen.

Fundamentele beginselen van het gemeenschappelijk btw-stelsel

35. Aangezien het niet mogelijk is om te achterhalen welk doel de Uniewetgever met de beperking van de personele werkingssfeer voor ogen had, moet deze beperking worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene beginselen van het gemeenschappelijke btw-stelsel. Deze benadering kan leiden tot de conclusie dat het beheer van kredieten niet van btw moet worden vrijgesteld, tenzij het gaat om een bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten door de huidige kredietgever.(34) Op die wijze beoogt de vrijstelling voor het beheer van kredieten te waarborgen dat alle prestaties die in het kader van een kredietrelatie worden verricht, van btw worden vrijgesteld, terwijl tegelijkertijd wordt uitgesloten dat het beheer van kredieten onder vrijstelling van btw aan een willekeurige derde wordt uitbesteed.

36. In de eerste plaats voldoet alleen deze uitlegging aan het beginsel van fiscale neutraliteit. Dit beginsel moet namelijk worden geëerbiedigd in het kader van de in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling.(35) Het beginsel van fiscale neutraliteit vereist dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten, vanuit het oogpunt van de btw niet verschillend worden behandeld.(36) Volgens dit beginsel mag er, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, voor btw-doeleinden geen verschil in behandeling zijn tussen diensten op het gebied van kredietbeheer naargelang een kredietgever deze diensten uitbesteedt aan de persoon die het krediet oorspronkelijk heeft verleend of aan een andere persoon.

37. In de tweede plaats staat de uitlegging dat alleen het beheer van kredieten door de huidige kredietgever op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn is vrijgesteld, in de weg aan fiscale constructies met als doel om het beheer van kredieten onder vrijstelling van btw door een willekeurige derde te laten verrichten. De bestrijding van belastingontwijking en misbruik is immers een doelstelling die door de btw-richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd.(37) Indien de vrijstelling in kwestie aldus wordt uitgelegd dat zij geldt voor het door de oorspronkelijke kredietgever verrichte beheer, zou elke kredietgever het beheer van het krediet onder vrijstelling van btw kunnen uitbesteden aan een willekeurige derde, waarbij hij de formele verlening van het krediet in het kader van dat beheer aan die derde overlaat om het vervolgens onmiddellijk van hem terug te kopen. Op die wijze zou de beperking van de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten worden omzeild en zou zij elke werking verliezen.

Antwoord op de eerste prejudiciële vraag

38. Gelet op de bovenstaande overwegingen stel ik voor om op de eerste vraag te antwoorden dat artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

Tweede prejudiciële vraag

39. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

40. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat noch de verwijzende rechter, noch de partijen in het hoofdgeding, noch de andere partijen in deze procedure uitvoerig zijn ingegaan op de eventuele toepassing van deze bepaling. De verwijzende rechter heeft alleen aangegeven dat de omstandigheid dat de door A beheerde kredieten als zekerheid dienen voor een door B uitgegeven obligatie, tot gevolg zou kunnen hebben dat de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling van toepassing is.

41. Deze bepaling valt uiteen in twee delen. Ten eerste strekt zij tot vrijstelling voor „de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen”. Ten tweede geldt de vrijstelling voor „het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”.

42. Wat het eerste deel van de bepaling betreft, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen ervan uiteenlopen naargelang van de verschillende taalversies.(38) Hoewel er geen enkele grond is om aan te nemen dat het beheer van kredieten die als zekerheid dienen voor een door de koper ervan uitgegeven obligatie, iets heeft uit te staan met „de bemiddeling bij [of] het aangaan” van garantieverbintenissen in de zin van de Franse taalversie van deze bepaling(39), valt niet uit te sluiten dat dit beheer wordt bedoeld met de in de Engelse taalversie gebruikte uitdrukking „any dealings in credit guarantees”.(40)

43. Niettemin blijkt duidelijk uit de context van de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling dat deze bepaling niet van toepassing is op het beheer van kredieten.

