A VOF exploiteert een rijwielhandel met een fysieke winkel en een webshop. Bij iedere verkoop van een fiets in de winkel levert A een onderhoudspakket in de vorm van een servicekaart voor drie onderhoudsbeurten (€ 85 voor een normale fiets en € 115 voor een e-bike). Op de factuur vermeldt A voor dit onderhoudspakket het verlaagde btw-tarief onder post b.4 van Tabel I bij de Wet OB, terwijl op de fiets een korting wordt verleend die ten minste even hoog is als het bedrag van het onderhoudspakket. Na een boekenonderzoek legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag op, uitgaande van het algemene btw-tarief van 21% over het gehele factuurbedrag.
In hoger beroep is de vraag of de naheffingsaanslag omzetbelasting over de winkelverkopen terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. De Belastingdienst stelt primair dat de rechtsbetrekking uitsluitend bestaat uit de levering van een fiets (algemeen tarief) en subsidiair dat de servicekaart een bijkomende prestatie vormt die het fiscale lot van de fiets volgt. Meer subsidiair voert de Belastingdienst aan dat de verleende factuurkorting evenredig moet worden toegerekend aan het onderhoudspakket. A stelt primair dat sprake is van een zelfstandige dienst waarop het verlaagde btw-tarief voor het herstellen van fietsen van toepassing is, en doet subsidiair een beroep op het vertrouwensbeginsel ontleend aan een beleidsbesluit van de staatssecretaris.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat uit de combinatie van de factuur en de servicekaart volgt dat A een rechtsbetrekking is aangegaan voor twee afzonderlijke prestaties met een eigen vergoeding. Onder verwijzing naar de maatstaven uit HvJ 1 augustus 2025, Határ Diszkont Kft, C-427/23, ECLI:EU:C:2025:596 (alsmede HvJ 25 februari 1999, CPP, C-349/96, ECLI:EU:C:1999:93, HvJ 27 oktober 2005, Levob Verzekeringen en OV Bank, C-41/04, ECLI:EU:C:2005:649, HvJ 10 november 2016, Baštová, C-432/15, ECLI:EU:C:2016:855, HvJ 9 maart 2023, Generali Seguros, C-42/22, ECLI:EU:C:2023:183 en HvJ 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular, C-89/23, ECLI:EU:C:2024:333) overweegt het hof dat geen sprake is van één niet te splitsen economische prestatie of een bijkomende dienst. Het tegenbewijs hiervoor is door de Belastingdienst niet geleverd. Omdat A via haar webshop ook fietsen zonder servicekaart verkoopt en losse onderhoudsbeurten uitvoert, dienen beide prestaties een zelfstandig doel voor de klant. Tot slot verwerpt het hof de stelling dat de factuurkorting deels aan de servicekaart moet worden toegerekend, nu er geen grond is om af te wijken van de overeengekomen prijsafspraak.
Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2026
Datum publicatie
27-10-2026
Zaaknummer
25/798
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2025:1525, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Artikel 9 Wet OB 1968. Toepassing verlaagd tarief.
Belanghebbende levert bij iedere verkoop van een fiets een onderhoudspakket in de vorm van een servicekaart. Op de factuur past belanghebbende voor de levering van het onderhoudspakket het verlaagde tarief voor de omzetbelasting toe. Het hof oordeelt dat de fiets en de servicekaart twee afzonderlijke prestaties zijn, waarbij voor beide een aparte vergoeding is overeengekomen. De servicekaart moet niet als bijkomstig worden beschouwd ten opzichte van de fiets. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026102704
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/798
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 maart 2025, nummer BRE 24/5274, in het geding tussen de inspecteur, en
[belanghebbende] V.O.F.,gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.7.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is een rijwielhandelaar. Tot haar bedrijfsactiviteiten behoren de in- en verkoop van nieuwe en gebruikte fietsen en reparatie en onderhoud van fietsen.
2.2.
