Geen btw-vrijstelling voor pensioenfonds bij CDC-regeling wegens gebrek aan direct beleggingsrisico

Een bedrijfspensioenfonds voert collectieve beschikbare premieregelingen (CDC-regelingen) uit voor aangesloten ondernemingen. Het fonds voldoet over het eerste kwartaal van 2019 een bedrag van € 374.747 aan omzetbelasting op aangifte en maakt hiertegen bezwaar. Na afwijzing door de Belastingdienst stapt het fonds naar de rechter. De rechtbank houdt de zaak vervolgens geruime tijd aan in afwachting van prejudiciële vragen over het begrip ‘beleggingsrisico’ die aan het HvJ zijn gesteld in een andere procedure.

In geschil is of de diensten van het pensioenfonds zijn vrijgesteld van omzetbelasting voor beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. De discussie spitst zich uitsluitend toe op de vraag of de deelnemers aan de pensioenregelingen daadwerkelijk het beleggingsrisico dragen. Het pensioenfonds stelt van wel, omdat de uiteindelijke hoogte van de pensioenuitkeringen mede afhankelijk is van indexaties en kortingen die op hun beurt weer afhangen van beleggingsresultaten. De Belastingdienst betwist dit en stelt dat de uitkeringen primair gebaseerd zijn op een afgesproken formule op basis van dienstjaren en het pensioengevend inkomen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaart het beroep ongegrond. Onder verwijzing naar de kaders uit de arresten HvJ 9 december 2015, Fiscale eenheid X, C-595/13, ECLI:EU:C:2015:801 en het recentere HvJ 5 september 2024, Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688 oordeelt de rechtbank dat de deelnemers onvoldoende beleggingsrisico dragen. De pensioenrechten staan in dit geval namelijk in ruime mate vooraf vast via een middelloonsystematiek met een vast opbouwpercentage van 1,85%. Dat de uitkeringen kunnen fluctueren aan de hand van de beleidsdekkingsgraad is onvoldoende, mede omdat deze dekkingsgraad wordt berekend met een door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentetermijnstructuur die geen direct verband houdt met de behaalde beleggingsresultaten. Ook een beroep op fiscale neutraliteit slaagt niet, nu het fonds tegenover de betwisting door de Belastingdienst onvoldoende onderbouwt dat de deelnemers in dezelfde juridische en financiële positie verkeren als deelnemers in een individuele DC-regeling.

Rechtbank

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2026
Datum publicatie
19-06-2026
Zaaknummer
BRE 20/10073
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie
Belanghebbende is een bedrijfspensioenfonds en voert pensioenregelingen uit voor (voormalige) werknemers. In geschil is of de belanghebbende kan worden aangemerkt als ‘een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’ en of de door haar verrichte diensten daarom zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Meer specifiek houdt partijen verdeeld of de deelnemers van de pensioenregelingen het beleggingsrisico dragen. De rechtbank is van oordeel dat de pensioenrechten en -uitkeringen in ruime mate vooraf kunnen worden bepaald op basis van het pensioengevend inkomen en het aantal dienstjaren. Het opbouwpercentage betreft op grond van de pensioenreglementen een vast percentage van de pensioengrondslag en is daarmee niet direct afhankelijk van de behaalde beleggingsresultaten. Dat het opbouwpercentage onder omstandigheden kan worden verlaagd, doet hieraan niet af. Ook de mogelijkheid om de pensioenrechten en -uitkeringen op basis van de beleidsdekkingsgraad te verlagen of te verhogen, leidt niet tot een ander oordeel. De door belanghebbende gehanteerde rentetermijnstructuur, die wordt gebruikt bij de waardering van de pensioenrechten en de bepaling van de beleidsdekkingsgraad, houdt namelijk geen direct verband met de behaalde beleggingsresultaten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen. Dit betekent dat de door belanghebbende verrichte diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Belanghebbende heeft dus geen recht op teruggaaf van omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026061912
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 20/10073

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigden: mr. K.R. Carton, [naam] en mr. E.M. van Kasteren),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 30 oktober 2020.

1.1.
Belanghebbende heeft een bedrag van € 374.747 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de op aangifte voldane omzetbelasting ongegrond verklaard.

