HvJ 07-03-2013 Wheels Common Investment Fund Trustees C-424/11

Piggy Bank Pensioen Sparen Geld Spaarpot

HvJ Wheels Common Investment Fund Trustees arrest

Bedrijfspensioenregelingen – Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen

Een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling zijn samengebracht, valt niet onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” waarvan het beheer, gelet op het doel van deze richtlijnen en het beginsel van fiscale neutraliteit, van btw kan worden vrijgesteld aangezien de leden niet het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat en de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen.

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

7 maart 2013 (*)

„Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 77/388/EEG – Vrijstelling voor beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen – Draagwijdte – Bedrijfspensioenregelingen”

In zaak C‑424/11,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) (Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 8 juli 2011, ingekomen bij het Hof op 11 augustus 2011, in de procedure

Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd,

National Association of Pension Funds Ltd,

Ford Pension Fund Trustees Ltd,

Ford Salaried Pension Fund Trustees Ltd,

Ford Pension Scheme for Senior Staff Trustee Ltd

tegen

Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, E. Levits, J.‑J. Kasel en M. Safjan (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: A. Impellizzeri, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 september 2012,

gelet op de opmerkingen van:

–        Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a., vertegenwoordigd door P. Lasok, QC, geïnstrueerd door A. Brown, solicitor,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Murrell als gemachtigde, bijgestaan door R. Hill, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Lyal en C. Soulay als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”) en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a. en de Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (hierna: „Commissioners”) betreffende de weigering van de Commissioners om de voor Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd e.a. verrichte vermogensbeheerdiensten vrij te stellen van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3        De Zesde richtlijn is ingetrokken bij richtlijn 2006/112 die van kracht is geworden op 1 januari 2007. Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde periode zich uitstrekt van 1 juli 2004 tot 30 juni 2007, zijn beide richtlijnen van toepassing op het hoofdgeding.

4        De bewoordingen van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 zijn in wezen identiek. Volgens deze bepalingen stellen de lidstaten „het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten” vrij van btw.

Recht van het Verenigd Koninkrijk

5        Artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding uitgevoerd bij Items 9 en 10 van Group 5 van Schedule 9 bij de Value Added Tax Act 1994 (btw-wet van 1994). Deze bepalingen voorzagen in een vrijstelling voor:

„9.      Het beheer van een erkende instelling voor collectieve belegging in de vorm van een trust [,authorised unit trust’; hierna: ,AUT’] of van een vastgoedfonds;

10.      Het beheer van het ingelegd vermogen van een beleggingsmaatschappij met variabel kapitaal [,Open-ended investment company’; hierna: ,OEIC’].”

6        Teneinde rekening te houden met het arrest van 28 juni 2007 in de zaak JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies (C‑363/05, Jurispr. blz. I‑5517; hierna: „arrest Claverhouse”), is de werkingssfeer van voornoemde Items 9 en 10 met ingang van 1 oktober 2008 gewijzigd bij de Value Added Tax (Finance) (nr. 2) Order 2008 (btw-decreet van 2008 [Financiën]). Overeenkomstig deze Items zijn het beheer van instellingen voor collectieve belegging in de vorm van een OEIC en een AUT en het beheer van gemeenschappelijke beleggingsmaatschappijen met vast kapitaal, zoals de Investment trust companies, voortaan vrijgesteld.

7        De OEIC’s en de AUT’s zijn volgens Note 6 bij Group 5 van Schedule 9 bij de btw-wet van 1994 gedefinieerd in de Financial Services and Markets Act 2000 (wet van 2000 op de financiële diensten en markten).

8        De artikelen 235 tot en met 237 in deel XVII van deze wet luiden met name als volgt:

„235.          Collectieve beleggingsregelingen

(1)      In dit deel wordt onder ‚instelling voor collectieve belegging’ verstaan, iedere regeling met betrekking tot goederen van welke aard ook, inclusief geld, die tot doel of als gevolg heeft dat personen die eraan deelnemen (hetzij doordat zij eigenaar worden van het geheel of een deel van de goederen, hetzij anderszins), kunnen delen in de opbrengsten of inkomsten uit de verkrijging, het bezit, het beheer of de verkoop van de goederen of in de bedragen die uit deze opbrengsten of inkomsten worden uitbetaald, of een deel van de opbrengsten of inkomsten kunnen ontvangen.

