HvJ Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej Beslissing tot heroverweging
Het HvJ heeft een bijzondere beslissing genomen inzake de vraag op welk moment het recht op aftrek van voorbelasting van btw kan worden uitgeoefend. De oorspronkelijke procedure betrof een prejudiciële verwijzing van de hoogste Poolse bestuursrechter inzake een geschil met de Poolse Belastingdienst. Het Gerecht heeft op 11 februari 2026 in de zaak Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24) geoordeeld over een situatie waarin de belastingplichtige voldeed aan de materiële voorwaarden voor btw-aftrek in een bepaald tijdvak, maar de desbetreffende factuur pas ontving ná dat tijdvak, doch vóór de indiening van de daadwerkelijke btw-aangifte.
De vraag is of dit eerdere oordeel van het Gerecht een ernstig gevaar vormt voor de eenheid en samenhang van het Unierecht. De eerste advocaat-generaal heeft krachtens artikel 62 van het Statuut van het HvJ EU voorgesteld om deze beslissing te heroverwegen. Daarbij is het de vraag of de uitleg van het Gerecht verenigbaar is met gevestigde jurisprudentie van het HvJ, in het bijzonder de arresten Terra Baubedarf-Handel (C‑152/02) en Aptiv Services Hungary (C‑521/24).
Het HvJ (Kamer van heroverweging) volgt het voorstel van de eerste advocaat-generaal en besluit dat het arrest van het Gerecht van 11 februari 2026 moet worden heroverwogen. De heroverweging zal zich specifiek richten op de vraag of de beslissing van het Gerecht de eenheid of samenhang van het recht van de Unie aantast, door toe te staan dat het aftrekrecht wordt uitgeoefend in een tijdvak waarin de factuur nog niet was ontvangen. Belanghebbenden in de zin van artikel 23 van het Statuut van het HvJ EU hebben één maand de tijd vanaf de betekening van de beslissing om hun schriftelijke opmerkingen bij het Hof in te dienen.
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), dient te worden heroverwogen.
2) De heroverweging zal betrekking hebben op de vraag of het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), gelet op met name de arresten van 29 april 2004, Terra Baubedarf-Handel (C‑152/02, EU:C:2004:268), en 12 maart 2026, Aptiv Services Hungary (C‑521/24, EU:C:2026:191), de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie aantast doordat het Gerecht voor recht heeft verklaard dat:
artikel 167, artikel 168, onder a), en artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de beginselen van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waaruit volgt dat de belastingplichtige het recht op aftrek van de voorbelasting niet kan uitoefenen bij de aangifte voor een tijdvak waarin hij heeft voldaan aan de materiële voorwaarden voor dat recht indien hij de desbetreffende factuur in dat tijdvak nog niet had ontvangen, hoewel hij die factuur wel voor indiening van die aangifte heeft ontvangen.
3) De in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden wordt verzocht om binnen de maand te rekenen vanaf de betekening van de onderhavige beslissing hun schriftelijke opmerkingen over deze vraag bij het Hof neer te leggen.
BESLISSING VAN HET HOF (Kamer van heroverweging)
26 maart 2026 (*)
„ Heroverweging ”
In zaak C‑167/26 RX,
betreffende een voorstel tot heroverweging dat de eerste advocaat-generaal op 4 maart 2026 krachtens artikel 62 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gedaan,
neemt
HET HOF (Kamer van heroverweging),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Kamer van heroverweging, F. Schalin (rapporteur), M. Gavalec en Z. Csehi, rechters,
de navolgende
Beslissing
1 Het voorstel tot heroverweging van de eerste advocaat-generaal betreft het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), waarin het Gerecht uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een prejudiciële beslissing dat is ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen).
2 Met zijn arrest heeft het Gerecht in antwoord op de vraag van de verwijzende rechter voor recht verklaard dat „[a]rtikel 167, artikel 168, onder a), en artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde [(PB 2006, L 347, blz. 1)] en de beginselen van neutraliteit van de [belasting over de toegevoegde waarde (btw)] en evenredigheid [aldus moeten] worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waaruit volgt dat de belastingplichtige het recht op aftrek van de voorbelasting niet kan uitoefenen bij de aangifte voor een tijdvak waarin hij heeft voldaan aan de materiële voorwaarden voor dat recht indien hij de desbetreffende factuur in dat tijdvak nog niet had ontvangen, hoewel hij die factuur wel voor indiening van die aangifte heeft ontvangen”.
3 Uit artikel 256, lid 3, derde alinea, VWEU volgt dat de beslissingen die het Gerecht over prejudiciële vragen geeft, op de wijze en binnen de grenzen die in het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald bij uitzondering door het Hof kunnen worden heroverwogen, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
4 Krachtens artikel 62 van dat Statuut kan de eerste advocaat-generaal het Hof voorstellen om de beslissing van het Gerecht te heroverwegen, wanneer hij van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
5 In dit verband volgt uit artikel 194, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat de Kamer van heroverweging, wanneer zij een dergelijk voorstel ontvangt, beslist of de beslissing van het Gerecht moet worden heroverwogen. De beslissing tot heroverweging van de beslissing van het Gerecht vermeldt enkel de vragen die voorwerp van de heroverweging zijn.
6 In casu is de Kamer van heroverweging van oordeel dat het arrest van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), dient te worden heroverwogen.
7 De vraag waarop deze heroverweging betrekking heeft, is opgenomen in punt 2 van het dictum van de onderhavige beslissing.
Het Hof (Kamer voor heroverweging) beslist:
1) Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), dient te worden heroverwogen.
2) De heroverweging zal betrekking hebben op de vraag of het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 11 februari 2026, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (T‑689/24, EU:T:2026:113), gelet op met name de arresten van 29 april 2004, Terra Baubedarf-Handel (C‑152/02, EU:C:2004:268), en 12 maart 2026, Aptiv Services Hungary (C‑521/24, EU:C:2026:191), de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie aantast doordat het Gerecht voor recht heeft verklaard dat:
artikel 167, artikel 168, onder a), en artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en de beginselen van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en evenredigheid aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling waaruit volgt dat de belastingplichtige het recht op aftrek van de voorbelasting niet kan uitoefenen bij de aangifte voor een tijdvak waarin hij heeft voldaan aan de materiële voorwaarden voor dat recht indien hij de desbetreffende factuur in dat tijdvak nog niet had ontvangen, hoewel hij die factuur wel voor indiening van die aangifte heeft ontvangen.
3) De in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden wordt verzocht om binnen de maand te rekenen vanaf de betekening van de onderhavige beslissing hun schriftelijke opmerkingen over deze vraag bij het Hof neer te leggen.
ondertekeningen
* Procestaal: Pools.