44. De in artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling strekt zich namelijk al uitdrukkelijk uit tot „het beheer van kredieten”. De uitdrukkelijke opname van het beheer van kredieten in de werkingssfeer van deze vrijstelling zou, zoals de Commissie in wezen aanvoert in haar schriftelijke opmerkingen, geen nuttig effect hebben indien het beheer van kredieten ook binnen de werkingssfeer van andere vrijstellingen zou vallen.

45. Indien de in artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn neergelegde vrijstelling ook geldt voor het beheer van kredieten, zou bovendien de in punt b) gestelde beperking aan de personele werkingssfeer van de vrijstelling voor het beheer van kredieten worden omzeild.

46. Om dergelijke gevolgen te vermijden, dient artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn te worden beschouwd als een lex specialis die van toepassing is op vrijstellingen voor handelingen ter zake van het beheer van kredieten. Bijgevolg is het eerste deel van artikel 135, lid 1, onder c), van die richtlijn niet van toepassing op het beheer van kredieten.

47. Wat het tweede deel van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn betreft, namelijk „het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend”, moet worden vastgesteld dat deze kwestie weliswaar niet uitdrukkelijk door de verwijzende rechter aan de orde is gesteld, maar het door de oorspronkelijke kredietgever verrichte beheer van kredietgaranties voor de koper van de desbetreffende kredieten op grond van artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn evenmin van btw is vrijgesteld. Volgens deze bepaling is dat beheer van kredietgaranties alleen vrijgesteld indien het wordt verricht door „degene die het krediet heeft verleend”. Er is geen enkele reden om hier een andere uitlegging aan deze uitdrukking te geven dan ik in het kader van de eerste prejudiciële vraag heb voorgestaan, zodat het beheer van kredietgaranties alleen is vrijgesteld wanneer het wordt verricht door de huidige kredietgever.(41)

48. Bijgevolg moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

Derde prejudiciële vraag

49. Tot slot moet de derde prejudiciële vraag worden onderzocht waarmee de verwijzende rechter in essentie wenst te vernemen of artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, onder de vrijstelling van deze bepaling valt. Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter te vernemen of dat beheer van kredieten op grond van deze bepaling kan worden vrijgesteld als „handelingen […] betreffende betalingen” of als „handelingen betreffende schuldvorderingen”.

50. Zelfs indien wordt aangenomen dat bepaalde diensten op het gebied van kredietbeheer kunnen vallen onder de definitie van handelingen betreffende betalingen(42) of schuldvorderingen, is artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn desalniettemin niet van toepassing op het beheer van kredieten. Wat de vrijstelling voor het beheer van kredieten betreft, geldt immers de lex specialis van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, zoals al vermeld in het kader van de beantwoording van de tweede vraag.(43)

51. De vraag rijst evenwel of het beheer van kredieten in de onderhavige zaak indirect in aanmerking zou kunnen komen voor de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, aangezien dit beheer een bijkomende prestatie is bij de verkoop van kredieten en dus op grond van deze bepaling zou kunnen worden vrijgesteld. Ten eerste zou de verkoop van kredieten namelijk kunnen worden aangemerkt als een handeling betreffende schuldvorderingen in de zin van voornoemde bepaling. Ten tweede is het vaste rechtspraak dat verschillende formeel onderscheiden prestaties een hoofddienst vormen wanneer een of meer prestaties een hoofddienst vormen, terwijl de andere prestatie of prestaties een of meer bijkomende diensten vormen die het fiscale lot van de hoofddienst delen.(44) In dit verband wijs ik er louter ter informatie op dat de belastingdienst van ten minste één lidstaat al heeft geoordeeld dat het beheer van schuldvorderingen door de verkoper ervan als bijkomende prestatie in aanmerking komt voor de vrijstelling voor handelingen betreffende schuldvorderingen.(45)

52. Ik ben echter van mening dat het Gerecht in de onderhavige zaak niet kan vaststellen dat het beheer van kredieten door de verkoper ervan op de hierboven genoemde indirecte grond voor vrijstelling in aanmerking komt.