1.3.
Op 7 oktober 2024 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) arrest heeft gewezen naar aanleiding van door de rechtbank Gelderland op 6 oktober 2022 gestelde prejudiciële vragen.1

1.4.
Op 5 september 2024 heeft het HvJ uitspraak gedaan en antwoord gegeven op de door de rechtbank Gelderland gestelde prejudiciële vragen (hierna: het HvJ-arrest).2 De rechtbank heeft partijen bij brief van 17 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze op het arrest van het HvJ kenbaar te maken. Belanghebbende heeft op

15 juli 2025 een nader stuk ingediend. De inspecteur heeft op 10 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende: [naam] AAG en als gemachtigden van belanghebbende, mr. K.R. Carton, [naam] en mr. E.M. van Kasteren. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. drs. [inspecteur 3] ,

mr. dr. [inspecteur 4] , mr. [inspecteur 5] en drs. [inspecteur 6] deelgenomen.

1.6.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak naar partijen wordt verzonden.

Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende ten onrechte omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.
Meer specifiek is in geschil of de door belanghebbende verrichte diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als ‘een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’ in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in voornoemde zin te worden aangemerkt en heeft belanghebbende terecht omzetbelasting op aangifte voldaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten
3. Belanghebbende is een bedrijfspensioenfonds en voert de pensioenregelingen uit voor (voormalige) werknemers van de bij haar aangesloten ondernemingen, te weten: [bedrijf 1] N.V. ( [bedrijf 1] ) en [bedrijf 2] N.V. ( [bedrijf 2] ).

3.1.
Belanghebbende heeft op 30 april 2019 een bedrag van € 374.747 aan omzetbelasting op aangifte voor het eerste kwartaal van het jaar 2019 voldaan. Tegen deze voldoening van omzetbelasting op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

3.2.
Tot de gedingstukken behoren het Pensioenreglement Flex pensioen cao (2019) (Pensioenreglement cao) en het Pensioenreglement Flex pensioen ES (2019) (Pensioenreglement ES) (hierna tezamen: de pensioenreglementen).

3.3.
In het Pensioenreglement cao is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“1.9Deelnemer
Degene

a) die werknemer is van [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] en die in de cao van de betreffende

Werkgever of de voor hem geldende arbeidsvoorwaarden als Deelnemer is aangewezen, en;

b) die werknemer als hiervoor bedoeld was en voor wie ondanks de beëindiging van het sub a bedoelde dienstverband nog pensioen wordt opgebouwd ingevolge dit Pensioenreglement.

(…)

1.21
Pensioengevend Salaris

Voor de toepassing van dit reglement wordt jaarlijks per 1 april voor de Deelnemer een Pensioengevend Salaris vastgesteld, bestaande uit:

a) een vast Pensioengevend Salaris rekening houdende met de Deeltijdfactor, gelijk aan 12 maal het maandsalaris per 1 april, indien en voor zover van toepassing verhoogd met het persoonlijk budget en structurele bruto inkomenselementen voor zover deze ingevolge de tussen de Werkgever en de Deelnemer gesloten pensioenovereenkomst voor opname in het vast Pensioengevend Salaris in aanmerking komen. Het vast Pensioengevend Salaris kan niet meer bedragen dan het Maximaal Fulltime Pensioengevend Salaris dat vermenigvuldigd wordt met de Deeltijdfactor;

b) een variabel Pensioengevend Salaris, gelijk aan de som van de variabele bruto inkomenselementen die over de periode van 12 maanden direct voorafgaand aan 1 april door de Werkgever aan de Deelnemer verschuldigd zijn geweest voor zover deze ingevolge de tussen de Werkgever en de Deelnemer gesloten pensioenovereenkomst voor opname in het variabel Pensioengevend Salaris in aanmerking komen, indien en voor zover van toepassing verminderd met de som van onttrekkingen aan het persoonlijk budget die over voornoemde periode hebben plaatsgevonden.

Het vast Pensioengevend Salaris als bedoeld sub a en het variabel Pensioengevend salaris als hier bedoeld, kunnen tezamen niet méér bedragen dan het Maximaal Fulltime Pensioengevend Salaris, rekening houdende met de Deeltijdfactor.

1.22
Pensioengrondslag

Het Pensioengevend Salaris als bedoeld in artikel 1, lid 21 sub a, verminderd met de Franchise die vermenigvuldigd wordt met de Deeltijdfactor, en aangevuld met het variabel Pensioengevend Salaris als bedoeld in artikel 1, lid 21 sub b.

