Gerecht 26-11-2025 Versãofast T-657/24

Gerecht Versãofast arrest

De Portugese vennootschap Versãofast verricht kredietbemiddelingsactiviteiten, met name voor woningkredieten. Versãofast sloot overeenkomsten met verschillende kredietinstellingen. De diensten van Versãofast omvatten het proactief zoeken en werven van potentiële klanten, het bijstaan van hen bij de documentatie, het geven van uitleg over essentiële financieringsaspecten en het doorsturen van de kredietaanvraag naar de instellingen. Versãofast werd vergoed via een ‘success fee’, een provisie die alleen verschuldigd was bij het daadwerkelijk sluiten van een kredietovereenkomst, gebaseerd op het bedrag van het afgesloten krediet en de kwaliteit van de voorbereiding van het dossier. Hoewel Versãofast de btw-vrijstelling toepaste voor de meeste instellingen, betaalde zij soms btw over de provisies. De Portugese belastingdienst meende echter dat alle kredietbemiddelingsactiviteiten btw-vrijgesteld waren en legde Versãofast btw-aanslagen op wegens ten onrechte afgetrokken voorbelasting.

De vraag was of de activiteiten van Versãofast onder het begrip „bemiddeling inzake kredieten” vallen zoals bedoeld in artikel 135 lid 1 onder b) btw-richtlijn. De btw-richtlijn hanteert autonome begrippen van Unierecht die uniform moeten worden uitgelegd (arrest Generali Seguros). Versãofast betoogde dat haar diensten niet onder de vrijstelling vielen, omdat zij niet betrokken was bij de goedkeuring van kredieten, geen analyse van de documenten maakte en de provisies enkel betrekking hadden op klantenwerving. De verwijzende rechter twijfelde omdat Versãofast niet bemiddelde inzake de voorwaarden van de overeenkomsten en niet namens de kredietinstelling of de klant handelde, hoewel zij proactief partijen samenbracht. De vraag spitste zich toe op de vereisten voor bemiddeling: is het noodzakelijk dat de bemiddelaar bevoegd is om namens de bank te handelen of invloed heeft op de in de offerte gepresenteerde voorwaarden?

Het Gerecht oordeelde dat de btw-vrijstelling van toepassing is op de activiteiten van Versãofast. Het herhaalde het HvJ dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, aangezien zij afwijken van het algemene beginsel van btw-heffing (arrest Blackrock Investment Management (UK)). Bemiddeling heeft tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een overeenkomst sluiten (CSC Financial Services). De toepassing van de vrijstelling hangt af van de aard en het doel van de dienst, en niet van het bestaan van een contractuele band tussen de bemiddelaar en een contractpartij (arrest Ludwig). Diensten die alleen materieel, technisch of administratief van aard zijn, vallen niet onder de vrijstelling. Echter, de gezamenlijk beschouwde diensten van Versãofast – het proactief werven en assisteren van klanten met het oog op het sluiten van overeenkomsten, ondersteund door een success fee – zijn in beginsel bedoeld om het sluiten van de kredietovereenkomst te bewerkstelligen. Cruciaal is dat de kwalificatie als kredietbemiddeling niet afhankelijk is van het feit dat de bemiddelaar invloed heeft op de inhoud van de kredietofferten of bevoegd is om namens de kredietinstelling te handelen. Evenmin doet het feit dat klanten hun contractvrijheid behouden afbreuk aan de kwalificatie.

DictumArrestVerzoek

Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus worden uitgelegd dat

de in die bepaling bedoelde vrijstelling voor handelingen van bemiddeling inzake kredieten van toepassing is op activiteiten van een kredietbemiddelaar die klanten zoekt en werft met het oog op het aanbieden van woningkredietovereenkomsten, die hen bijstaat door het uitvoeren van precontractuele werkzaamheden, die belast is met de communicatie met de kredietinstellingen en die door deze kredietinstellingen wordt vergoed op basis van het bedrag van de via zijn bemiddeling gesloten kredietovereenkomsten, ondanks het feit dat, ten eerste, hij niet bevoegd is om namens de kredietinstellingen te handelen en geen enkele invloed kan uitoefenen op de inhoud van de kredietofferten en, ten tweede, de klanten vrij blijven om al dan niet een kredietovereenkomst aan te gaan en nog kunnen kiezen met welke kredietinstelling zij de overeenkomst zullen sluiten.