Belanghebbende heeft één vestiging in [vestigingsplaats] en exploiteert daarnaast een webshop. In de jaren 2018 tot en met 2020 heeft zij zowel fietsen verkocht via de webshop als in de vestiging.
2.3.
Een servicebeurt voor een fiets kost bij belanghebbende gemiddeld € 65.
2.4.
Bij iedere verkoop van een fiets in de vestiging levert belanghebbende aan de klant een onderhoudspakket. Op de factuur die belanghebbende opmaakt bij de verkoop van een fiets, staat dat het onderhoudspakket is gekocht ten bedrage van € 85 wanneer het gaat om een normale fiets en € 115 in het geval van een elektrische fiets, inclusief omzetbelasting tegen het verlaagde tarief. Bij de factuur voegt belanghebbende ten bate van de uitvoering van het onderhoudspakket een servicekaart, waarop drie servicebeurten staan vermeld, met daarbij per servicebeurt een toelichting wanneer deze moet worden uitgevoerd. De eerste servicebeurt vereist geen bijbetaling, voor de tweede servicebeurt dient de klant € 35 bij te betalen en voor de derde servicebeurt is een bijbetaling van € 45 vereist. Deze bedragen zien alleen op de arbeid. Circa 53 procent van de klanten maakt gebruik van de eerste servicebeurt.
2.5.
In het onderhoudspakket zijn de kosten voor vervangende onderdelen niet begrepen. Die worden bij een servicebeurt afzonderlijk in rekening gebracht.
2.6.
Verder wordt op de factuur waarop zowel de fiets als het onderhoudspakket zijn vermeld, door belanghebbende een korting gegeven op de fiets – “korting fiets” – die ten minste net zo groot is als het bedrag voor het onderhoudspakket en significant hoger kan zijn.
2.7.
Bij verkopen via de webshop is geen onderhoudspakket aangeboden. Bij een verkoop vanuit de webshop ontvangt de klant een factuur (hierna: de internetfactuur), waarop geen ‘onderhoudspakket’ is vermeld en geen verlaagd tarief is toegepast. Deze internetfactuur wordt handmatig in het kassasysteem van belanghebbende gezet. Bij aflevering van de fiets ontvangt de internet-klant nog een factuur (hierna: de afleveringsfactuur). Bij de afleveringsfactuur wordt wel een ‘onderhoudspakket’ vermeld onder toepassing van het verlaagde tarief. De gegevens op de afleveringsfactuur hebben gediend als basis voor de vaststelling van de verschuldigde omzetbelasting.
2.8.
In haar administratie heeft belanghebbende omzet toegerekend aan de verkoop van de onderhoudspakketten en hierover omzetbelasting op aangifte voldaan tegen het verlaagde omzetbelastingtarief, zijnde 6 procent in het jaar 2018 en 9 procent in de jaren 2019 en 2020.
2.9.
De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Hij heeft daarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting in de jaren 2018 tot en met 2020 onderzocht. Van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt. In het controlerapport heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende ten onrechte het verlaagde tarief van de omzetbelasting heeft toegepast in verband met de onderhoudspakketten. De inspecteur heeft daarom correcties omzetbelasting aangekondigd van € 19.279 (2018), € 17.042 (2019) en € 23.818 (2020). Verder heeft de inspecteur aangekondigd een verzuimboete aan belanghebbende op te leggen.
2.10.
Naar aanleiding van het boekenonderzoek, en conform de in het controlerapport aangekondigde correcties, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. De naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020. Bij de naheffingsaanslag heeft de inspecteur € 7.874 belastingrente in rekening gebracht, en een verzuimboete opgelegd van € 5.514.
2.11.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende tijdens het hoorgesprek aangegeven dat de naheffingsaanslag deels terecht is, omdat aan klanten van de webshop geen onderhoudspakketten zijn verkocht en daarbij ten onrechte toch een deel van die omzet tegen het verlaagde tarief is aangegeven. Aldus is een bedrag van € 2.784 niet meer in geschil.