(…)”

3.4.
In het Pensioenreglement ES is onder andere het volgende opgenomen:

“1.9Deelnemer
Degene

1) die statutair bestuurder is van [bedrijf 1] N.V. of één van haar groepsmaatschappijen in Nederland. Deze statutair bestuurder wordt voor de toepassing van dit reglement gelijk gesteld aan een werknemer als bedoeld onder 3, of,

2) die statutair bestuurder is van [bedrijf 2] N.V. of één van haar groepsmaatschappijen in Nederland. Deze statutair bestuurder wordt voor de toepassing van dit reglement gelijk gesteld aan een werknemer als bedoeld onder 3,

3) die een dienstverband heeft met [bedrijf 1] of [bedrijf 2] en die bevoegdelijk is benoemd tot executive of senior director, of,

4) voor wie ondanks de beëindiging van zijn overeenkomst van opdracht respectievelijk dienstverband als bedoeld in sub 1, 2 of 3 in verband met arbeidsongeschiktheid nog pensioen wordt opgebouwd ingevolge dit Pensioenreglement.

(…)

1.21
Pensioengevend salaris

Voor de toepassing van dit reglement wordt jaarlijks per 1 april voor de Deelnemer een Pensioengevend Salaris vastgesteld, bestaande uit 12 maal het maandsalaris per 1 april gemaximeerd op het Maximaal Fulltime Pensioengevend Salaris dat vermenigvuldigd wordt met de Deeltijdfactor.

1.22
Pensioengrondslag

Het Pensioengevend Salaris als bedoeld in artikel 1, lid 21, verminderd met de Franchise die vermenigvuldigd wordt met de Deeltijdfactor.

(…)”

3.5.
De pensioenreglementen zijn inhoudelijk gelijkluidend, met uitzondering van de premieafspraken. De premieafspraken vormen geen geschilpunt tussen partijen. Voor zover sprake is van verschillen tussen de pensioenreglementen, heeft de rechtbank deze afwijkingen tussen vierkante haken opgenomen. In de pensioenreglementen is (onder meer) het volgende opgenomen:

“Artikel 2
De (Gewezen) Deelnemers respectievelijk Gepensioneerden en hun nagelaten betrekkingen hebben met inachtneming van de bepalingen van dit reglement aanspraak, respectievelijk recht op:

– Ouderdomspensioen (artikel 5);

– Nabestaandenpensioen (artikel 8);

– Uitkeringen ingevolge de Anw-hiaatverzekering (artikel 9);

– Bijzonder nabestaandenpensioen (artikel 11);

– Wezenpensioen (artikel 12);

– Arbeidsongeschiktheidspensioen (artikel 13);

– Premievrije pensioenopbouw in verband met arbeidsongeschiktheid (artikel 14).

(…)

Vaststelling grondslagen

3.1
Voor iedere Deelnemer wordt op de datum van toetreding en verder jaarlijks op 1 april het

geldende Pensioengevend Salaris, de Franchise en de Pensioengrondslag [in Pensioenreglement cao: Vaste Pensioengrondslag] vastgesteld, alsmede, voor zover nodig, de AOP-grondslag en de Salarisgrondslag Premievrije Pensioenopbouw.

(…)

CDC-karakter / Financiering

Artikel 4
4.1
Het Flex pensioen ES [in het Pensioenreglement cao: Het Flex pensioen cao] heeft het karakter van een Collectieve Defined Contribution-regeling. Als gevolg daarvan is de pensioenaansprakenverwerving door Deelnemers afhankelijk van de financiering zoals die van tijd tot tijd overeengekomen zal worden in de Uitvoeringsovereenkomst, een en ander zoals vastgesteld in dit artikel 4. Krachtens de Uitvoeringsovereenkomst, is de Werkgever jaarlijks een vaste premie verschuldigd. Voor de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021 is een vaste premie overeengekomen ter grootte van 30,3% [in het Pensioenreglement cao: 29,4%] van de som van de Pensioengrondslagen in dat jaar van alle Deelnemers (inclusief de Pensioenbijdragen verschuldigd door de werknemers).

(…)

Indien en voor zover de vaste premie in enig jaar niet toereikend is ter financiering van de

jaarlijkse kosten als bedoeld sub a t/m c, zal de pensioenaansprakenverwerving als bedoeld sub c in dat jaar navenant kunnen worden verminderd.

