Wedstrijddeelname in de EU doorkruist nultarief bij uitvoer van sportpaard

A VOF exploiteert een sportpaardenbedrijf en verkoopt in het tweede kwartaal van 2018 een sportpaard aan een koper gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten voor € 150.000 met toepassing van het nultarief voor de omzetbelasting. Op 24 april 2018 spreken partijen schriftelijk af dat de koper uiterlijk 31 oktober 2018 uitvoerdocumenten overlegt, bij gebreke waarvan alsnog 21% btw (€ 31.500) wordt gefactureerd. Na ontvangst van de koopsom op 30 april 2018 haalt de ruiter van de koper het paard op en brengt het naar zijn stal in Portugal, waar het paard tussen 6 en 14 juli 2018 wordt getraind en zesmaal wordt uitgebracht in wedstrijden. Pas op 6 september 2018 wordt het paard fysiek uit de EU naar de Verenigde Arabische Emiraten uitgevoerd. De Belastingdienst weigert de toepassing van het nultarief en legt naheffingsaanslagen omzetbelasting op.

De vraag is of de Belastingdienst het nultarief voor omzetbelasting bij uitvoer terecht heeft geweigerd omdat het sportpaard vóór de feitelijke export in Portugal is getraind en ingezet tijdens wedstrijden.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat het nultarief bij uitvoer terecht is geweigerd. Het Hof overweegt dat voor de btw-vrijstelling bij uitvoer vereist is dat het eerste gebruik of verbruik van het goed plaatsvindt in het derde land van bestemming (HvJ 28 maart 2019, Milan Vinš, C-275/18, ECLI:EU:C:2019:265 en HvJ 1 augustus 2025, W. sp. z o.o., C-602/24, ECLI:EU:C:2025:627). Hoewel het in goede conditie houden van het paard via training het nultarief niet belemmert, gaat het deelnemen aan wedstrijden veel verder en levert dit eerste gebruik op overeenkomstig de bestemming als sportpaard binnen de EU. Hierdoor is het materieel en temporeel verband tussen de levering en de uitvoer verbroken.

Voor het tegenovergestelde (?) standpunt van hetzelfde hof op dezelfde dag, maar met een andere kamer, zie: Btw-nultarief bij export van paard blijft overeind ondanks tussentijdse EU-wedstrijden.

Afbeelding en samenvatting door de redactie m.b.v. Gemini

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2026
Datum publicatie
27-10-2026
Zaaknummer
25/1185 en 25/1186
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:4081, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting. Nultarief bij uitvoer. Verzuimboete. Belanghebbende exploiteert een sportpaardenbedrijf en heeft een sportpaard verkocht aan een koper gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten en ter zake het nultarief in de omzetbelasting voor uitvoer toegepast. Nu het paard voor het verlaten van de Europese Unie in Portugal heeft deelgenomen aan wedstrijden, wat verder gaat dan het in goede conditie of goede staat houden van het paard, heeft het eerste gebruik van het paard in Portugal (de EU) plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de uitvoer van het paard heeft plaatsgevonden in verband met de door belanghebbende verrichte levering. Het nultarief is niet van toepassing. Het Hof vernietigt wel de verzuimboete, omdat het standpunt van belanghebbende pleitbaar is. (Hoger beroep gegrond)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026102703
NLF 2026/2293
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 25/1185 en 25/1186

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2025, nummers BRE 24/4832 en BRE 24/4833 in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 29.000 (naheffingsaanslag 1). Tegelijkertijd heeft de inspecteur aan belanghebbende bij beschikking € 5.602 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een tweede naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 2.500 (naheffingsaanslag 2). Tegelijkertijd heeft de inspecteur aan belanghebbende bij beschikking € 483 belastingrente in rekening gebracht en aan belanghebbende een verzuimboete van € 250 opgelegd (de boetebeschikking).

1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende en [naam 1] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft verder tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een proceskostenformulier overgelegd.

1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

1.11.
Belanghebbende heeft op 4 juli 2026 een nader stuk ingediend. Belanghebbende heeft hierin niet verzocht het onderzoek te heropenen en zelfs verklaard zich bewust te zijn van het feit dat het hof nu het onderzoek reeds is gesloten, op dit stuk geen acht zal slaan. Het hof heeft op dit stuk geen acht geslagen. Vervolgens heeft belanghebbende op 15 juli 2026 nog een aantal nadere stukken ter kennisneming aan het hof gezonden betreffende jurisprudentie van het Belgische Hof van Cassatie, die volgens belanghebbende nuttig zouden kunnen zijn voor de beoordeling. Ook op deze stukken heeft het hof geen acht geslagen.