53. In de eerste plaats zou de toepassing van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn op het beheer van kredieten als bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten afbreuk doen aan het karakter van lex specialis van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat ziet op de vrijstelling voor het beheer van kredieten als bijkomende prestatie bij de verlening van kredieten. Uit de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn volgt dat het beheer van kredieten alleen moet worden vrijgesteld wanneer het een bijkomende prestatie vormt bij de verlening van kredieten.(46) Deze uitlegging zou mijns inziens worden omzeild wanneer het beheer van kredieten voor vrijstelling in aanmerking zou komen als bijkomende prestatie, dat wil zeggen als nevenprestatie, bij een prestatie die niet strekt tot de verlening van een krediet.

54. In de tweede plaats is in de bestreden ruling weliswaar vastgesteld dat de verkoop van de kredieten van btw was vrijgesteld, maar de vraag rijst of die vaststelling in overeenstemming is met het Unierecht. In het onderhavige geval behelst de verkoop van kredieten de overdracht van alle rechten en verplichtingen – en niet alleen de kredietvorderingen – die uit de kredietovereenkomsten voortvloeien. Zo heeft het Hof in een soortgelijke situatie al verklaard dat de verkoop van herverzekeringscontracten niet binnen de werkingssfeer van de vrijstellingen voor financiële diensten valt.(47) Het heeft met name geoordeeld dat de cessie van een portefeuille van herverzekeringscontracten niet kan worden vrijgesteld als een combinatie van het aangaan van verbintenissen in de zin van de bepaling die thans artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn is en van een handeling betreffende schuldvorderingen in de zin van de bepaling die thans artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn is. Naar analogie daarvan betwijfel ik dan ook of de verkoop van kredieten op grond van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn van btw kan worden vrijgesteld. Bijgevolg zou de vrijstelling voor het beheer van kredieten op grond van die bepaling, als bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten, enkel op de grond dat de verkoop van kredieten niet aan de criteria voor vrijstelling voldoet, al onmogelijk zijn.

55. In ieder geval beschikt het Gerecht niet over voldoende informatie om de vraag te kunnen beantwoorden of de verkoop van kredieten in het onderhavige geval op grond van artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn zou kunnen worden vrijgesteld, aangezien de verwijzende rechter deze vraag niet aan het Gerecht heeft voorgelegd.

56. In de derde en laatste plaats lijkt het mij weinig waarschijnlijk dat het beheer van kredieten een bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten vormt in de zin van de rechtspraak van het Hof.

57. Het Hof is van oordeel dat een prestatie in het bijzonder als bijkomend moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie.(48) Om te bepalen of aan dit criterium is voldaan, houdt het Hof rekening met het economische doel en met het belang van de ontvangers van de prestaties.(49) Bovendien benadrukt het Hof dat er geen absolute regel bestaat om te bepalen of een prestatie het fiscale lot van een andere prestatie deelt en dat er altijd rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling is verricht(50), hetgeen tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties behoort(51).

58. Het Hof heeft in zijn rechtspraak soms zelf gezinspeeld op concretere regels. Zo pleit de omstandigheid dat de beweerdelijke bijkomende prestatie op dezelfde wijze door een derde zou kunnen worden verricht(52) of dat de dienstverrichter deze prestatie in de praktijk los van de beweerdelijke bijkomende prestatie aanbiedt(53), tegen de hoedanigheid van bijkomende prestatie. Deze „onafhankelijkheidsregel” is mijns inziens passend om de fiscale neutraliteit te waarborgen en de mededinging te beschermen. Met name indien de beweerdelijke bijkomende prestatie ook afzonderlijk bij andere belastingplichtigen kan worden afgenomen, zouden deze een concurrentienadeel ondervinden wanneer die prestatie als vrijgesteld zou worden beschouwd op de enkele grond dat zij een bijkomende prestatie bij een andere prestatie vormt.

59. Aangezien het onderhavige geval betrekking heeft op het beheer van kredieten voor de koper ervan, komt de toepassing van de zogenoemde „onafhankelijkheidsregel” erop neer dat het bij voorbaat uitgesloten is dat dit beheer wordt beschouwd als een bijkomende prestatie bij de verkoop van kredieten. De koper van de kredieten zou het beheer ervan namelijk kunnen overdragen aan een andere belastingplichtige, zonder dat dit van invloed is op de verwerving van de kredietovereenkomsten, zodat het beheer van die kredieten een prestatie zou zijn die losstaat van de verkoop ervan. Op die wijze kan met de „onafhankelijkheidsregel” worden voorkomen dat de keuze van een dienstverrichter wordt beïnvloed door een gunstiger btw-behandeling.