(…)

Ouderdomspensioen – opbouwpercentage

5.3
De Deelnemer bouwt ieder jaar een aanspraak op ouderdomspensioen op van maximaal 1,85% van de Pensioengrondslag [in Pensioenreglement cao: Vaste Pensioengrondslag]. Hierbij wordt rekening gehouden met aanpassing van de Pensioengrondslag op 1 april. De opbouw wordt naar rato bepaald indien de Deelnemer geen volledig jaar recht op pensioenopbouw heeft. [aanvullend in Pensioenreglement cao: Daarnaast wordt jaarlijks op 1 april een aanspraak op ouderdomspensioen opgebouwd ter grootte van maximaal 1,85% van het variabel Pensioengevend Salaris als bedoeld in artikel 1, lid 21 sub b.]

Het hiervoor genoemde geambieerde opbouwpercentage van 1,85 kan voor enig jaar worden verlaagd, indien de pensioenpremie die de Werkgever (met inbegrip van de Pensioenbijdragen verschuldigd door de werknemers) in dat jaar is verschuldigd als bedoeld in artikel 4, niet toereikend is om de kosten voor de pensioenopbouw als bedoeld in artikel 4, lid 1 op basis van het hiervoor bedoelde geambieerde opbouwpercentage te financieren.

De pensioenopbouw eindigt voor de Deelnemer bij het bereiken van de Pensioenleeftijd, doch uiterlijk bij het bereiken van de op de Deelnemer van toepassing zijnde Pensioenrichtleeftijd. Het ouderdomspensioen heeft het karakter van een Uitkeringsovereenkomst.

Ouderdomspensioen – indexatie
5.4
De aanspraak op ouderdomspensioen die een Deelnemer heeft opgebouwd kan jaarlijks op 1 april voorwaardelijk worden geïndexeerd met de Looninflatie, op de wijze en onder de voorwaarden en beperkingen als opgenomen in artikel 22.

De indexatie van de aanspraak ingevolge dit artikellid eindigt op de Pensioenleeftijd, doch uiterlijk bij het bereiken van de op de Deelnemer van toepassing zijnde Pensioenrichtleeftijd.

(…)

Nabestaandenpensioen

Artikel 8
8.1
Na het overlijden van een Deelnemer heeft zijn Partner recht op een nabestaandenpensioen.

Het nabestaandenpensioen bedraagt de som van:

– het ten tijde van het overlijden opgebouwde nabestaandenpensioen, waarbij ieder jaar een recht op nabestaandenpensioen wordt opgebouwd gelijk aan 70% van het in het betreffende jaar voor de Deelnemer opgebouwde ouderdomspensioen;

– vermeerderd met 70% van het ouderdomspensioen dat de Deelnemer vanaf de overlijdensdatum tot aan de Pensioenrichtleeftijd zou hebben bereikt op basis van de Pensioengrondslag [in Pensioenreglement cao: Vaste Pensioengrondslag] die geldt op de dag van overlijden van de Deelnemer, berekend met de volgende opbouwpercentages:

1. voor het restant van het jaar waarin de Deelnemer is overleden: het opbouwpercentage dat geldt in het betreffende jaar;

2. voor de jaren na het jaar waarin de Deelnemer is overleden: het geambieerd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 5, lid 3;

– vermeerderd met 70% van het voor het jaar van overlijden geldende opbouwpercentage vermenigvuldigd met de variabele bruto inkomenselementen die zijn/worden uitgekeerd en betrekking hebben op de periode van aanvang van het jaar waarin het overlijden van de Deelnemer plaatsvindt tot de datum van overlijden van de Deelnemer,

– vermeerderd met de tot de overlijdensdatum toegekende indexaties uit hoofde van artikel 22 van dit reglement.