(2)      Deze regelingen dienen zodanig te zijn ingericht dat de personen die eraan deelnemen (hierna: ‚deelnemers’) niet doorlopend toezicht uitoefenen op het beheer van de goederen, ongeacht of zij het recht hebben om te worden geraadpleegd of om instructies te geven.

(3)      Tevens dienen deze regelingen ten minste één van de volgende kenmerken te vertonen:

a)      de bijdragen van de deelnemers en de opbrengsten of inkomsten waaruit de betalingen zullen worden verricht, worden samengevoegd;

b)      de goederen worden als één geheel beheerd door of voor rekening van de verantwoordelijke van de regeling.

[…]

236.      Beleggingsmaatschappijen met variabel kapitaal

(1)      In dit deel wordt onder ‚beleggingsmaatschappij met variabel kapitaal’ verstaan, een instelling voor collectieve belegging die zowel aan de voorwaarde betreffende het vermogen als aan de voorwaarde betreffende de beleggingen voldoet.

(2)      De voorwaarde betreffende het vermogen houdt in dat de goederen economisch toebehoren aan en worden beheerd door of voor rekening van een rechtspersoon (body corporate, ,BC’) die tot doel heeft deze fondsen te beleggen teneinde:

a)      het beleggingsrisico te spreiden; en

b)      haar leden te laten delen in de resultaten van het beheer van die fondsen door of voor rekening van die rechtspersoon.

[…]

237.      Overige definities

[…]

(3)      In dit deel wordt verstaan onder:

‚authorised unit trust’, een unit trust die voor de doeleinden van deze wet is erkend bij een krachtens artikel 243 vastgesteld erkenningsbesluit;

,beleggingsmaatschappij met variabel kapitaal’, een krachtens de in artikel 262 bedoelde reglementen opgerichte maatschappij die is erkend bij een besluit dat is vastgesteld op grond van één van de bepalingen van de reglementen als bedoeld in artikel 262, lid 2, sub l.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9        Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd (hierna: „Wheels”) is de „trustee” van het fonds waarin de activa van de bedrijfspensioenregelingen die Ford Motor Company heeft ingesteld om te voldoen aan de verplichtingen die krachtens de nationale wetgeving en de collectieve overeenkomsten op haar rusten, zijn samengevoegd voor beleggingsdoeleinden.

10      Elk van deze regelingen voorziet in de uitkering aan een categorie gewezen werknemers van pensioenen die zijn berekend op basis van het laatste loon van de aangesloten leden en hun aantal dienstjaren bij de onderneming. Alle werknemers kunnen zich op vrijwillige basis aansluiten bij de regeling, en tijdens hun tewerkstelling vaste bijdragen storten waarvan het bedrag wordt ingehouden op hun loon. Ook de werkgever stort bijdragen, ten belope van voldoende hoge bedragen om de resterende kosten van de pensioenuitkeringen te kunnen financieren.

11      Capital International Limited verrichtte ten tijde van de feiten vermogensbeheerdiensten voor Wheels. Overeenkomstig de btw-wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is Wheels btw in rekening gebracht, die is afgedragen aan de Commissioners.

12      In de loop van september 2007, na de uitspraak van het voornoemde arrest Claverhouse, heeft Capital International Limited de Commissioners verzocht om terugbetaling van de btw over de door haar verrichte vermogensbeheerdiensten, met het betoog dat deze diensten – naargelang de betrokken periode – onder de vrijstelling van artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112, dan wel onder de in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling vielen.

13      Bij besluit van 2 januari 2008 hebben de Commissioners dit verzoek afgewezen. Daarop heeft Wheels tegen dit besluit beroep ingesteld bij de First-tier Tribunal (Tax Chamber). Hoewel de voor Wheels verrichte diensten volgens de verwijzende rechter diensten van „beheer” in de zin van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 vormen, is het onzeker of het fonds van Wheels als een „gemeenschappelijk beleggingsfonds” in de zin van deze vrijstelling kan worden aangemerkt.

