Miljoenencorrectie goudhandelaar deels onderuit wegens schending verdedigingsbeginsel

Een vennootschap onder firma in de goudhandel wordt geconfronteerd met forse fiscale correcties na een boekenonderzoek door de Belastingdienst. De Belastingdienst legde de miljoenennaheffingen op wegens enorme onverklaarbare voorraadverschillen in de administratie, het onterecht toepassen van de verleggingsregeling bij de binnenlandse verkoop van sieraden en het zonder bewijs hanteren van het nultarief voor export.

De vraag is of de naheffingsaanslagen over 2012 en 2013-2015 terecht zijn opgelegd met omkering en verzwaring van de bewijslast. Specifieke subvragen voor het Gerechtshof zijn of de verleggingsregeling van toepassing is op afgewerkte sieraden, of de handelaar aan de zware bewijslast voor het nultarief heeft voldaan, en of de aanslag over het jaar 2012 moet vervallen vanwege een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bewijslast terecht is omgekeerd, omdat de voorraadadministratie dermate gebrekkig is dat deze de toets der kritiek niet kan doorstaan. Ook oordeelt het Gerechtshof dat de verleggingsregeling niet geldt voor afgewerkte gouden sieraden, conform HvJ 26 mei 2016, Envirotec Denmark ApS, C-550/14, ECLI:EU:C:2016:354. Toch vernietigt het Gerechtshof de volledige aanslag over 2012, omdat de Belastingdienst uit angst voor verjaring te gehaast heeft opgetreden en de belastingplichtige daarmee zijn recht op de reactietermijn o.g.v. het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is ontnomen. De HR verwerpt het beroep in cassatie zonder verdere motivering, via artikel 81 lid 1 RO.
Hoge Raad

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2026
Datum publicatie
19-06-2026
Zaaknummer
24/02557
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:3479
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken,Cassatie
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2026/1215
Viditax (FutD) 2026061905
FutD 2026-1075
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/02557

Datum 19 juni 2026

ARREST

in de zaak van

de vennootschap onder firma [X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 mei 2024, nrs. BK-ARN 21/904, BK-ARN 21/905, BK-ARN 21/994 en BK-ARN 21/9951, op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/3787 en AWB 19/3789) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.L. Faber, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.

1ECLI:NL:GHARL:2024:3479.

ECLI:NL:HR:2026:971

Scroll naar boven