(…)

Wezenpensioen Deelnemer

(…)

12.2
Bij overlijden van een Deelnemer, bedraagt het wezenpensioen voor ieder kind de som van:

– het ten tijde van het overlijden opgebouwde wezenpensioen, waarbij ieder jaar een recht op wezenpensioen wordt opgebouwd gelijk aan 14% van het in het betreffende jaar voor de Deelnemer opgebouwde ouderdomspensioen;

– vermeerderd met 14% van het ouderdomspensioen dat de Deelnemer vanaf de

overlijdensdatum tot aan de Pensioenrichtleeftijd zou hebben bereikt op basis van de Pensioengrondslag [in Pensioenreglement cao: Vaste Pensioengrondslag] die geldt op de dag van overlijden van de Deelnemer, berekend met de volgende opbouwpercentages:

1. voor het restant van het jaar waarin de Deelnemer is overleden: het opbouwpercentage welke geldt in het betreffende jaar;

2. voor de Pensioenjaren na het jaar waarin de Deelnemer is overleden: het geambieerd opbouwpercentage als bedoeld in artikel 5, lid 3.

– vermeerderd met 14% van het voor het jaar van overlijden geldende opbouwpercentage

vermenigvuldigd met de variabele bruto inkomenselementen die zijn/worden uitgekeerd en betrekking hebben op de periode van aanvang van het jaar waarin het overlijden van de Deelnemer plaatsvindt tot de datum van overlijden van de Deelnemer,

– vermeerderd met de tot de overlijdensdatum toegekende indexaties uit hoofde van artikel 22 van dit reglement.

(…)

Arbeidsongeschiktheidspensioen

Artikel 13
13.1
Een Deelnemer, wiens dienstverband met de Werkgever (gedeeltelijk) is beëindigd wegens

arbeidsongeschiktheid, heeft bij een arbeidsongeschiktheid in de zin van de WIA van ten minste 35%, recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen. Dit arbeidsongeschiktheidspensioen heeft het karakter van een Uitkeringsovereenkomst.

(…)

Artikel 22

22.1
Voorwaardelijke indexatie

Op de pensioenaanspraken van de Deelnemers kan jaarlijks een indexatie worden verleend van maximaal 100% van de Looninflatie. Op de pensioenaanspraken en -rechten van de Gewezen Deelnemers, Pensioengerechtigden en andere Aanspraakgerechtigden kan jaarlijks een indexatie worden verleend van maximaal 100% van de Prijsinflatie. Het Algemeen Bestuur van de Stichting beslist jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast.

Voor deze voorwaardelijke indexaties is geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald. De indexatie wordt uit beleggingsrendement gefinancierd.

Er bestaat geen recht op indexatie en het is ook voor de langere termijn niet zeker of en in hoeverre indexatie zal plaatsvinden. Een besluit om in enig jaar op basis van dit artikel een indexatie te verlenen, vormt geen garantie voor in toekomstige jaren te verlenen indexaties en houdt geen inperking in van de beleidsvrijheid die het Algemeen Bestuur ter zake heeft.

22.2
Realisatiepercentage

Op basis van de Loon- en Prijsinflatie, de financiële positie van de Stichting, de door het Algemeen Bestuur verwachte ontwikkelingen in die financiële positie, de bij of krachtens de wet gestelde eisen en alle overige door het Algemeen Bestuur relevant geachte feiten en omstandigheden, wordt ten behoeve van het vaststellen van de indexatie jaarlijks een Realisatiepercentage vastgesteld. Dit percentage geldt voor de periode van 1 april van het lopende jaar tot en met 31 maart van het volgende jaar. Het Realisatiepercentage heeft betrekking op het toe te kennen percentage van de Looninflatie voor de Deelnemers en van de Prijsinflatie voor de Gewezen Deelnemers, Pensioengerechtigden en andere

Aanspraakgerechtigden.

Het Realisatiepercentage kan variëren van 0 tot en met 100.

22.3
Indexatie en dekkingsgraad

Voor de bepaling van het Realisatiepercentage zoals bedoeld in lid 2 hanteert het Algemeen Bestuur beleid, rekening houdende met de geldende wet- en regelgeving. Dit beleid is vastgelegd in een staffel. De actuele staffel is opgenomen in bijlage 4 bij dit reglement. Het Algemeen Bestuur behoudt altijd de mogelijkheid om de indexatiestaffel aan te passen alsook om af te wijken van de indexatiestaffel op grond van door het Algemeen Bestuur relevant geachte omstandigheden en verwachtingen.