26 november 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk btw-stelsel – Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG – Vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten – Bemiddeling inzake kredieten – Kredietbemiddelingsactiviteiten – Kwalificatie ”

In zaak T‑657/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage – CAAD), Portugal] bij beslissing van 5 december 2024, ingekomen bij het Hof op 6 december 2024, in de procedure

Versãofast, Unipessoal, Lda

tegen

Autoridade Tributária e Aduaneira,

wijst

HET GERECHT (Prejudiciële kamer),

ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, T. Pynnä, J. Laitenberger (rapporteur), M. Stancu en I. Dimitrakopoulos, rechters,

advocaat-generaal: M. Brkan,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 19 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– Versãofast, Unipessoal, Lda, vertegenwoordigd door S. Brigas Afonso, advocaat,

– de Portugese regering, vertegenwoordigd door P. Barros da Costa, C. Bento, A. Rodrigues en R. Laires als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en L. Santiago de Albuquerque als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Versãofast, Unipessoal, Lda en de Autoridade Tributária e Aduaneira (belasting- en douanedienst, Portugal; hierna: „belastingdienst”) over de door deze vennootschap uitgeoefende kredietbemiddelingsactiviteiten die door de belastingdienst zijn gekwalificeerd als handelingen betreffende bemiddeling inzake kredieten waarvoor vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt verleend.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn neemt in wezen de bewoordingen over van artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

4 Artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn bepaalt het volgende:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

b) de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend”.

Portugees recht

5 Krachtens artikel 9, punt 27, onder a), van de Código do Imposto sobre o Valor Acrescentado (wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde), goedgekeurd bij Decreto-Lei no 394-B/84 (wetsbesluit nr. 394-B/84) van 26 december 1984 (Diário da República, I serie‑A, nr. 297, van 26 december 1984), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, zijn de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten in iedere vorm, waaronder disconto- en herdiscontohandelingen, alsmede de administratie en het beheer ervan door degene die de kredieten heeft verleend, van btw vrijgesteld.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

6 Versãofast is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Portugees recht die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding een vergunning had om adviesactiviteiten op business- en managementgebied te verrichten.

7 Versãofast is door de Banco de Portugal (Portugese centrale bank) gemachtigd om kredietbemiddelingsactiviteiten uit te oefenen. Uit dien hoofde is zij bevoegd om kredietovereenkomsten aan consumenten voor te leggen of voor te stellen, bijstand te verlenen aan consumenten door voorbereidende of andere precontractuele beheerwerkzaamheden uit te voeren met betrekking tot kredietovereenkomsten die niet door haarzelf zijn voorgelegd of voorgesteld, en om kredietovereenkomsten te sluiten met consumenten namens kredietgevers.

8 In dat verband heeft Versãofast verbindingsovereenkomsten gesloten met verschillende Portugese kredietinstellingen, waaronder Caixa Geral de Depósitos, SA (hierna: „CGD”). Deze overeenkomsten hebben betrekking op kredietbemiddelingsactiviteiten die Versãofast op zelfstandige basis voor deze instellingen verricht. Deze activiteiten bestaan er onder meer in potentiële klanten voor woningkredieten te zoeken en te werven, hen bij te staan bij het verzamelen van de documenten die nodig zijn voor hun kredietaanvraag, uitleg te geven over de essentiële aspecten van de financiering, zoals de marge („spread”), het jaarlijkse kostenpercentage (JKP) en de betaalbaarheidssratio, een eerste analyse uit te voeren van de documenten die door de klanten zijn toegezonden voor het onderzoek van hun aanvraag, deze documenten door te sturen aan de kredietinstellingen, de kredietofferten van deze instellingen aan de klanten te bezorgen en hun de uiteindelijke beslissing mee te delen van de instelling waarvan zij de offerte hebben gekozen. Versãofast is daarentegen niet bevoegd om namens kredietinstellingen kredietovereenkomsten met consumenten te sluiten. Zij mengt zich evenmin in de vaststelling van de voorwaarden van de kredietofferten, in de keuze van de consumenten tussen de verschillende offerten en in de beslissing van de kredietinstellingen om de kredieten al dan niet te verlenen.

9 In de verbindingsovereenkomsten is bepaald dat de kredietinstellingen aan Versãofast – als tegenprestatie voor haar diensten – een provisie betalen die overeenkomt met een percentage van het jaarlijkse bedrag van de via haar bemiddeling gesloten woningkredietovereenkomsten, gewogen op basis van een kwaliteitsfactor voor de voorbereiding van de dossiers.