14      In die omstandigheden heeft de First-tier Tribunal (Tax Chamber) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:

„1)      Kan het begrip ,gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde btw-richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 ook betrekking hebben op (i) een door een werkgever ingestelde bedrijfspensioenregeling die is bedoeld om aan werknemers pensioenuitkeringen te verschaffen en/of op (ii) een gemeenschappelijk beleggingsfonds waarin de activa van verschillende van deze pensioenregelingen voor beleggingsdoeleinden worden samengebracht, wanneer voor de betrokken pensioenregelingen het volgende geldt:

a)      de pensioenuitkeringen die een aangeslotene kan ontvangen, worden vooraf in de oprichtingsbesluiten van de regeling vastgesteld (aan de hand van een formule die is gebaseerd op het loon van de aangesloten werknemer en diens aantal dienstjaren bij de werkgever), en niet op basis van de waarde van de activa van de regeling;

b)      de werkgever is verplicht om aan de regeling bij te dragen;

c)      enkel werknemers van de werkgever kunnen aan de regeling deelnemen en hieruit uitkeringen ontvangen (wie aan de regeling deelneemt wordt hierna aangeduid als ,lid’);

d)      het staat een werknemer vrij om zich al dan niet bij de regeling aan te sluiten;

e)      een aangesloten werknemer is doorgaans verplicht om een bepaald percentage van zijn loon aan de regeling af te dragen;

f)      de bijdragen van de werkgever en van de leden worden door de trustee van de regeling samengebracht en belegd (in het algemeen in effecten), teneinde een fonds aan te leggen waaruit de in de regeling vastgestelde uitkeringen aan de leden zullen worden uitbetaald;

g)      indien de regeling meer activa heeft dan noodzakelijk is om de in de regeling vastgestelde uitkeringen te voldoen, kunnen de trustee van de regeling en/of de werkgever overeenkomstig de voorwaarden van de regeling en de toepasselijke nationale bepalingen opteren voor één of meerdere van de volgende maatregelen: ten eerste, de bijdragen van de werkgever aan de regeling verminderen, ten tweede, het overschot geheel of gedeeltelijk aan de werkgever overdragen of, ten derde, de aan de leden van de regeling toekomende uitkeringen verhogen;

h)      indien de regeling onvoldoende activa heeft om alle in de regeling vastgestelde uitkeringen te verrichten, is de werkgever in beginsel verplicht om het tekort aan te zuiveren en, indien hij dit niet doet of daartoe niet in staat is, worden de uitkeringen aan de leden verminderd;

i)      de regeling biedt de leden de mogelijkheid om vrijwillig aanvullende bijdragen (,additional voluntary contributions’ of ,AVC’) te storten die niet in de regeling worden behouden maar voor beleggingsdoeleinden aan een derde worden overgedragen, teneinde volgens het rendement van de gedane beleggingen aanvullende uitkeringen te ontvangen (deze bijdragen zijn niet aan btw onderworpen);

j)      de leden hebben het recht om hun in het kader van de regeling verworven pensioenrechten (gewaardeerd op basis van de actuariële waarde van deze rechten op het tijdstip van de overdracht) aan andere pensioenregelingen over te dragen;

k)      de door de werkgever en de leden aan de regeling overgemaakte bijdragen worden, niet als een inkomen van de leden beschouwd, wat de door de lidstaat geheven inkomstenbelasting betreft;

l)      de pensioenuitkeringen die de leden uit de regeling ontvangen, worden wel als een inkomen van de leden beschouwd, wat de door de lidstaat geheven inkomstenbelasting betreft;

m)      de kosten voor het beheer van de regeling worden door de werkgever en niet door de leden van de regeling gedragen?

2)      Gelet op de doelstellingen van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112, het beginsel van fiscale neutraliteit en de omstandigheden als beschreven in de eerste vraag:

a)      mag een lidstaat de fondsen die onder het begrip ,gemeenschappelijke beleggingsfondsen’ vallen, in zijn nationale wetgeving aldus definiëren dat deze niet de fondsen omvatten waarvan sprake is in de eerste vraag maar wel de instellingen voor collectieve belegging als bedoeld in richtlijn 85/611[/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 375, blz. 3), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 januari 2002 (PB L 41, blz. 35; hierna: ,icbe’s-richtlijn’)]?

b)      in hoeverre zijn in voorkomend geval de volgende omstandigheden relevant bij de beoordeling of een in de eerste vraag bedoeld fonds door een lidstaat als een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van zijn nationale wetgeving moet worden aangemerkt:

–        de kenmerken van het fonds, zoals beschreven in de eerste vraag;

–        de mate waarin het fonds ,vergelijkbaar is met en concurreert met’ beleggingsvehikels die door de lidstaat reeds als gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn aangemerkt?