2Feiten
2.1.
Belanghebbende exploiteert een sportpaardenbedrijf en is als zodanig ondernemer voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft in het tweede kwartaal van 2018 het sportpaard ‘ [sportpaard] ’ (het paard) verkocht. De koper is gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten.

2.2.
Belanghebbende en de koper zijn, voor zover van belang, op 24 april 2018 het volgende overeengekomen:

“By signing this agreement we, owners of [naam 3] (…) (later in this agreement mentioned as ‘the buyers’, declare to export the horse [sportpaard] (micro chip nr (…)) from Europe to Dubai. And hand over the export papers as a proof of export to [naam 2] (…) (later in this agreement mentioned als ‘the sellers), before the 31st of October 2018.

If for what kind of reason it may be the horse will not get exported to Dubai within this period of time, the sellers will invoice € 31.500,- VAT (21% of € 150.000,-) to the buyers. And the buyers will pay this within 14 days.”

2.3.
Belanghebbende heeft voor de verkoop van het paard een factuur met dagtekening

24 april 2018 uitgereikt aan de koper. Het paard is verkocht voor € 150.000 en hierop is het nultarief voor de omzetbelasting toegepast.

2.4.
Belanghebbende heeft de koopsom ontvangen op 30 april 2018. Het paard is namens de koper afgehaald door de ruiter die voor de koper het paard berijdt en vervolgens meegenomen naar de stal van die ruiter in Portugal. In de periode tussen 6 juli 2018 en 14 juli 2018 heeft het paard deelgenomen aan verschillende wedstrijden in Portugal. Het paard is in juli 2018 zes maal uitgebracht gedurende twee toernooien. Er is ook getraind met het paard in de periode tussen de verkoop en de uitvoer van het paard uit Portugal.

2.5.
Het paard is op 6 september 2018 uitgevoerd vanuit de Europese Unie naar de Verenigde Arabische Emiraten.

2.6.
Belanghebbende heeft de levering in de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2018 aangemerkt als uitvoer uit de Europese Unie tegen het nultarief.

2.7.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en naheffingsaanslag 1 verminderd tot € 23.966, naheffingsaanslag 2 verminderd tot € 2.066, de belastingrentebeschikkingen in overeenstemming hiermee verminderd, de verzuimboete verminderd tot € 206, bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen omzetbelasting, de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikking terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Specifiek is in geschil of:

–
belanghebbende ten onrechte het nultarief voor uitvoer is geweigerd;

–
de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden;

–
het neutraliteitsbeginsel is geschonden.

3.2.
Belanghebbende concludeert, naar het hof begrijpt, tot partiële vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen en de beschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4Gronden
Ten aanzien van het geschil

Nultarief bij uitvoer

4.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op de verkoop van het paard het nultarief van toepassing is in verband met uitvoer uit de Europese Unie (EU). Op het moment van levering is volgens belanghebbende sprake van een voornemen tot uitvoer van het paard uit de EU. Het trainen van het paard en (in dat kader) deelname aan wedstrijden in Portugal tussen verkoop en uitvoer is noodzakelijk om het paard tot de daadwerkelijke uitvoer in goede conditie te houden. Daarnaast is, volgens belanghebbende, sprake van schending van het vertrouwensbeginsel nu de inspecteur vanaf 2020 nieuw beleid (Bindend advies Omzetbelasting, Kennisgroep Overheid, Vrijstellingen en Internationaal, Adviesnummer 19-210-0006, Artikel 9, Tabel II post a2; Tarief uitvoer van paarden, 6 mei 2020), is gaan voeren en strengere eisen is gaan stellen aan de vrijstelling bij uitvoer, daarbij ten onrechte geen uitzondering makend voor transacties die hebben plaatsgevonden vóór de invoering van dit nieuwe beleid. Ook is volgens belanghebbende schending van het neutraliteitsbeginsel aan de orde, nu het bewijs is geleverd dat uitvoer daadwerkelijk plaats heeft gevonden.

4.2.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt volgens belanghebbende dat slechts aan een drietal voorwaarden moet worden voldaan om de vrijstelling van omzetbelasting bij uitvoer van toepassing te laten zijn. In dit kader verwijst belanghebbende naar het arrest Milan Vinš, (HvJ, C-275/18, 28 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:265), waarin het HvJ als volgt overweegt:

“24 Uit de in punt 22 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen en in het bijzonder uit de in genoemd artikel 146, lid 1, onder a), gebruikte term „verzonden”, volgt dat een goed is uitgevoerd en de exportlevering wordt vrijgesteld wanneer de macht om als eigenaar te beschikken over dat goed op de afnemer is overgegaan en de leverancier aantoont dat dit goed naar een plaats buiten de Unie is verzonden of vervoerd en het grondgebied van de Unie ingevolge deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Pieńkowski, C307/16, EU:C:2018:124, punt 25).”