10 Ofschoon de kredietbemiddelingsactiviteiten van Versãofast en de daarvoor geldende vergoedingsvoorwaarden identiek zijn voor alle kredietinstellingen, werden de door Versãofast ontvangen provisies niet aan dezelfde btw-regeling onderworpen. Terwijl Versãofast voor de meeste van die instellingen van mening was dat zij in aanmerking kwam voor de in artikel 9, punt 27, onder a), van het wetboek inzake de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vrijstelling voor handelingen van verlening van kredieten en van bemiddeling inzake kredieten, heeft zij over de door CGD betaalde provisies 23 % btw betaald die aan het bedrag van die provisies werd toegevoegd.

11 Naar aanleiding van een verzoek van Versãofast om teruggaaf van btw voor het eerste kwartaal van 2023 heeft de belastingdienst een controleprocedure ingeleid, waarna zij Versãofast in kennis heeft gesteld van voorlopige correcties voor de in de jaren 2019 tot en met 2023 afgetrokken btw. De belastingdienst was van mening dat de kredietbemiddelingsactiviteiten voor CGD van btw waren vrijgesteld, en dat de daarmee verband houdende voorbelasting bijgevolg niet aftrekbaar was. De belastingdienst heeft Versãofast dan ook btw-aanslagen opgelegd voor een totaalbedrag van 208 619,07 EUR.

12 Op 5 april 2024 heeft Versãofast tegen deze aanslagen beroep ingesteld bij de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage – CAAD), Portugal], de verwijzende rechter.

13 Ter ondersteuning van haar beroep betoogt Versãofast dat de voor CGD verrichte kredietbemiddelingsactiviteiten niet onder de btw-vrijstelling voor bemiddeling inzake kredieten vallen, aangezien zij niet betrokken is bij de goedkeuring van de kredieten. Volgens Versãofast beperkt haar activiteit zich ertoe de prospectussen van CGD en de voorwaarden van de door die bank aangeboden woningkredieten ter kennis te brengen en toe te lichten aan potentiële klanten, zonder dat zij een bepaald woningkrediet kan aanraden ten nadele van andere. Zij verstrekt de geïnteresseerde klanten in dit verband alleen onpartijdige en objectieve informatie. Daarnaast maakt zij geen analyse van de bij deze klanten verzamelde informatie en kan zij in geen geval kredietovereenkomsten namens CGD sluiten. Ten slotte hebben de provisies die zij ontvangt enkel betrekking op de werving van klanten en niet op de bemiddeling inzake kredieten.

14 De belastingdienst voert aan dat Versãofast in het kader van haar kredietbemiddelingsactiviteiten soortgelijke diensten verleent aan verschillende kredietinstellingen, maar de diensten die zij verleent aan CGD, waarvoor zij btw afdraagt, verschillend behandelt van de diensten die zij verleent aan andere instellingen, waarvoor zij de btw-vrijstellingsregeling toepast. Volgens de belastingdienst zijn de contractueel overeengekomen diensten van het voorleggen van kredietovereenkomsten aan consumenten en het verlenen van bijstand aan consumenten onlosmakelijk verbonden met het nagestreefde doel, namelijk het sluiten van kredietovereenkomsten.

15 Volgens de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) bestaat er twijfel over de vraag of de door Versãofast verrichte kredietbemiddelingsactiviteiten vallen onder het begrip „bemiddeling inzake kredieten” in de zin van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, dat een autonoom begrip van het Unierecht vormt dat toepasselijk is in de interne rechtsorde. De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat het weliswaar de „(pro)actieve” werving van Versãofast is die de partijen met elkaar in contact brengt en de sluiting van kredietovereenkomsten bevordert, maar dat Versãofast niet bemiddelt inzake de voorwaarden van die overeenkomsten en niet handelt namens de afnemers van het krediet of namens CGD.