2.12.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag, de in rekening gebrachte belastingrente en de verzuimboete gehandhaafd.
2.13.
De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd naar een bedrag van € 2.784, de rentebeschikking evenredig verminderd en de boetebeschikking vernietigd.
3Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
3.2.
De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar voor zover het de naheffingsaanslag betreft. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
De inspecteur heeft geen gronden gericht tegen de vernietiging van de boetebeschikking door de rechtbank. De boetebeschikking is geen onderdeel meer van het geschil.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
i. Wettelijk kader
4.1.1.
Artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) luidt, voorzover hier van belang:
“1. De belasting bedraagt 21 percent.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:
a. 9 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel I;.
4.1.2.
De in artikel 9 Wet OB genoemde Tabel I luidt onder post b.4 als volgt:
“het herstellen van fietsen;”.
4.1.3.
Het Hof van Justitie EU heeft in zijn arrest van 1 augustus 20251 onder meer het volgende overwogen:
“37. In dat verband moet eraan worden herinnerd dat elke handeling voor de toepassing van de btw normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn (arresten van 25 februari 1999, CPP,C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 29; 27 oktober 2005, Levob Verzekeringen en OV Bank, C‑41/04, EU:C:2005:649, punt 20, en 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular,C‑89/23, EU:C:2024:333, punt 35).
38. Niettemin moeten, volgens vaste rechtspraak, in bepaalde omstandigheden verschillende formeel onderscheiden prestaties die afzonderlijk kunnen worden verricht en zodoende elk als zodanig tot belastingheffing of tot vrijstelling kunnen leiden, worden beschouwd als één enkele handeling wanneer zij niet zelfstandig zijn (arresten van 10 november 2016, Baštová,C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 69; 9 maart 2023, Generali Seguros,C‑42/22, EU:C:2023:183, punt 40, en 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular,C‑89/23, EU:C:2024:333, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39. Er is sprake van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht voor de klant, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen (arresten van 10 november 2016, Baštová,C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 70; 9 maart 2023, Generali Seguros,C‑42/22, EU:C:2023:183, punt 40, en 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular,C‑89/23, EU:C:2024:333, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40. Dat is ook het geval wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl een of meer elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie wordt met name als bijkomend ten opzichte van een hoofdprestatie beschouwd wanneer zij voor de klant geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te kunnen maken van de hoofdprestatie van de dienstverrichter (arresten van 10 november 2016, Baštová,C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 71, en 18 april 2024, Companhia União de Crédito Popular,C‑89/23, EU:C:2024:333, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”.
ii. Beleidsbesluit
4.2.
Het besluit van de staatssecretaris2 luidt (hierna: het beleidsbesluit), voorzover hier van belang:
“4. Service-/Onderhoudspakketten
Als bij de verkoop van een nieuwe fiets aan de klant optioneel een service-/onderhoudspakket wordt aangeboden waarin alleen het arbeidsloon voor de service-/onderhoudsbeurten is verdisconteerd, is het verlaagde btw-tarief op grond van de post van toepassing. Op de verkoopbon/factuur moet dan gespecificeerd zijn aangegeven wat de klant heeft aangeschaft en tegen welke vergoeding. Alleen over de vergoeding die (vooruit) wordt betaald op de servicebeurten is omzetbelasting naar het verlaagde btw-tarief verschuldigd. Daarbij is de vergoeding die voor de servicebeurten in rekening wordt gebracht nooit hoger dan het bedrag dat voor dezelfde servicebeurten wordt berekend wanneer geen fiets zou zijn aangeschaft (losse servicebeurten).”.
iii. Stellingen van partijen
4.3.1.