4.3.
Belanghebbende stelt dat geen nadere eisen gesteld kunnen worden aan het nultarief. Het staat, aldus belanghebbende, vast dat het paard uiteindelijk is uitgevoerd naar de Verenigde Arabische Emiraten. Dit blijkt volgens belanghebbende ook uit de documenten die de uitvoer bevestigen, die de koper aan belanghebbende heeft doen toekomen en waarvan ook de inspecteur heeft kunnen kennisnemen.

4.4.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het nultarief ten onrechte is toegepast en dat door het gebruik van het paard voor trainingen en wedstrijden het materieel en temporeel verband tussen verkoop en uitvoer verbroken is, terwijl de aanwezigheid van dit verband ook overigens niet aannemelijk is gemaakt door belanghebbende. Volgens de inspecteur was hij vrij het beleid ten aanzien van de vrijstelling bij uitvoer te formuleren. De inspecteur ontkent ook dat er vóór 2020 sprake was van enig beleid. Volgens de inspecteur is van schending van het vertrouwensbeginsel en het neutraliteitsbeginsel geen sprake.

4.5.
Voorzover belanghebbende betoogt dat het paard conform de douaneregeling ‘uitvoer’ buiten het douanegebied van de Europese Unie is gebracht en dat dat voldoende is om de vrijstelling bij uitvoer in Nederland aan te tonen, is het hof van oordeel dat dit betoog faalt. In het arrest Milan Vinš overweegt het HvJ als volgt:

“27 De kwalificatie van een transactie als exportlevering in de zin van artikel 146, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn kan bijgevolg niet afhangen van de plaatsing van de betrokken goederen onder de douaneregeling uitvoer, waarbij de vrijstelling bij uitvoer wordt ontzegd wanneer dat niet het geval is (zie naar analogie arrest van 19 december 2013, BDV Hungary Trading, C563/12, EU:C:2013:854, punt 27).”

4.6.
Het HvJ oordeelt hier dat voor de vrijstelling van omzetbelasting bij uitvoer doorslaggevend is of de goederen het grondgebied van de EU hebben verlaten en dat dit niet afhankelijk is van het regelmatig beëindigen van de douaneregeling uitvoer. Naar het oordeel van het hof kan hier niet uit worden afgeleid dat indien wordt aangetoond dat de douaneregeling uitvoer is beëindigd door het aantoonbaar verlaten van de goederen van het grondgebied van de EU, de vrijstelling van omzetbelasting bij uitvoer automatisch van toepassing is. Daartoe is naar het oordeel van het hof meer nodig.

4.7.
Het HvJ overweegt ten aanzien van het doel van de vrijstelling bij uitvoer in hetzelfde arrest Milan Vinš als volgt:

23 Deze vrijstelling strekt ertoe te waarborgen dat de betrokken leveringen van goederen worden belast op de plaats van hun bestemming, namelijk de plaats waar de uitgevoerde producten zullen worden verbruikt (zie in die zin arrest van 8 november 2018, Cartrans Spedition, C495/17, EU:C:2018:887, punt 34).

4.8.
In het arrest W. sp. z o.o. (HvJ, C-602/24, 1 augustus 2025, ECLI:EU:C:2025:627) overweegt het HvJ als volgt inzake de uitvoer van een partij appelen uit de Unie:

“31 Wat het derde criterium betreft, dat vereist dat het goed na verzending of vervoer het grondgebied van de Unie fysiek heeft verlaten, staat vast dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde appelen door of voor rekening van de afnemer buiten de Unie zijn vervoerd.

32 Aangezien eveneens vaststaat dat deze appelen niet op het grondgebied van de Unie zijn verbruikt, kan niet worden aangenomen dat de leverancier een levering op het nationale grondgebied heeft verricht.”