60. In het licht van het voorgaande stel ik voor om op de derde vraag te antwoorden dat artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

Conclusie

61. Gelet op een en ander geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vragen van de Korkein hallinto-oikeus te beantwoorden als volgt:

„1) Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

2) Artikel 135, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten heeft verkocht en tegen vergoeding blijft beheren voor de koper ervan, die een obligatie heeft uitgegeven waarvoor deze kredieten als zekerheid dienen, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.

3) Artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112

moet aldus worden uitgelegd dat

het beheer van kredieten door een onderneming die deze kredieten, na de verlening ervan, heeft verkocht en tegen vergoeding voor de koper ervan blijft beheren, niet onder de vrijstelling van deze bepaling valt.”

M. Brkan

Genomen ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 februari 2026.

ondertekeningen

1 Oorspronkelijke taal: Frans.

2 Sinds het arrest van 19 januari 1982, Becker, 8/81, EU:C:1982:7, bestaat er een overvloedige rechtspraak op dit gebied.

3 Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

4 richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

5 Zie het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de behandeling van verzekerings- en financiële diensten, COM(2007) 747 definitief; Europese Commissie, Combined evaluation roadmap/inception impact assessment, 22 oktober 2020, Document Ares(2020)5770956.

6 Högsta förvaltningsdomstolen, arrest van 31 januari 2023, 4948‑22.

7 Zie in die zin overweging 1 van verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB 2017, L 347, blz. 35). Hoewel deze verordening niet het voorwerp uitmaakt van deze prejudiciële verwijzing, biedt zij een nuttige definitie van het begrip „securitisatie van kredieten”.

8 Een „special purpose entity voor securitisatiedoeleinden” (naar het Engelse „Securitisation Special Purpose Entity – SSPE”) in de zin van artikel 2, punt 2, van verordening 2017/2402.

9 Op grond van artikel 135, lid 1, onder b) en f), van de btw-richtlijn; overeenkomstig artikel 168 van deze richtlijn is het recht op aftrek van voorbelasting in beginsel afhankelijk van de belasting over in een later stadium verrichte handelingen.

10 Zie met name arrest van 15 mei 2019, Vega International Car Transport and Logistic, C‑235/18, EU:C:2019:412, punt 24, met betrekking tot artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, alsook in die zin arrest van 3 oktober 2019, Cardpoint, C‑42/18, EU:C:2019:822, punt 19, waarin het Hof met betrekking tot artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn heeft verklaard dat zijn rechtspraak met betrekking tot de btw-richtlijn relevant is voor de uitlegging van de Zesde richtlijn.

11 Arrest van 4 september 2025, Quirin Privatbank, C‑655/23, EU:C:2025:655, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

12 De Griekse taalversie luidt „που τις χορήγησε”, de Franse taalversie gebruikt de uitdrukking „qui les a octroyés”, terwijl de Nederlandse taalversie spreekt van „degene die deze heeft verleend”.

13 Door het gebruik van het onvoltooid deelwoord in de Engelse taalversie („the person granting it”) of van de tegenwoordige tijd in de Kroatische („koja ga odobrava”), de Roemeense („care le acordă”) en de Sloveense („ki kredit odobri”) taalversie.

14 Door het gebruik van de woorden „Kreditgeber” en „luotonantaja” in de Duitse respectievelijk de Finse taalversie, die naar mijn inzicht en voor zover ik kan nagaan zowel kunnen doelen op de kredietgever als op de rechtspositie van een aan een kredietovereenkomst gebonden persoon.

15 Het betreft artikel 137, lid 1, onder a), artikel 169, onder c), artikel 174, lid 2, onder c), artikel 220, lid 2, artikel 221, lid 2, en artikel 288, lid 1, onder e), van de btw-richtlijn.

16 Zie in die zin arresten van 6 november 2003, Dornier, C‑45/01, EU:C:2003:595, punt 42; 24 november 2022, CIG Pannónia Életbiztosító, C‑458/21, EU:C:2022:924, punt 20, en 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punten 46 en 47.