De inspecteur stelt:
– primair dat belanghebbende voor het bedrag op de factuur ten aanzien van het aldaar vermelde onderhoudspakket omzetbelasting verschuldigd is naar het algemene tarief. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat dit deel van het factuurbedrag is ontvangen voor een andere prestatie dan de levering van een fiets inclusief eventuele accessoires. De rechtsbetrekking tussen belanghebbende en de klant bestaat daarom slechts uit de levering van een fiets. De levering van een onderhoudspakket is niet overeengekomen, en er hiervoor is ook geen tegenprestatie te onderkennen. De inspecteur is van mening dat hetgeen op de factuur is vermeld niet als basis kan dienen voor de verschuldigde btw.
– subsidiair dat er voor het onderhoudspakket geen sprake is van een zelfstandige prestatie waarop het verlaagde tarief van toepassing is. Volgens de inspecteur is er sprake van een bijkomende prestatie bij de levering van een fiets. De klant kiest er immers niet zelf voor om een onderhoudspakket aan te schaffen.
– meer subsidiair dat de verschuldigde btw onjuist is vastgesteld, omdat belanghebbende bij de bepaling van de grondslag voor het verlaagde tarief (de omzet toegerekend aan het onderhoudspakket) geen rekening heeft gehouden met de korting die zij op het volledige factuurbedrag inclusief omzetbelasting heeft verleend en die zij ten onrechte geheel aan de fiets heeft toegerekend.
4.3.2.
Belanghebbende stelt dat voor het onderhoudspakket het verlaagde btw-tarief toegepast kan worden op grond van Tabel 1, post b.4. Volgens belanghebbende wordt het onderhoudspakket op de factuur tot uitdrukking gebracht en ziet het op arbeid voor het herstellen van fietsen. Belanghebbende beroept zich subsidiair op het standpunt dat zij vertrouwen kon ontlenen aan het beleidsbesluit.
iv. Herformulering van het geschil
4.4.1.
Partijen hebben met het geschil de vraag voorgelegd of sprake is van een levering van een fiets en een onderhoudspakket. Op het moment dat de fiets wordt geleverd en de factuur wordt uitgereikt, ontvangt de klant in combinatie met het op de factuur vermelde onderhoudspakket een servicekaart. Op basis van deze servicekaart kan de klant op een later moment een afspraak maken voor een servicebeurt en op vertoon van de servicekaart leidt dat tot een gratis eerste servicebeurt en een korting op de tweede en derde servicebeurt. Met de servicekaart ontvangt de klant dus een recht op uitvoering van het onderhoudspakket, die op een later moment dan de aankoop zal plaatsvinden. Een dergelijk recht kwalificeert naar oordeel van het hof voor de omzetbelasting voor het jaar 2018 als een waardepapier in de zin van art. 11, lid 1, letter i ten 2e Wet OB voor de eerste servicebeurt en als waardebon in de zin van artikel 21 Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 voor de tweede en derde servicebeurt. Vanaf 2019 is het door de klant verkregen recht naar oordeel van het hof een voucher voor enkelvoudig gebruik in de zin artikel 28zh Wet OB, nu het alleen kan worden ingeroepen voor onderhoud. Het hof zal het door de klant verkregen recht omwille van leesbaarheid en eenvoud hierna aanduiden als ‘de servicekaart’.
4.4.2.
Bij inwisseling van een waardepapier of waardebon verkregen in 2018, maar ook bij het verstrekken van een voucher vanaf 2019 komt vervolgens de vraag op of deze betrekking hebben op een prestatie die onder het verlaagde tarief valt, zijnde het herstellen van fietsen. De inspecteur wenst dus in wezen te vernemen of:
sprake is van de levering van een fiets, waarbij aan het verstrekken van de servicekaart geen zelfstandige betekenis kan worden toegekend;
sprake is van de levering van een fiets en een servicekaart, waarbij de servicekaart als bijkomstig moet worden beschouwd ten opzichte van de fiets; danwel
bij de bepaling van de grondslag voor het verlaagde tarief (de omzet toegerekend aan het onderhoudspakket) belanghebbende ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de korting die zij op het volledige factuurbedrag inclusief omzetbelasting heeft verleend en die zij aldus ten onrechte geheel aan de fiets heeft toegerekend.