4.9.
Uit de in 4.7 en 4.8 aangehaalde rechtspraak van het HvJ leidt het hof af dat het (eerste) verbruik dan wel gebruik van de met de levering uitgevoerde goederen in het derde land van bestemming dient plaats te vinden. Naar het oordeel van het hof heeft in het onderhavige geval het eerste gebruik van het paard niet plaatsgevonden in de Verenigde Arabische Emiraten maar in Portugal. Het voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoer in goede conditie houden van het paard door middel van training hoeft niet in de weg te staan aan de toepassing van het nultarief bij uitvoer. Het deelnemen aan wedstrijden gaat echter veel verder dan het in goede conditie of goede staat houden van het paard en komt in wezen neer op het gebruiken van het paard conform de bestemming van sportpaard. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de uitvoer van het paard heeft plaatsgevonden in verband met de door belanghebbende verrichte levering. Gelet hierop heeft belanghebbende ten onrechte het nultarief voor uitvoer toegepast op de levering. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat het nultarief van toepassing is.

Schending beginselen

4.10.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden doordat de belastingdienst het beleid zoals dat volgens belanghebbende van toepassing was vóór 2020 met terugwerkende kracht heeft aangepast. Naar het oordeel van het hof is tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk geworden dat de belastingdienst een beleid of bestendige gedragslijn heeft gevolgd in de periode vóór het Kennisgroep Bindend Advies van mei 2020 (zie 4.1 van deze uitspraak). Belanghebbende heeft dit niet aannemelijk gemaakt met stukken of andere documenten uit die periode. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake.

4.11.
Ook van een schending van het neutraliteitsbeginsel is geen sprake. Het neutraliteitsbeginsel is een uitleggingsbeginsel en geen zelfstandige toetssteen. Het enkele gegeven dat onder de gegeven omstandigheden omzetbelasting is geheven over een paard, vormt geen schending van dit beginsel.

Slotsom ten aanzien van de naheffingsaanslagen

4.12.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding het hoger beroep voorzover gericht tegen de door de rechtbank verminderde naheffingsaanslagen omzetbelasting en de beschikkingen belastingrente, gegrond te verklaren.

Verzuimboete

4.13.
Tenslotte is nog in geschil de verzuimboete die door de rechtbank uiteindelijk is teruggebracht tot € 206. Naar het oordeel van het hof dient de verzuimboete te worden teruggebracht tot nihil en te worden vernietigd. Zoals blijkt uit de vele procedures die worden gevoerd over de toepassing van het nultarief op de levering van paarden die uit de Europese Unie zijn uitgevoerd, kan er getwijfeld worden over welke activiteiten nog verricht kunnen worden met een sportpaard voordat het daadwerkelijke vervoer naar een plaats buiten de Unie plaatsvindt.1 Het hof is dan ook van oordeel dat het standpunt van belanghebbende pleitbaar is. De aanwezigheid van een pleitbaar standpunt staat aan oplegging van een verzuimboete in de weg.

Slotsom

4.14.
De slotsom is dat het hoger beroep slechts in zoverre gegrond is dat de verzuimboete dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.
De inspecteur dient aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 te vergoeden omdat de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van de verzuimboete wordt vernietigd en het beroep ook op dat punt gegrond had moeten worden verklaard.

4.16.
De rechtbank heeft over het griffierecht in beroep een juiste beslissing genomen. Het hof laat deze beslissing in stand.

Ten aanzien van de proceskosten

4.17.
De rechtbank heeft over de proceskosten voor bezwaar en beroep een juiste beslissing genomen. Het hof laat deze beslissing in stand.

4.18.
Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep geldt het volgende. Voor vergoeding van de werkelijke proceskosten ziet het hof geen aanleiding. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep tegen de verzuimboete gegrond is en berekent deze op basis van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage.

4.19.
Het hof stelt de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.868 (2 (punten) x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak)) en het bedrag aan

reis- en verletkosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de zitting op € 30,86 (retour openbaar vervoer tweede klasse).

5Beslissing
Het hof:

–
verklaart het hoger beroep gegrond, maar alleen voor de verzuimboete;

–
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de verzuimboete;

–
vernietigt de boetebeschikking;

–
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van in totaal € 579 vergoedt;

–
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding in hoger beroep van € 1.868.

De uitspraak is gedaan door W. de Wit, voorzitter, A. van Dongen en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van E.J. Nederveen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.

Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.

De griffier, De voorzitter,

E.J. Nederveen W. de Wit

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1Onder meer: rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 augustus 2023, BRE 19/6396, ECLI:NL:RBZWB:2023:5902; 9 september 2024, BRE 23/9701 en 23/9702, ECLI:NL:RBZWB:2024:6239 en 15 mei 2024, BRE 23/1230, ECLI:NL:RBZWB:2024:3137; en ook de door belanghebbende aangehaalde en in hoger beroep na afloop van de zitting ingezonden uitspraak van het Hof van beroep Antwerpen, van 26 november 2024, rolnummer 2023/AR/1466.

ECLI:NL:GHSHE:2026:2512

Scroll naar boven