Grove schuld voor aftrek voorbelasting van privéverbouwing champignontransporteur
VOF A is actief in het transport van champignons en kreeg na een boekenonderzoek over het jaar 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting, een vergrijpboete van 25% wegens grove schuld en een belastingrentebeschikking opgelegd door de Belastingdienst. De correcties van de Belastingdienst zagen op geconstateerde aansluitingsverschillen in de administratie en op het ten onrechte in aftrek brengen van voorbelasting ter zake van facturen die betrekking hadden op de verbouwing van de privéwoning (woonboerderij) van de vennoten.
In geschil is of de naheffingsaanslag, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en niet tot te hoge bedragen door de Belastingdienst zijn vastgesteld. VOF A stelt zich op het standpunt dat de correctie voor de voorbelasting onterecht is, omdat zich in de verbouwde woonboerderij tevens zakelijke ruimten bevinden. Daarbovenop bepleit zij matiging dan wel vernietiging van de belastingrentebeschikking met een beroep op het evenredigheidsbeginsel.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, nu VOF A haar stelling inzake het zakelijk gebruik van de woning geenszins met stukken heeft onderbouwd. Ten aanzien van de vergrijpboete heeft de Belastingdienst zich tijdens de beroepsfase reeds op het standpunt gesteld dat deze verminderd diende te worden, omdat de aansluitingsverschillen niet aan grove schuld van VOF A konden worden toegerekend. De rechtbank oordeelt dat voor de aftrek van de privéverbouwing wél sprake is van grove schuld, maar berekent de boete opnieuw per tijdvak, wat resulteert in een bedrag van € 1.711. Vervolgens matigt de rechtbank deze boete met nog eens 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn (undue delay) tot € 1.539, onder verwijzing naar rechtspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2024:2297). De in rekening gebrachte belastingrente blijft in stand; de rechtbank verwerpt het beroep op het evenredigheidsbeginsel expliciet onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:59).
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19-05-2026
Datum publicatie
28-05-2026
Zaaknummer
25/421
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op meer aftrek van voorbelasting. De rechtbank constateert dat ten onrechte geen rekening is gehouden met aansluitingsverschillen. Om die reden dient de vergrijpboete te worden verminderd.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026052802
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/421
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 10 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 79.580 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdige beschikkingen heeft de inspecteur een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd van € 19.895 (de boetebeschikking) en belastingrente in rekening gebracht van € 5.189 (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 12 november 2025,
10:30 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven
e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op
12 november 2025 heeft ontvangen.1 De rechtbank stelt daarmee vast dat (de gemachtigde van) belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag niet naar een hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Verder beoordeelt de rechtbank of de boetebeschikking en belastingrentebeschikking terecht en niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Verder is de boetebeschikking terecht maar naar een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de belastingrentebeschikking terecht en niet naar een te hoog bedrag is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Belanghebbende is een vennootschap onder firma. De heer [vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] ) en mevrouw [vennoot 2] (hierna: [vennoot 2] ) zijn de vennoten van belanghebbende. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het transporteren van champignons in gekoelde opleggers.
3.1.
De inspecteur heeft bij brief van 27 juni 2022 een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangifte omzetbelasting over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022.
3.2.
De inspecteur heeft bij brief van 27 maart 2023 aangekondigd dat de reikwijdte van het boekenonderzoek wordt uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022. Gelijktijdig heeft hij belanghebbende verzocht om financiële administratie en onderliggende bescheiden te overleggen.
3.3.
In antwoord op het verzoek van de inspecteur heeft gemachtigde (na daartoe te zijn herinnerd) bij e-mailbericht van 16 mei 2023 de winst- en verliesrekening en de grootboekkaarten overgelegd.
3.4.
Het eindgesprek van het boekenonderzoek heeft bij belanghebbende plaatsgevonden op 27 september 2023. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt waarin – voor zover relevant – het volgende staat:
“Ik heb met de heer [gemachtigde] de bevindingen van het onderzoek doorgenomen. Hij kan zich vinden in de correcties en gaat hiermee akkoord.
Boete
Met betrekking tot de boete verklaart de heer [gemachtigde] dat de naheffing volledig te wijten is
aan hem. Hij is nalatig geweest in het doen van de juiste aangifte.”
3.5.
De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in het controlerapport van 27 november 2023. Daarin heeft de inspecteur aansluitingsverschillen geconstateerd tussen de administratie van belanghebbende en de ingediende aangiften. Verder heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte een bedrag aan voorbelasting van € 8.417 in aftrek is gebracht. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende:
“4.3 Voorbelasting
Door mij is de voorbelasting beoordeeld op zakelijkheid. Omdat het gezin [vennoot 1] hun woning heeft verbouwd heb ik bij onderstaande facturen vragen gesteld over de zakelijkheid.