3)      Indien uit het antwoord op de tweede vraag, sub b, tweede streepje, blijkt dat moet worden nagegaan in hoeverre het fonds ,vergelijkbaar is met en concurreert met’ beleggingsvehikels die door de lidstaat reeds als gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn aangemerkt, moeten de vraag naar de aanwezigheid of de intensiteit van de ,concurrentie’ tussen het betrokken fonds en die andere beleggingsvehikels en de vraag naar de ,vergelijkbaarheid’ dan als twee afzonderlijke vragen worden beschouwd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

15      Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of – en onder welke voorwaarden – de activa van een bedrijfspensioenregeling en het beleggingsfonds waarin zij zijn samengevoegd, onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 vallen.

16      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de vrijstellingen die met name in artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en in artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 zijn neergelegd, volgens vaste rechtspraak weliswaar autonome begrippen van het Unierecht zijn, die in beginsel een gemeenschappelijke definitie moeten krijgen om te voorkomen dat het btw-stelsel door de lidstaten uiteenlopend wordt toegepast, zodat de lidstaten de inhoud van deze vrijstellingen niet kunnen wijzigen, maar dat hiervan evenwel geen sprake is wanneer de wetgever de omschrijving van bepaalde termen van een vrijstelling aan de lidstaten heeft overgelaten (zie in die zin arrest van 4 mei 2006, Abbey National, C‑169/04, Jurispr. blz. I‑4027, punten 38 en 39, alsook arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punten 19 en 20). De betrokken bepalingen laten de definitie van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” over aan de lidstaten (zie in die zin arresten Abbey National, reeds aangehaald, punten 40 en 41, en Claverhouse, reeds aangehaald, punt 43).

17      Deze aldus aan de lidstaten toegekende bevoegdheid wordt evenwel ingeperkt door de verplichting om de door de wetgever van de Unie voor de vrijstelling gebruikte termen te eerbiedigen (zie arrest Claverhouse, punt 21). Een lidstaat kan met name niet de beleggingsfondsen selecteren die onder de vrijstelling vallen en die welke niet onder de vrijstelling vallen, zonder elke betekenis aan het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” zelf te ontnemen. Voornoemde bepalingen kennen de lidstaten dus enkel de bevoegdheid toe om in hun nationale recht de fondsen te definiëren die onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” vallen (zie arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punten 41‑43).

18      Tevens dienen de lidstaten bij de uitoefening van de hun toegekende bevoegdheid om het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” te omschrijven, rekening te houden met de doelstellingen die de Zesde richtlijn en richtlijn 2006/112 nastreven, alsook met het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit (zie arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punten 22 en 43).

19      In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat de vrijstelling voor verrichtingen in verband met het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen met name tot doel heeft, beleggen in effecten via beleggingsinstellingen voor beleggers te vergemakkelijken door de btw-kosten uit te sluiten en er aldus voor te zorgen dat het gemeenschappelijke btw-stelsel fiscaal neutraal is wat de keuze tussen rechtstreeks beleggen in effecten en beleggen via gemeenschappelijke beleggingsfondsen betreft (arresten Abbey National, reeds aangehaald, punt 62, en Claverhouse, reeds aangehaald, punt 45).

20      Voorts verzet het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen dat ondernemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de btw-heffing verschillend worden behandeld (zie in die zin arresten van 16 september 2004, Cimber Air, C‑382/02, Jurispr. blz. I‑8379, punten 23 en 24, en 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280/04, Jurispr. blz. I‑10683, punt 39; arresten Abbey National, reeds aangehaald, punt 56, en Claverhouse, reeds aangehaald, punt 29).

21      Bovendien moet worden opgemerkt dat dit beginsel niet vereist dat er sprake is van identieke handelingen. Uit vaste rechtspraak blijkt immers dat dit beginsel zich tevens ertegen verzet dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (zie met name arresten van 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C‑109/02, Jurispr. blz. I‑12691, punt 20; 17 februari 2005, Linneweber en Akritidis, C‑453/02 en C‑462/02, Jurispr. blz. I‑1131, punt 24; 26 mei 2005, Kingscrest Associates en Montecello, C‑498/03, Jurispr. blz. I‑4427, punt 54; 8 juni 2006, L.u.P., C‑106/05, Jurispr. blz. I‑5123, punt 32; 12 januari 2006, Turn‑ und Sportunion Waldburg, C‑246/04, Jurispr. blz. I‑589, punt 33, en 27 april 2006, Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen, C‑443/04 en C‑444/04, Jurispr. blz. I‑3617, punt 39, alsook arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punt 46).

22      Bijgevolg moet worden vastgesteld of een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling worden samengevoegd en dat kenmerken vertoont als die van het fonds dat in het hoofdgeding aan de orde is, identiek is aan de fondsen die „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” zijn in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112, of zodanig vergelijkbaar is met deze fondsen dat het daarmee concurreert.