17 Zie in die zin arresten van 19 april 2007, Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 24; 22 oktober 2009, Swiss Re Germany Holding, C‑242/08, EU:C:2009:647, punt 49, en 10 maart 2011, Skandinaviska Enskilda Banken, C‑540/09, EU:C:2011:137, punt 21.

18 Arrest van 6 oktober 2022, O. Fundusz Inwestycyjny Zamknięty reprezentowany przez O, C‑250/21, EU:C:2022:757, punt 41.

19 Zie de voetnoten 17 en 18 supra.

20 Zie Hutchings, G., Les opérations financières et bancaires et la taxe sur la valeur ajoutée, Commission des Communautés européennes, Collection études, Série concurrence — Rapprochement des législations nr. 22, Brussel, 1973, blz. 38, onder a).

21 De verlening van kredieten door de koper aan de kredietnemers zou op grond van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn van btw zijn vrijgesteld.

22 Volgens artikel 168 van de btw-richtlijn zou de koper geen recht op aftrek van die btw hebben, aangezien zijn beheerdiensten zouden worden gebruikt voor een vrijgestelde handeling.

23 De vergoeding voor vervroegde aflossing is het bedrag dat de kredietnemer verschuldigd is wanneer hij het krediet vóór de vervaldag terugbetaalt.

24 Zie met name arresten van 25 februari 1999, CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punten 29 en 30; 2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punten 21‑24, en 23 oktober 2025, Brose Prievidza, C‑234/24, EU:C:2025:831, punt 54.

25 Zie met name arresten van 25 februari 1999, CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 30; 2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 25, en 23 oktober 2025, Brose Prievidza, C‑234/24, EU:C:2025:831, punt 65.

26 Zie met name arrest van 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

27 Zie in die zin btw-comité, Guidelines resulting from the 110th meeting of 13 April 2018, Document A, taxud.c.1(2018)6540764 – 955, punt 1.

28 Voorstel voor een zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting van 20 juni 1973, COM(73) 950 def. [gewijzigd op 26 juli 1974, COM(74) 795 def.], artikel 14, B, onder j).

29 Raadpleging inzake het voorstel voor een zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting van 31 januari 1974 (PB 1974, C 139, blz. 15), artikel 14, punt 3.

30 Op grond van artikel 1, punt 2, onder b), van de Achttiende richtlijn (89/465/EEG) van de Raad van 18 juli 1989 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – intrekking van een aantal afwijkingen bedoeld in artikel 28, lid 3, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) (PB 1989, L 226, blz. 21).

31 De Engelse taalversie luidt „which granted the credits” en de Duitse taalversie spreekt van „die die Kredite gewährt haben”.

32 Zie de voetnoten 13 en 14 supra.

33 Zie onder meer de Franse taalversie van de overgangsbepaling, waarin de uitdrukking „ayant accordé les crédits” wordt gebruikt, te vergelijken met de uitdrukking „qui les a octroyés” in artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn; de Engelse taalversie („which granted the credits” in de overgangsbepaling, te vergelijken met „the person granting it” in artikel 13 van de Zesde richtlijn); de Duitse taalversie („die die Kredite gewährt haben” in de overgangsbepaling, te vergelijken met de term „Kreditgeber” in artikel 13 van de Zesde richtlijn), en de Nederlandse taalversie („welke de kredieten heeft verstrekt” in de overgangsbepaling, te vergelijken met „die deze heeft verleend” in artikel 13 van de Zesde richtlijn).

34 Zie in die zin ook Europese Commissie, „Working paper No 941” van 15 maart 2018 voor het btw-comité, „VAT treatment of certain services provided in relation to syndicated loans”, blz. 13, en Henkow, O., Financial Activities in European VAT: A Theoretical and Legal Research of the European VAT System and the Actual and Preferred Treatment of Financial Activities, 2007, blz. 100 (punt 4.2.4).