Op basis van de financiële positie van de Stichting, de door het Algemeen Bestuur verwachte ontwikkelingen in die financiële positie, de bij of krachtens de wet gestelde eisen en alle overige door het Algemeen Bestuur relevant geachte feiten en omstandigheden, kan – in geval van een financieel gezonde situatie van de Stichting – het Algemeen Bestuur besluiten tot een geheel of gedeeltelijk ongedaan maken van eventuele kortingen of het inhalen van gemiste indexatie welke is gebaseerd op de Loon- of Prijsinflatie.

(…)

Reglementswijzigingen en kortingsbepaling

Artikel 24
24.1
Het Algemeen Bestuur is bevoegd dit reglement te wijzigen, met inachtneming van hetgeen daaromtrent in de Statuten is bepaald. In geval van een wijziging van dit reglement worden de voorde (Gewezen) Deelnemers, Pensioengerechtigden en andere Aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van de wijziging opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten niet gewijzigd, behoudens het bepaalde in de artikelen 76, 78, 83 en 134 van de PW.

24.2
Het Algemeen Bestuur is bevoegd met inachtneming van artikel 134 van de PW de verworven pensioenaanspraken en/of de ingegane pensioenen te korten indien:

– de Stichting gezien de beleidsdekkingsgraad niet voldoet aan de bij of krachtens artikel 131 van de PW gestelde eisen ten aanzien van het minimaal vereist eigen vermogen of de bij of krachtens artikel 132 van de PW gestelde eisen ten aanzien van het vereist eigen vermogen;

en

– dit ook niet binnen een redelijke termijn gerealiseerd kan worden zonder dat de belangen van de (Gewezen) Deelnemers Pensioengerechtigden en andere Aanspraakgerechtigden of de Werkgever onevenredig worden geschaad; en

– alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het herstelplan, bedoeld in artikel 138 of 139 van de PW.

(…)”

3.6.
In de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota 2019 staat – voor zover relevant – het volgende:

“3.2.Definities
Voorziening Pensioenverplichtingen (VPV)

De Voorziening Pensioenverplichtingen van het Fonds is gelijk aan de contante waarde van de per berekeningsdatum opgebouwde en toegezegde reglementaire nominale pensioenen van alle (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden, berekend op basis van de actuariële grondslagen van het Fonds.

(…)

Actuele dekkingsgraad

De actuele dekkingsgraad van het Fonds is gelijk aan de verhouding tussen het Pensioenvermogen en de beleggingen voor risico deelnemers enerzijds en de Voorziening Pensioenverplichtingen en de voorziening voor risico deelnemers anderzijds op enig moment.

Beleidsdekkingsgraad

De beleidsdekkingsgraad van het Fonds is gelijk aan het gemiddelde van de actuele dekkingsgraden per het einde van elk van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan het moment van vaststelling.

(…)

3.3.1
Vaststelling van de Voorziening Pensioenverplichtingen

De Voorziening Pensioenverplichtingen wordt vastgesteld op basis van de volgende actuariële grondslagen van het Fonds.

– Discontering: discontering geschiedt op basis van de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur voor pensioenfondsen, waarbij de desbetreffende termijnen overeenkomen met de termijnen waarop de (verwachte) reglementaire uitkeringsstromen van het Fonds zullen plaatsvinden.

(…)

5.3.
Welke maatregelen kunnen in een crisissituatie worden genomen?

(…)

Bestaand beleid


Bij een tekort van de beschikbare premie ten opzichte van de gedempte kostendekkende premie behorende bij het geambieerde pensioenopbouwpercentage vindt op grond van het huidige beleid een korting op de pensioenopbouw plaats. Als de beschikbare premie hoger is dan de gedempte kostendekkende premie behorende bij het geambieerde pensioenopbouwpercentage, dan is het pensioenopbouwpercentage gelijk aan 1,85 (het geambieerde pensioenopbouwpercentage). De aanpassing van het opbouwpercentage heeft alleen effect op de toekomstige pensioenopbouw. Deze aanpassing, die inherent is aan het feit dat sprake is van een CDC-regeling, staat los van de financiële positie van het Fonds en kan dan ook niet ingezet worden als mogelijke maatregel in een crisissituatie.