16 In die omstandigheden heeft de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Is artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, wat het begrip ‚bemiddeling inzake kredieten’ betreft, van toepassing op diensten waarbij voor een kredietinstelling klanten voor woningkredieten worden geworven door een belastingplichtige, die een verbonden kredietbemiddelaar is die is opgericht en opereert overeenkomstig de wettelijke regeling inzake de toegang tot en de uitoefening van kredietbemiddelingsactiviteiten, wanneer deze diensten cumulatief het volgende omvatten:

a) het proactief zoeken naar potentiële klanten voor woningkredieten via een netwerk voor vastgoedbemiddeling (REMAX);

b) het beschikbaar stellen aan potentiële klanten van door de bank verstrekte prospectussen met financiële informatie over woningkredietproducten;

c) het bijstaan van deze potentiële klanten bij het identificeren van de documentatie die nodig is om een kredietofferte aan te vragen, alsmede bij het samenstellen en controleren van die documentatie;

d) het toezenden van de offerteaanvraag aan de bank;

e) het ontvangen van de antwoorden van de bank;

f) het opstellen van vergelijkende tabellen van de door verschillende banken aangeboden voorwaarden, en het organiseren van bijeenkomsten met potentiële klanten om de voorwaarden en essentiële aspecten van de financiering (zoals de spreads, het jaarlijkse kostenpercentage en de betaalbaarheidsratio) te analyseren en te verduidelijken;

g) het mededelen van de beslissing van de bank aan de potentiële klant, en

h) een vergoedingsmodel op basis van een ‚success fee’ (succesprovisie), waarbij de tegenprestatie alleen verschuldigd is wanneer er daadwerkelijk kredietovereenkomsten worden gesloten en waarbij de hoogte van die tegenprestatie afhankelijk is van het volume aan afgesloten/bemiddelde kredieten?

2) Blijft de kwalificatie ‚bemiddeling inzake kredieten’ ook van toepassing zelfs wanneer de bemiddelaar niet bevoegd is om namens de bank te handelen en geen invloed heeft op de vaststelling van de in de prospectussen en kredietoffertes gepresenteerde voorwaarden, en het de potentiële kredietnemer vrijstaat om de financiering al dan niet aan te gaan en om te kiezen met welke instelling hij de overeenkomst zal sluiten?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

17 Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde vrijstelling voor handelingen van bemiddeling inzake kredieten van toepassing is op activiteiten van een kredietbemiddelaar die klanten zoekt en werft met het oog op het aanbieden van woningkredietovereenkomsten, die hen bijstaat door het uitvoeren van precontractuele beheerwerkzaamheden, die belast is met de communicatie met de kredietinstellingen en die door deze kredietinstellingen wordt vergoed op basis van het bedrag van de via zijn bemiddeling gesloten kredietovereenkomsten, ondanks het feit dat, ten eerste, hij niet bevoegd is om namens de kredietinstellingen te handelen en geen enkele invloed kan uitoefenen op de inhoud van de kredietofferten en, ten tweede, de klanten vrij blijven om al dan niet een kredietovereenkomst aan te gaan en nog kunnen kiezen met welke kredietinstelling zij de overeenkomst zullen sluiten.

18 Vooraf zij opgemerkt dat de Zesde richtlijn door de btw-richtlijn is ingetrokken en vervangen, zodat de uitlegging die het Hof aan de bepalingen van de Zesde richtlijn heeft gegeven ook geldt voor de bepalingen van de btw-richtlijn wanneer de bepalingen van deze twee Unierechtelijke instrumenten als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (arrest van 17 juni 2021, K en DBKAG, C‑58/20 en C‑59/20, EU:C:2021:491, punt 27).

19 Bijgevolg is de uitlegging die het Hof aan artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn heeft gegeven, ook van toepassing op artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, aangezien deze bepalingen – zoals reeds in punt 3 hierboven is opgemerkt – nagenoeg identiek zijn verwoord en dus als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd (zie naar analogie arrest van 17 juni 2021, K en DBKAG, C‑58/20 en C‑59/20, EU:C:2021:491, punt 28).

20 Artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn bepaalt dat de lidstaten bemiddeling inzake kredieten van btw vrijstellen.