De heer [gemachtigde] heeft verklaard dat deze kosten inderdaad betrekking hebben op de verbouwing van de privéwoning. Ik ga de geclaimde voorbelasting corrigeren.
Maand Bedrag
Boekstuk Omschrijving BTW
Te vorderen BTW hoog 22600035 februari Main Energie € 938,00
Te vorderen BTW hoog 22600036 februari PVC € 954,55
Te vorderen BTW hoog 22600047 februari Materiaal € 1.589,10
Te vorderen BTW hoog 22600063 maart Materiaal [naam 1] € 1.129,83
Te vorderen BTW hoog 22600273 september Voegwerk € 56,70
Te vorderen BTW hoog 22600320 oktober Puin afvoer € 54,06
Te vorderen BTW hoog 22600321 oktober Steenslag en grond € 234,98
Te vorderen BTW 6% 22600359 november Schilderwerk € 336,15
Te vorderen BTW hoog 22600393 december lnterieurbouw € 1.561,98
Te vorderen BTW hoog 22600394 december lnterieurbouw € 1.561,98
€ 8.417,33
4.4
Herrekening omzetbelasting
(…)
December
8000 Omzet
€ 71.809
21% € 15.080
omzet naar EU
€ 7.794
1520 te vorderen BTW hoog
€ 12.278
1530 te vorderen BTW laag
€ 4
Correctie voorbelasting
€ -3.124
€ 9.158
€ 5.922
Aangegeven en betaald
december
€ 4.369
€ 4.369
Naheffing
€ 1.553
(…)
5.1
Omzetbelasting
In verband met bovenstaande correcties wordt een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de tijdvakken in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2022 van in totaal€ 79.580 en opgelegd op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Belastingrente wordt berekend conform wet- en regelgeving.
De correctie bedraagt:
Januari
€
17.223
Februari
€
18.901
Maart
€
27.316
April
€
– 462
Mei
€
7.243
Juni
€
-1
Augustus
€
-52
September
€
85
Oktober
€
289
November
€
7.570
December
€
1.553
Totaal
€
79.580
(…)
6.2.1
Vergrijpboete wegens grove schuld verbouwing privéwoning
(…)
De heer [vennoot 1] en/of mevrouw [vennoot 2] zijn op de hoogte van het feit dat de door hun aan de heer [gemachtigde] aangeleverde facturen zien op privébestedingen. Zij hadden moeten weten dat deze facturen niet zakelijk zijn. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat privé uitgaven niet zakelijk geboekt moeten worden. Door niettemin de facturen ten behoeve van de verbouwing van de privéwoning in de administratie op te nemen, op basis waarvan de adviseur de aangiften indient, is ernstig nalatig gehandeld. De adviseur was nog niet bekend met de facturen, dus hem treft geen verwijt. Belastingplichtige, in de persoon van de vennoten, hadden moeten weten dat door het (laten) indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, niet (tijdig) omzetbelasting zou worden betaald (voldaan op aangifte). Daarom is sprake van grove schuld, een aan opzet grenzende grove onachtzaamheid.
(…)
De vergrijpboete bedraagt 25% van de naheffingsaanslag omzetbelasting. 25% van € 79.580 =
€ 19.895.”
3.6.
Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, boete- en belastingrentebeschikking vastgesteld (zie 1.1).
3.7.
In de bezwaarprocedure heeft een hoorgesprek plaatsgevonden op
13 september 2024. Van het hoorgesprek is een verslag opgemaakt waarin – voor zover relevant – het volgende staat:
“Mevrouw [naam 2] vraagt een nadere toelichting op de schriftelijke motivering van het bezwaarschrift. Daarin schrijft gemachtigde dat hij het niet eens is met het standpunt van de Belastingdienst over de aftrekbaarheid van bepaalde inkoopfacturen.
Gemachtigde antwoordt dat belanghebbende een woonboerderij heeft verbouwd waarin zich ook zakelijke ruimten bevinden.”
Motivering
Vooraf: betalingsonmacht
4. Belanghebbende heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. Het verzoek is in een voorlopige beoordeling afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om een vrijstelling van betaling van het griffierecht op goede gronden afgewezen. Belanghebbende heeft namelijk geen gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij voldoet aan de criteria voor een vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Belanghebbende heeft dus terecht het griffierecht ter zake van dit beroep betaald.
Is de naheffingsaanslag naar het juiste bedrag vastgesteld?
4.1.
Op de verschuldigde omzetbelasting wordt onder meer in aftrek gebracht, de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten.2 Dit is, voor zover in deze zaak van belang, de belasting welke in het tijdvak door andere ondernemers ter zake van door hen aan de afnemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, voor zover de goederen en diensten door de afnemer worden gebruikt voor belaste handelingen.3 Op belanghebbende, die voorbelasting op haar aangiften omzetbelasting in aftrek heeft gebracht de bewijslast dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting.