4.4.3.
Het hof tekent bij deze geschilpunten aan dat het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is wordt beïnvloed door het de vraag of sprake is van een waardepapier, waardebon of voucher, aangezien dat bij een waardepapier en waardebon pas plaatsvindt bij inwisseling, maar bij een voucher direct bij de overdracht. Het hof zal echter eerst oordelen ten aanzien van de geschilpunten en daarna – indien nog noodzakelijk – ambtshalve beoordelen3 of het tijdstip van verschuldigdheid nog invloed heeft op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
v. Heeft de levering van de servicekaart een zelfstandige betekenis en zo ja, is deze bijkomstig aan de levering van de fiets?
4.5.1.
Het hof benadrukt dat een levering aan een afnemer wordt verricht en een dienst aan een afnemer wordt verleend, indien de ondernemer die de levering verricht dan wel de dienst verleent met de afnemer een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend.4 De combinatie van de door belanghebbende uitgereikte factuur en de daarbij behorende servicekaart duiden er op dat belanghebbende met haar klanten een rechtsbetrekking is aangegaan, die bestaat uit de afzonderlijke levering van enerzijds een fiets en anderzijds een servicekaart, waarbij voor beide een aparte vergoeding is overeengekomen. Behoudens tegenbewijs moet het ervoor worden gehouden dat daarmee sprake is van twee van elkaar te onderscheiden prestaties.5 De inspecteur heeft in de gedingstukken en ter zitting diverse feiten gesteld die op het tegendeel zouden wijzen. Het hof zal daarom beoordelen of deze gestelde feiten door de inspecteur aannemelijk zijn gemaakt en zo ja, of deze tot een ander oordeel leiden.
4.5.2.
Het hof somt hieronder in cursief op welke feiten de inspecteur heeft gesteld die kunnen gelden als tegenbewijs, waarbij per gesteld feit direct daaronder het bewijsoordeel van het hof wordt weergegeven:
1. Het onderhoudspakket wordt slechts aangeboden om klanten in de winkel te krijgen.
De inspecteur heeft voor deze stelling geen stukken of andere bewijsmiddelen ingebracht die deze stelling onderbouwen, waarmee de inspecteur deze niet aannemelijk heeft gemaakt.
2. Een gratis servicebeurt voor een nieuwe fiets is in de branche gebruikelijk en daar is dus geen separate betekenis aan toe te kennen.
De inspecteur heeft voor deze stelling geen stukken of andere bewijsmiddelen ingebracht die deze stelling onderbouwen, waarmee de inspecteur deze niet aannemelijk heeft gemaakt. De stelling is daarnaast in strijd met het beleidsbesluit, aangezien dit beleidsbesluit juist onderschrijft dat een eerste servicebeurt als separate prestatie kan worden aangemerkt, belast tegen het verlaagde tarief.
3. De ondernemer heeft het onderhoudspakket en de servicekaart eenzijdig opgelegd aan de afnemers. De afnemer heeft niet de mogelijkheid om een fiets zonder servicekaart af te nemen.
Deze stelling wordt naar oordeel van het hof niet ondersteund door de feiten. Het staat klanten vrij om een fiets af te nemen via de webshop van belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat bij verkoop via de webshop geen onderhoudspakket is aangeboden.
4. Het onderhoudspakket op de factuur gaat altijd gepaard met een korting, die gelijk of hoger is dan de op de factuur vermelde vergoeding voor het onderhoudspakket.
Het hof merkt op dat tussen partijen niet in geschil is dat bij het uitvoeren van onderhoud arbeid wordt verricht. Daarnaast staat vast dat 53% van de klanten gebruik maakt van de eerste servicebeurt op de servicekaart. Dat leidt het hof tot het oordeel dat in elk geval een separate waarde aan dit onderhoud moet worden toegekend. Het hof ziet niet in waarom het verlenen van een korting op de fiets tot gevolg zou moeten hebben dat kennelijk geen waarde aan het onderhoudspakket meer kan worden toegekend en daarmee geen sprake zou zijn van aparte prestaties.