23      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de fondsen die instellingen voor collectieve belegging in effecten in de zin van de icbe’s-richtlijn vormen, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn (zie in die zin met name arrest van 19 juli 2012, Deutsche Bank, C‑44/11, punt 32). Zoals uit artikel 1, lid 2, van deze richtlijn blijkt, zijn de instellingen voor collectieve beleggingen in effecten immers instellingen waarvan, zoals de AUT’s en de OEIC’s (zie in die zin arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punt 50), het uitsluitend doel de collectieve belegging in effecten van uit het publiek aangetrokken kapitaal is, overeenkomstig het doel van de vrijstelling van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112.

24      Bovendien moeten ook fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in de zin van de icbe’s-richtlijn zijn, maar dezelfde kenmerken als deze instellingen vertonen en dus dezelfde handelingen verrichten of op zijn minst zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren, als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt (zie in die zin arresten Abbey National, reeds aangehaald, punten 53‑56, en Claverhouse, reeds aangehaald, punten 48‑51).

25      Een beleggingsfonds als dat in het hoofdgeding waarin de activa van een pensioenregeling worden samengevoegd, kan evenwel niet als een instelling voor collectieve belegging in de zin van de icbe’s-richtlijn worden aangemerkt. Een dergelijk fonds is immers geen openbaar fonds maar vormt, zoals uit de verwijzingsbeslissing volgt, een aan een arbeidscontract verbonden voordeel dat de werkgevers enkel aan hun werknemers bieden. Een dergelijk fonds is dus niet identiek aan de fondsen die een „gemeenschappelijk beleggingsfonds” vormen in de zin van artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112.

26      Een dergelijk beleggingsfonds is evenmin dermate vergelijkbaar met de instellingen voor collectieve belegging zoals die in de icbe’s-richtlijn zijn omschreven, dat het daarmee concurreert. Zij verschillen namelijk op meerdere punten, zodat zij niet kunnen worden geacht in dezelfde behoeften te voorzien.

27      Anders dan particuliere beleggers die hun vermogen bij een instelling voor collectieve belegging inleggen, dragen de leden van een pensioenregeling zoals die in het hoofdgeding met name niet het risico dat verbonden is aan het beheer van het beleggingsfonds waarin de activa van die regeling zijn samengebracht (zie in die zin arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punt 50). Terwijl het pensioen dat een werknemer die lid is van een pensioenregeling als in het hoofdgeding kan ontvangen, geenszins afhankelijk is van de waarde van de activa van de regeling en de resultaten van de door de beheerders van de regeling verrichte beleggingen, maar vooraf is vastgesteld naargelang het aantal dienstjaren bij de werkgever en het bedrag van het loon, is het rendement dat personen mogen verwachten van de door hen gekochte rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging afhankelijk van de resultaten van de beleggingen door de beheerders van het fonds in de periode waarin zij deze rechten van deelneming aanhielden.

28      Bovendien verschilt een pensioenregeling als die in het hoofdgeding ook vanuit het oogpunt van de werkgever van een instelling voor collectieve belegging. Ook al moet de werkgever, net als een persoon die in een instelling voor collectieve belegging belegt, de financiële gevolgen van de door de beheerders van de regeling gedane beleggingen dragen, is zijn situatie niet vergelijkbaar met die van een persoon die in een instelling voor collectieve belegging belegt, aangezien zijn bijdragen aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen.

29      Uit het voorgaande volgt dat op de vragen moet worden geantwoord dat artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling zijn samengebracht, niet onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepalingen valt waarvan het beheer, gelet op het doel van deze richtlijnen en het beginsel van fiscale neutraliteit, van btw kan worden vrijgesteld aangezien de leden niet het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat en de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen.

Kosten

30      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, B, sub d, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, en artikel 135, lid 1, sub g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat een beleggingsfonds waarin de activa van een pensioenregeling zijn samengebracht, niet onder het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” in de zin van deze bepalingen valt waarvan het beheer, gelet op het doel van deze richtlijnen en het beginsel van fiscale neutraliteit, van belasting over de toegevoegde waarde kan worden vrijgesteld aangezien de leden niet het risico dragen dat met het beheer van dat fonds gepaard gaat en de bijdragen van de werkgever aan de pensioenregeling voor hem een middel zijn om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.

ECLI:EU:C:2013:144