Indexatiebeleid: Voor het toekennen van indexatie wordt een staffel gehanteerd:

o Indien de beleidsdekkingsgraad 110% of lager is, wordt geen indexatie toegekend (realisatiepercentage = 0). Dit wordt door het Fonds de ‘hoog gevaar’-zone genoemd.

o Indien de beleidsdekkingsgraad hoger is dan 110%, maar lager is dan 123%, wordt gedeeltelijke indexatie toegekend, op basis van lineaire interpolatie (bijvoorbeeld bij een beleidsdekkingsgraad van 120% wordt (120-110)/(123-110) * 100% = 77% van de indexatiemaatstaf toegekend; realisatiepercentage = 77). Dit wordt door het Fonds de zogenaamde ‘laag gevaar’-zone genoemd.

o Indien de beleidsdekkingsgraad 123% of hoger is, wordt 100% van de indexatiemaatstaf toegekend (realisatiepercentage = 100).

Beleid t.a.v. korten / hersteltermijn:


De hersteltermijn is vastgesteld op 6 jaar. Deze termijn is zodanig gekozen dat een kortingsgrens resulteert die in de range 97-100% ligt. Periodiek zal worden geëvalueerd of deze hersteltermijn nog in lijn is met de beleidsuitgangspunten van het Fonds. Indien nodig wordt de hersteltermijn aangepast.


Bij het uitsmeren van kortingen van opgebouwde pensioenaanspraken en ingegane pensioenrechten worden de volgende regels gehanteerd (onder voorbehoud dat wordt voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen).

(…)”

Overwegingen
Is ten onrechte omzetbelasting op aangifte voldaan?

4. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB is het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens van omzetbelasting vrijgesteld (hierna: de vrijstelling). Met deze bepaling heeft de Nederlandse wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn3 op grond waarvan lidstaten btw-vrijstelling verlenen voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

4.1.
Uit vaste rechtspraak van het HvJ4volgt dat een instelling voor collectieve belegging in effecten (hierna: icbe) in de zin van de icbe-richtlijn5 moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Ook beleggingsfondsen die geen icbe zijn maar vergelijkbare kenmerken vertonen en dezelfde handelingen verrichten, moeten als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. Dit geldt ook voor beleggingsfondsen die zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren. Hierbij geldt als voorwaarde dat ook deze fondsen aan bijzonder overheidstoezicht onderworpen zijn.

4.2.
Het HvJ heeft verder geoordeeld dat (bedrijfs)pensioenfondsen als gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden aangemerkt indien zij worden gefinancierd door pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers.

4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet kwalificeert als een icbe. Evenmin is in geschil dat belanghebbende wordt gefinancierd door (toekomstige) pensioenontvangers en belegt volgens het beginsel van risicospreiding. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op belanghebbende.

Het beleggingsrisico

4.4.
De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ over de uitleg van artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn. In zijn arrest van 5 september 20246 heeft het HvJ over het begrip ‘beleggingsrisico’ (onder meer) het volgende voor recht verklaard:

“Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.

(…)”

4.5.
Belanghebbende stelt dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. Uit de pensioenreglementen volgt dat de pensioenregelingen kwalificeren als collectieve beschikbare premieregelingen (hierna: CDC-regelingen). De ambitie is dat bij pensionering een uitkering wordt verstrekt ter grootte van een percentage van de gemiddelde pensioengrondslag gedurende het werkzame leven (het “middelloon”). Van een uitkeringsgarantie is geen sprake. Volgens belanghebbende staat de uiteindelijke hoogte van een pensioenuitkering niet vooraf vast en is deze afhankelijk van factoren zoals indexatie, kortingen of aanpassingen van het opbouwpercentage. Deze factoren worden geheel of gedeeltelijk bepaald door de beleggingsresultaten. Ter onderbouwing heeft belanghebbende actuariële rapportages overgelegd waaruit volgt dat de pensioenuitkeringen gemiddeld voor 63,5% bestaan uit beleggingsrendement.

4.6.
De inspecteur betwist dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. Volgens de inspecteur is sprake van een toegezegde pensioenuitkering die vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd tot aan het overlijden van de deelnemer wordt uitgekeerd. De hoogte van de pensioenuitkeringen wordt bepaald aan de hand van een formule die is gebaseerd op het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen. Onder strikte voorwaarden kunnen de pensioenrechten en -uitkeringen op basis van de beleidsdekkingsgraad worden verhoogd of verlaagd. De beleidsdekkingsgraad wordt bepaald op grond van de bepalingen in de Pensioenwet en is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds.