5. Belanghebbende heeft ook op verkopen vanuit de webshop het verlaagde tarief toegepast en een onderhoudspakket vermeld op de kassafactuur, terwijl belanghebbende heeft erkend dat bij deze leveringen geen onderhoudspakket is verkocht. Hieruit blijkt dat het vermelden van het onderhoudspakket op de facturen niet de realiteit weerspiegelt.
Zoals bij punt 3 is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat bij verkoop via de webshop geen onderhoudspakket is aangeboden. Verder heeft belanghebbende in de bezwaarfase reeds onderkend dat abusievelijk deels het verlaagde tarief op de verkopen in de webshop is toegepast. Deze feiten en omstandigheden leiden het hof tot de conclusie dat de afleveringsfacturen per abuis een onderhoudspakket hebben vermeld. Het geschil betreft thans alleen nog de verkopen vanuit de winkel en daarvan staat tussen partijen vast dat 53% van de klanten gebruik maakt van de eerste servicebeurt. Hieruit blijkt naar oordeel van het hof dat klanten wel separate waarde aan de servicekaart toekennen. Dat de vermelding van het onderhoudspakket op de factuur niet de realiteit weerspiegelt, is daarmee niet aannemelijk. Dat een deel van de klanten geen gebruik maakt van de servicekaart doet daar niet aan af en is overigens ook juist kenmerkend voor een waardepapier, waardebon of voucher.
4.5.3.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de levering van de fiets en de verstrekking van de servicekaart geen verschillende prestaties zijn.
4.5.4.
Het hof is verder van oordeel dat de fiets en de servicekaart niet zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Dit blijkt reeds uit het feit dat belanghebbende ook fietsen verkoopt zonder servicekaart (via de webshop) en ook onderhoudsbeurten zonder fietsen (voor een vergoeding van € 65). Hieruit volgt dat beide prestaties een doel op zichzelf zijn voor de klanten van belanghebbende. Dat bij de aanbieding van een fiets met een onderhoudspakket geen sprake is van één, niet te splitsen economische prestatie, wordt daarnaast bevestigd in het beleidsbesluit.
vi. Moet de korting deels worden toegerekend aan het onderhoudspakket?
4.6.
Het hof volgt het meer subsidiaire standpunt van de inspecteur niet. Het hof ziet evenals de rechtbank geen grondslag om af te wijken van de overeenkomst die tussen belanghebbende en de klant is gesloten. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat sprake is van misbruik van recht of een onrealistische vergoeding.
Tussenconclusie
4.7.1.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van artikel 9 Wet OB en de daar genoemde Tabel I, post b4 op (de inwisseling van) de servicekaart. Tussen partijen is in dat geval niet in geschil dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. De overige stellingen van partijen en het tijdstip van verschuldigdheid (zie 4.4.3.) behoeven daarmee geen behandeling meer.
4.7.2.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
De griffier heft van de inspecteur een griffierecht van € 579, omdat het hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.1.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is.
4.9.2.
Het hof ziet geen reden om over te gaan tot het vergoeden van de werkelijke kosten van belanghebbende voor de (hoger) beroepsfase. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
4.9.3.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)6 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.9.4.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1, Bpb heeft gemaakt.
5Beslissing
Het hof:
–
verklaart het hoger beroep ongegrond;
–
bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
–
bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579;
–
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, H.W.M. van Kesteren en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
1Hof van Justitie EU 1 augustus 2025, C-427/23, Határ Diszkont Kft, ECLI:EU:C:2025:596.
2Besluit van de staatssecretaris 22 december 2017, nr. 2017-16288, Stcrt. 2017, 72177.
3Artikel 8:69, lid 2 Algemene wet bestuursrecht
4Vergelijk Hoge Raad 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1173, r.o. 2.3.2.
5Vergelijk Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6535, r.o. 3.3.
61 punt voor verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.