21 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, de vrijstellingen bedoeld in artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn autonome begrippen van het Unierecht vormen, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen, en die dus eenvormig moeten worden uitgelegd op het grondgebied van alle lidstaten (zie arrest van 9 maart 2023, Generali Seguros, C‑42/22, EU:C:2023:183, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22 Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de bewoordingen van de in artikel 135, lid 1, van de btw-richtlijn bedoelde vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, aangezien deze vrijstellingen afwijken van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht [zie arrest van 2 juli 2020, Blackrock Investment Management (UK), C‑231/19, EU:C:2020:513, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

23 Met betrekking tot het begrip „bemiddeling” heeft het Hof, in het kader van artikel 13, B, onder d), punt 5, van de Zesde richtlijn, waarvan de bewoordingen in essentie zijn overgenomen in artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn, reeds geoordeeld dat met dit begrip wordt gedoeld op een activiteit van een tussenpersoon die niet de plaats inneemt van een partij bij een overeenkomst betreffende een financieel product en wiens activiteit verschilt van de typische contractuele prestaties die door een dergelijke partij wordt verricht. Bemiddeling is immers een dienstverrichting ten behoeve van een contractpartij die door deze laatste als afzonderlijke tussenkomst wordt vergoed. Dit kan onder meer inhouden dat de contractpartij wordt gewezen op gelegenheden om deze overeenkomst te sluiten, dat voor hem contact met de andere partij wordt gelegd, en dat in naam en voor rekening van de cliënt wordt onderhandeld over de details van de wederzijdse prestaties. Deze activiteit heeft dus tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een overeenkomst sluiten, zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft inzake de inhoud van de overeenkomst (zie in die zin arresten van 13 december 2001, CSC Financial Services, C‑235/00, EU:C:2001:696, punt 39, en 5 juli 2012, DTZ Zadelhoff, C‑259/11, EU:C:2012:423, punt 27).

24 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat activiteiten op het gebied van bemiddeling, die bestaan in het zoeken tegen betaling van een vergoeding van gegadigden voor onroerende zaken – die vervolgens zijn verkocht en overgedragen door middel van aandelenoverdrachten – zonder dat de tussenpersoon een eigen belang had bij de inhoud van deze overeenkomsten, activiteiten zijn die beantwoorden aan het begrip „bemiddeling” inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, in de zin van artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn (beschikking van 21 november 2017, Kerr, C‑615/16, niet gepubliceerd, EU:C:2017:906, punt 43).

25 Het Hof heeft evenwel verduidelijkt dat de verrichting van een gewone materiële, technische of administratieve dienst die geen wijzigingen meebrengt voor de rechtsbetrekking en de financiële relaties tussen partijen, niet valt onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder f), van de btw-richtlijn (zie in die zin arrest van 13 december 2001, CSC Financial Services, C‑235/00, EU:C:2001:696, punt 28).

26 Evenzo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de bewoordingen „bemiddeling inzake waardepapieren” niet doelen op diensten waarbij enkel informatie over een financieel product wordt verstrekt en in voorkomend geval de verzoeken om inschrijving op de betrokken waardepapieren in ontvangst worden genomen en verwerkt, zonder dat zij ook de uitgifte ervan omvatten (zie in die zin arrest van 13 december 2001, CSC Financial Services, C‑235/00, EU:C:2001:696, punt 41).

27 Wat meer in het bijzonder het begrip „bemiddeling inzake kredieten” betreft, heeft het Hof geoordeeld dat de toepassing van de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 1, van de Zesde richtlijn, dat is vervangen door artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn, niet kan afhangen van het bestaan van een contractuele band tussen de verrichter van de bemiddelingsdienst en een partij bij de kredietovereenkomst, maar dat daarvoor moet worden gekeken naar de aard zelf en het doel van de verrichte dienst (arrest van 21 juni 2007, Ludwig, C‑453/05, EU:C:2007:369, punt 33).

28 Voorts is het Hof ervan uitgegaan dat het enkele feit dat de bepalingen van de kredietovereenkomst vooraf door een van de contractpartijen zijn vastgesteld, er als zodanig niet aan in de weg kan staan dat er een bemiddelingsdienst wordt verricht, aangezien de bemiddelingsactiviteit zich ertoe kan beperken een contractpartij te wijzen op gelegenheden om een dergelijke overeenkomst te sluiten (arrest van 21 juni 2007, Ludwig, C‑453/05, EU:C:2007:369, punt 39).

29 In casu hebben sommige diensten als die welke door Versãofast worden verleend – zoals het beschikbaar stellen aan klanten van door de kredietinstellingen verstrekte prospectussen of het ontvangen van de antwoorden van deze instellingen op kredietaanvragen – elk apart beschouwd weliswaar de aard van eenvoudige materiële, technische of administratieve diensten, maar deze diensten zijn samen beschouwd in beginsel bedoeld om het nodige te doen opdat een kredietinstelling – in casu CGD – met potentiële klanten kredietovereenkomsten sluit, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. Een dergelijk doel kan ook blijken uit de wijze van vergoeding van deze diensten wanneer dit, zoals in het hoofdgeding, berust op de daadwerkelijke sluiting van kredietovereenkomsten en de kredietbemiddelaar door de kredietinstellingen wordt vergoed op basis van het bedrag van de via zijn bemiddeling gesloten kredietovereenkomsten en de kwaliteit van de verrichte diensten, in het bijzonder de mate van voorbereiding van de dossiers.