4.7.
De rechtbank stelt voorop dat doorslaggevend is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, in die zin dat het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen. In punt 48 van het arrest van

5 september 2024 overweegt het HvJ wanneer sprake is van een door deelnemers gedragen beleggingsrisico. Daarvan is sprake indien het bedrag van de pensioenrechten en

-uitkeringen niet in ruime mate vooraf kan worden bepaald op basis van het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen.

4.8.
De rechtbank overweegt dat – in het geval van belanghebbende – de bedragen van de pensioenrechten en -uitkeringen in ruime mate vooraf kunnen worden bepaald op basis van het pensioengevend inkomen (op basis van een middelloonsystematiek) en het aantal dienstjaren. De hoogte van deze rechten en uitkeringen is daarmee (primair) gebaseerd op de gemaakte afspraken. Zo volgt uit de pensioenreglementen dat het opbouwpercentage als uitgangspunt is vastgesteld op 1,85% van de pensioengrondslag per jaar. Dit opbouwpercentage is dus niet direct afhankelijk van de daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaten. Dat het opbouwpercentage kan worden verlaagd indien de beschikbare premie ontoereikend is, doet hieraan niet af.

De omstandigheid dat het bestuur van belanghebbende de pensioenrechten en -uitkeringen kan aanpassen indien de beleidsdekkingsgraad boven 110% uitkomt of beneden 100% zakt, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat (onder meer) de door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentetermijnstructuur wordt gebruikt bij de waardering van de pensioenverplichtingen, en daarmee ook bij de bepaling van de beleidsdekkingsgraad (zie 3.6). Deze rentetermijnstructuur houdt geen direct verband met de door belanghebbende behaalde beleggingsresultaten. Dit betekent dat eventuele verhogingen of verlagingen van de aanspraken en uitkeringen eveneens niet rechtstreeks afhankelijk zijn van het daadwerkelijk behaalde rendement.

4.9.
Met de actuariële berekeningen heeft belanghebbende aangetoond dat de beleggingsresultaten noodzakelijk zijn om de pensioenuitkeringen te kunnen financieren. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet voldoende voor het oordeel dat de deelnemers het beleggingsrisico lopen. Uit het arrest van het HvJ volgt namelijk dat de deelnemer een risico moet lopen dat vergelijkbaar is met het risico van een deelnemer in een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Dat laatste heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Immers het enkele gegeven dat de beoogde uitkeringen alleen daadwerkelijk gedaan kunnen worden bij het behalen van bepaalde beleggingsresultaten zegt niets over of, en zo ja, in welke mate beleggingsrisico wordt gelopen door de deelnemers.

Fiscale neutraliteit

4.10.
In zijn arrest van 5 september 20247 heeft het HvJ met betrekking tot het beginsel van fiscale neutraliteit het volgende voor recht verklaard:

“Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit,

moet aldus moet worden uitgelegd dat,
om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.”

4.11.
In het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of de pensioenregelingen, vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, vergelijkbaar zijn met een (individuele) Defined Contribution-regeling (hierna: IDC-regeling). De bewijslast rust op belanghebbende.

4.12.
Belanghebbende stelt dat zij uitvoering geeft aan CDC-regelingen. Zij heeft overigens geen feiten of omstandigheden aangevoerd met betrekking tot de juridische en financiële positie van deelnemers in andere pensioenfondsen die wel als een gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

4.13.
De inspecteur betwist dat de deelnemers in de door belanghebbende uitgevoerde pensioenregelingen juridisch en financieel in dezelfde positie verkeren als deelnemers in een IDC-regeling omdat de regelingen wezenlijk verschillen.

4.14.
Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gelijkgesteld met pensioenfondsen die als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. Dit brengt mee dat belanghebbende terecht € 374.747 aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. De vraag of belanghebbende op grond van artikel 39bis van de Wet OB recht heeft op een aanvullende teruggaaf van € 33.630 kan daarom achterwege blijven.

Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting.

5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. D. Damen, griffier, op 16 juni 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzitter

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

1Rechtbank Gelderland 6 oktober 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5657.

2HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.

3Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de Btw-richtlijn).

4HvJ 9 december 2015, C-595/13, ECLI: EU:C:2015:801.

5Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde icbe’s (de icbe-richtlijn).

6HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.

7HvJ 5 september 2024, C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688.

ECLI:NL:RBZWB:2026:5272

Scroll naar boven