35 Zie in die zin arrest van 6 oktober 2022, O. Fundusz Inwestycyjny Zamknięty reprezentowany przez O, C‑250/21, EU:C:2022:757, punten 32 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

36 Zie met name in die zin arrest van 30 september 2021, Icade Promotion, C‑299/20, EU:C:2021:783, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

37 Zie met name arrest van 10 juli 2025, KONREO, C‑276/24, EU:C:2025:554, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

38 Zie in die zin arrest van 19 april 2007, Velvet & Steel Immobilien, C‑455/05, EU:C:2007:232, punt 18.

39 Hetzelfde geldt voor de Duitse („Übernahme von […] Garantien”), de Griekse („την ανάληψη […] εγγυήσεων) en de Nederlandse („het aangaan van […] garantieverbintenissen”) taalversie van de bepaling.

40 Hetzelfde geldt voor enkele andere taalversies van de bepaling, die eveneens zeer open zijn geformuleerd, zoals de Kroatische („bilo koja druga vrsta poslovanja s kreditnim garancijama”), de Roemeense („orice tranzacții cu astfel de garanții”), de Sloveense („druge vrste poslovanja v zvezi s kreditnimi garancijami”) en de Finse („muu käsittely”) taalversie.

41 Zie de punten 35‑38 supra.

42 Zie voor de definitie van dit begrip arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 38.

43 Zie de punten 42‑45 supra.

44 Zie met name arresten van 25 februari 1999, CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punten 29 en 30; 2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punten 21‑24, en 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punt 58. Hoewel er sprake kan zijn van een tweede categorie prestaties, namelijk één enkele samengestelde prestatie (zie conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Brose Prievidza, C‑234/24, EU:C:2025:383, punten 44‑46), komt in de onderhavige zaak alleen relevantie toe aan de categorie bijkomende prestatie.

45 Zie in die zin Umsatzsteuer-Anwendungserlass van de Duitse belastingdienst van 1 oktober 2010, in de versie van 12 november 2025, punt 2.4, lid 3, zevende volzin.

46 Zie punt 35 supra.

47 Zie arrest van 22 oktober 2009, Swiss Re Germany Holding, C‑242/08, EU:C:2009:647.

48 Zie met name arresten van 25 februari 1999, CPP, C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 30; 2 december 2010, Everything Everywhere, C‑276/09, EU:C:2010:730, punt 25, en 23 oktober 2025, Brose Prievidza, C‑234/24, EU:C:2025:831, punt 54.

49 Arrest van 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

50 Zie met name arresten van 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 19, en 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punt 59.

51 Zie met name arresten van 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 20, en 23 oktober 2025, Brose Prievidza, C‑234/24, EU:C:2025:831, punt 55.

52 Zie in die zin arresten van 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular, C‑89/23, EU:C:2024:333, punt 45, en, zij het terughoudender, 27 september 2012, Field Fisher Waterhouse, C‑392/11, EU:C:2012:597, punt 26.

53 Zie in die zin arrest van 23 oktober 2025, Kosmiro, C‑232/24, EU:C:2025:820, punt 63.

ECLI:EU:T:2026:141

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Korkein hallinto oikeus (Finland) op 28 februari 2025 – Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö tegen A Oy

(Zaak T-184/25, Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö)

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto oikeus

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö

Andere partij: A Oy

Prejudiciële vragen

Moet, indien een financiële onderneming de door haar aan een klant verstrekte kredieten aan een andere financiële instelling verkoopt en deze kredieten zelf tegen een vergoeding blijft beheren, nadat deze zijn verkocht,

artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn1 , dat voorziet in de vrijstelling van het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming de door haarzelf verstrekte kredieten die zij aan die andere financiële instelling heeft verkocht, blijft beheren?

Moet, indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord en het beheer van kredieten door de eerste onderneming betrekking heeft op kredieten die als zekerheden voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie dienen:

artikel 135, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming kredieten beheert die dienen als zekerheid voor een door een andere financiële instelling uitgegeven obligatie?

Moet, indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn, dat voorziet in de vrijstelling van handelingen betreffende schuldvorderingen, aldus worden uitgelegd dat het ook van toepassing is op een situatie waarin de eerstgenoemde onderneming schuldvorderingen beheert die aan een andere financiële instelling zijn overgedragen?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

Scroll naar boven