30 Aangezien – zoals blijkt uit de in punt 28 hierboven genoemde rechtspraak – het enkele feit dat de bepalingen van de kredietovereenkomst vooraf door een van de contractpartijen zijn vastgesteld, er als zodanig niet aan in de weg kan staan dat er een dienst inzake kredietbemiddeling wordt verricht, heeft de omstandigheid dat de kredietbemiddelaar geen invloed uitoefent op de inhoud van de kredietofferte noodzakelijkerwijs geen gevolgen voor de kwalificatie van de activiteiten van deze verrichter van bemiddelingsdiensten die vallen onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn.

31 Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de kredietbemiddelaar niet bevoegd is om in naam en voor rekening van de kredietinstelling te handelen. Zoals blijkt uit de in punt 27 hierboven aangehaalde rechtspraak, kan de vrijstelling van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn niet afhangen van het bestaan van een contractuele band tussen de verrichter van de bemiddelingsdienst en een partij bij de kredietovereenkomst, maar moet daarvoor worden gekeken naar de aard zelf en het doel van de verrichte dienst. Zoals in punt 29 hierboven is opgemerkt en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, zijn de door Versãofast verrichte kredietbemiddelingsactiviteiten samen beschouwd bedoeld om het nodige te doen opdat een kredietinstelling met potentiële klanten kredietovereenkomsten sluit, en kunnen deze dus alleen al daarom een activiteit van „bemiddeling inzake kredieten” in de zin van die bepaling vormen.

32 In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat weliswaar in verschillende taalversies van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn zoals de Portugese, de Franse en de Engelse versie respectievelijk de termen „negociação”, „négociation” en „negotiation” worden gebruikt, maar dat in andere taalversies zoals de Duitse, de Finse, de Zweedse, de Deense en de Nederlandse versie respectievelijk de termen „Vermittlung”, „välitys”, „förmedling”, „formidling” en „bemiddeling” worden gehanteerd. Deze bewoordingen verwijzen in de omgangstaal naar een bemiddelingsactiviteit die ertoe strekt twee partijen in staat te stellen onderling een overeenkomst te sluiten, zonder dat de bemiddelaar noodzakelijkerwijs door een van de partijen bij de overeenkomst is gemachtigd om de contractuele bepalingen vast te stellen of om in naam en voor rekening van die partij op te treden, bijvoorbeeld met het oog op de sluiting van die overeenkomst. Aldus zijn die bewoordingen in overeenstemming met de uitlegging van het begrip „bemiddeling” in de in punt 23 hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof.

33 Aan de kwalificatie van de door Versãofast verrichte diensten als diensten die „bemiddeling inzake kredieten” vormen in de zin van artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn kan evenmin worden afgedaan door het feit dat de klanten vrij blijven om al dan niet een kredietovereenkomst aan te gaan en nog kunnen kiezen met welke kredietinstelling zij de overeenkomst zullen sluiten. Zoals blijkt uit de in punt 23 hierboven aangehaalde rechtspraak, kan een kredietbemiddeling zich er immers toe beperken twee partijen in staat te stellen zelf een kredietovereenkomst te sluiten. De krachtens die bepaling vrijgestelde activiteit houdt voor de potentiële partijen bij een kredietovereenkomst met name geen beperking van hun contractvrijheid in.

34 Gelet op een en ander dient op de vragen van de verwijzende rechter te worden geantwoord dat artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde vrijstelling voor handelingen van bemiddeling inzake kredieten van toepassing is op activiteiten van een kredietbemiddelaar die klanten zoekt en werft met het oog op het aanbieden van woningkredietovereenkomsten, die hen bijstaat door het uitvoeren van precontractuele werkzaamheden, die belast is met de communicatie met de kredietinstellingen en die door deze kredietinstellingen wordt vergoed op basis van het bedrag van de via zijn bemiddeling gesloten kredietovereenkomsten, ondanks het feit dat, ten eerste, hij niet bevoegd is om namens de kredietinstellingen te handelen en geen enkele invloed kan uitoefenen op de inhoud van de kredietofferten en, ten tweede, de klanten vrij blijven om al dan niet een kredietovereenkomst aan te gaan en nog kunnen kiezen met welke kredietinstelling zij de overeenkomst zullen sluiten.