4.2.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur bepaalde facturen ten onrechte niet in aftrek heeft toegestaan. In de bezwaarfase heeft zij daartoe aangevoerd dat de woonboerderij van [vennoot 1] en [vennoot 2] is verbouwd en dat daarin ook zakelijke ruimten aanwezig zijn.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende – tegenover de betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op meer aftrek van voorbelasting dan haar reeds is verleend. Belanghebbende heeft haar standpunt namelijk geenszins met stukken onderbouwd. De inspecteur heeft de correcties bij deze stand van zaken dan ook terecht toegepast. Naar de rechtbank begrijpt worden de correcties in verband met de aansluitverschillen niet betwist door belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur deze correcties aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd.
De boetebeschikking
4.4.
De inspecteur heeft op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 25% van de belasting die is nageheven. Volgens de inspecteur heeft het grofschuldig handelen van belanghebbende ertoe geleid dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan (zie 3.5).
4.5.
De inspecteur heeft zich gedurende de beroepsfase op het standpunt gesteld dat de vergrijpboete dient te worden verminderd tot € 2.1044. Volgens de inspecteur kan het grofschuldig handelen met betrekking tot de geconstateerde aansluitingsverschillen niet aan belanghebbende worden toegerekend. De rechtbank zal de inspecteur daarin volgen. Het beroep is in zoverre dus gegrond.
4.6.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de boete voor het overige (met betrekking tot de aftrek van voorbelasting in verband met de verbouwing van de privéwoning) in stand kan blijven. Daarbij beoordeelt de rechtbank of de inspecteur overtuigend heeft aangetoond dat het aan de grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan.
4.7.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur – onder verwijzing naar de bevindingen in het controlerapport – overtuigend heeft aangetoond dat voor het resterende deel van de vergrijpboete sprake is van grove schuld. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de facturen betrekking hebben op de verbouwing van de woonboerderij. De stelling van belanghebbende dat zich in de woonboerderij ook zakelijke ruimten bevinden, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de onderbouwing van de inspecteur te ontkrachten. Door de op deze facturen vermelde omzetbelasting desondanks als voorbelasting in aftrek te brengen, heeft belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is voldaan. De inspecteur heeft de boete dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Wel dient de boete nog te worden verminderd met betrekking tot het tijdvak december 2022, aangezien per tijdvak moet worden beoordeeld of te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. In dat tijdvak was er een negatief aansluitverschil van € 1.571 en een correctie aftrek voorbelasting van € 3.124. Dat betekent dat voor dat tijdvak € 1.553 te weinig omzetbelasting op aangifte is voldaan. Het totale bedrag waarover de boete wordt berekend is dan € 6.846 en de boete bedraagt dan € 1.711. De rechtbank acht een boete van (uiteindelijk) € 1.711 in de gegeven omstandigheden passend en geboden.
4.8.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank nog wel aanleiding om de boete verder te matigen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (‘undue delay’). De rechtbank stelt vast dat 27 november 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat op die datum het concept controlerapport waarin de boete is aangekondigd aan belanghebbende is toegezonden. De rechtbank doet uitspraak op
19 mei 2026. Sinds de aankondiging van de boete is dan (afgerond) twee jaar en vijf maanden verstreken. De redelijke termijn is als uitgangspunt twee jaar, waardoor de redelijke termijn is overschreden met zes maanden. De boete wordt daarom verder gematigd met 10% tot € 1.539.5
Belastingrente
4.9.
Belanghebbende stelt dat de belastingrentebeschikking dient te worden vernietigd of verminderd. Daartoe verwijst zij naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van
7 november 2024.6
4.10.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van
16 januari 2026 slaagt dit beroep niet.7 Dit betekent dat de in rekening gebrachte belastingrente niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de belastingrentebeschikking te vernietigen of te verminderen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en vermindert de vergrijpboete tot € 1.625. De naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking blijven in stand.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten die zij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. De inspecteur moet die vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase worden de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van 2 punten (bezwaarschrift en het verschijnen ter hoorzitting), met een waarde van € 666 per punt. Ook heeft belanghebbende recht op 1 punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934 per punt. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.266.
Beslissing
De rechtbank:
–
verklaart het beroep gegrond;
–
vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikking;
–
vermindert de vergrijpboete tot € 1.539;
–
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
–
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende;
–
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 mei 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.8
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
1Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2Artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).
3Artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet OB.
4€ 8.417 (boetegrondslag) x 25%.
5Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
6Rechtbank Noord-Nederland 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
7Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
8Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.