Kosten

35 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

HET GERECHT (Prejudiciële kamer),

verklaart voor recht:

Artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus worden uitgelegd dat

de in die bepaling bedoelde vrijstelling voor handelingen van bemiddeling inzake kredieten van toepassing is op activiteiten van een kredietbemiddelaar die klanten zoekt en werft met het oog op het aanbieden van woningkredietovereenkomsten, die hen bijstaat door het uitvoeren van precontractuele werkzaamheden, die belast is met de communicatie met de kredietinstellingen en die door deze kredietinstellingen wordt vergoed op basis van het bedrag van de via zijn bemiddeling gesloten kredietovereenkomsten, ondanks het feit dat, ten eerste, hij niet bevoegd is om namens de kredietinstellingen te handelen en geen enkele invloed kan uitoefenen op de inhoud van de kredietofferten en, ten tweede, de klanten vrij blijven om al dan niet een kredietovereenkomst aan te gaan en nog kunnen kiezen met welke kredietinstelling zij de overeenkomst zullen sluiten.

Papasavvas

Pynnä

Laitenberger

Stancu

Dimitrakopoulos

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 november 2025.

ondertekeningen

* Procestaal: Portugees.

ECLI:EU:T:2025:1062

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) (Portugal) op 6 december 2024 – Versãofast, Unipessoal, Lda. / Autoridade Tributária e Aduaneira

(Zaak T-657/24, Versãofast)

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Arbitral Tributário (Centro de Arbitragem Administrativa – CAAD) [scheidsgerecht voor belastingzaken (centrum voor bestuursrechtelijke arbitrage – CAAD)]

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Versãofast, Unipessoal, Lda.

Verwerende partij: Autoridade Tributária e Aduaneira (Belasting- en douanedienst)

Prejudiciële vragen

1) Is artikel 135, lid 1, onder b), van de btw-richtlijn1 , wat het begrip „bemiddeling inzake kredieten” betreft, van toepassing op diensten waarbij voor een kredietinstelling klanten voor hypothecaire leningen worden geworven door een belastingplichtige, die een verbonden kredietintermediair is die is opgericht en opereert overeenkomstig de wettelijke regeling inzake de toegang tot en de uitoefening van de activiteit van kredietintermediair, wanneer deze diensten cumulatief het volgende omvatten:

a) het proactief zoeken naar potentiële klanten voor hypothecaire leningen via een netwerk voor vastgoedbemiddeling (REMAX);

b) het beschikbaar stellen aan potentiële klanten van door de bank verstrekte prospectussen met financiële informatie over hypothecaire kredietproducten;

c) het bijstaan van deze potentiële klanten bij het identificeren van de documentatie die nodig is om een kredietofferte aan te vragen, alsmede bij het samenstellen en controleren van die documentatie;

d) het toezenden van de offerteaanvraag aan de bank;

e) het ontvangen van de antwoorden van de bank;

f) het opstellen van vergelijkende tabellen van de door verschillende banken aangeboden voorwaarden, en het organiseren van bijeenkomsten met potentiële klanten om de voorwaarden en essentiële aspecten van de financiering (zoals de spreads, het jaarlijkse kostenpercentage, de inspanningsratio) te analyseren en te verduidelijken;

g) het mededelen van het besluit van de bank aan de potentiële klant, en

h) een vergoedingsmodel op basis van een „success fee” (succesprovisie), waarbij de tegenprestatie alleen verschuldigd is wanneer er daadwerkelijk een kredietovereenkomst wordt gesloten en waarbij de hoogte van die tegenprestatie afhankelijk is van het volume aan afgesloten/bemiddelde kredieten?

2) Blijft de kwalificatie „bemiddeling inzake kredieten” ook van toepassing wanneer de intermediair niet bevoegd is om namens de bank te handelen en geen invloed heeft op de vaststelling van de in de prospectussen en kredietoffertes gepresenteerde voorwaarden, en het de potentiële kredietnemer vrijstaat om de financiering al dan niet aan te gaan en om te kiezen met welke instelling hij de overeenkomst zal sluiten?

____________

1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

Scroll naar boven