Diensten verricht als bewindvoerder niet vrijgesteld van omzetbelasting

geen geld niet betaling schuldenaar schulden

Diensten verricht als bewindvoerder niet vrijgesteld van omzetbelasting

Een maatschap verricht werkzaamheden als bewindvoerder. Deze werkzaamheden bestaan onder meer uit het beheer van schulden van cliënten, waaronder het aflossen van deze schulden, het beheer van de vaste lasten en het afsluiten van abonnementen. Alle cliënten van de maatschap zijn personen die door de rechtbank onder bewind zijn gesteld. De maatschap verricht geen werkzaamheden als bewindvoerder in de zin de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De behaalde omzet bestaat voor 100% uit vergoedingen ontvangen als bewindvoerder.

De vraag is of de diensten als bewindvoerder zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van art 11 lid 1 letter f Wet OB.

De rechtbank is van oordeel dat de vrijstelling niet van toepassing is. Schuldhulpverlening is vrijgesteld op grond van post b.33 van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB, beschermingsbewind niet. De diensten kwalificeren (slechts) als beschermingsbewind.

Rechtbank
Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
AWB 19/2459 en AWB 19/2461
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Diensten verricht als bewindvoerder vrijgesteld?

In geschil is of de diensten die eiseres als bewindvoerder verricht zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet OB. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen beroep kan doen op deze vrijstelling. Schuldhulpverlening is vrijgesteld op grond van post b.33 van bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB, beschermingsbewind niet. De diensten verricht door eiseres kwalificeren (slechts) als beschermingsbewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 19/2459 en AWB 19/2461

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van

in de zaken tussen

[X] , te [Q] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 31 oktober 2018 aangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak 1 juli 2018 tot en met 30 september 2018. Op 31 oktober 2018 heeft eiseres een bedrag van € 3.378 op aangifte voldaan.

Eiseres heeft op 30 januari 2019 aangifte omzetbelasting gedaan over het tijdvak 1 oktober 2018 tot en met 31 december 2018. Op 30 januari 2019 heeft eiseres een bedrag van € 5.268 op aangifte voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 maart 2019 en 22 maart 2019 de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020.

Namens eiseres is [A] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen

mr. [B] en mr. [C] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een maatschap waarvan de heer [A] en mevrouw [D] de maten zijn.

2. Eiseres verricht werkzaamheden als bewindvoerder. Deze werkzaamheden bestaan onder meer uit het beheer van schulden van cliënten, waaronder het aflossen van deze schulden, het beheer van de vaste lasten en het afsluiten van abonnementen. Alle cliënten van eiseres zijn personen die door de rechtbank onder bewind zijn gesteld op grond van Titel 19 van het Burgerlijk Wetboek, Boek 1. Eiseres verricht geen werkzaamheden als bewindvoerder in de zin van titel III van de Faillissementswet (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen).

3. De door eiseres behaalde omzet bestaat voor 100 procent uit vergoedingen die zij heeft ontvangen als bewindvoerder.

Geschil

4. In geschil is of de diensten die eiseres als bewindvoerder verricht zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

5. Eiseres neemt het standpunt in dat de door haar verrichte diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet OB, omdat deze diensten kwalificeren als schuldhulpverlening en schuldpreventie. Eiseres doet een beroep op uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 20181 en 21 februari 20192. Eiseres verzoekt om teruggaaf van de in verband met deze diensten op aangifte voldane bedragen. Voor het derde kwartaal 2018 gaat het om een bedrag van € 3.378, voor het vierde kwartaal 2018 gaat het om een bedrag van € 5.268.

6. Verweerder neemt het standpunt in dat de door eiseres verrichte diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Verweerder voert daartoe onder meer aan dat de wetgever bewindvoering expliciet niet heeft willen vrijstellen. Volgens verweerder is de bewindvoering die eiseres verzorgt niet hetzelfde als schuldhulpverlening in de zin van artikel 11, eerste lid, letter f, van de Wet OB. Verweerder stelt zich in dat verband, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap, op het standpunt dat beschermingsbewind, anders dan schuldhulpverlening, niet is gericht op het aflossen van de schulden, maar op het stabiliseren van de financiële situatie.

Beoordeling van het geschil

Toetsingskader

7. Artikel 11 van de Wet (tekst 2018) luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“1 Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

(…)

f. de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen;

(…)

6 Tot de leveringen of diensten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen f, g, onder 2° en onder 3°, t, u of v, behoren niet de bij ministeriële regeling, in verband met het voorkomen van een verstoring van concurrentieverhoudingen, aan te wijzen leveringen of diensten.”

8. Op grond van artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (Uitvoeringsbesluit OB) zijn er twee mogelijkheden om onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB (hierna ook: sociaal-culturele vrijstelling) te vallen. In de eerste plaats zijn in bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB (Bijlage B) leveringen en diensten aangewezen. Voor andere leveringen en diensten kan de inspecteur aan een instelling van sociale of culturele aard op verzoek een beschikking afgeven. Hierover heeft de besluitgever in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herzieing van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen (de Nota van Toelichting) onder meer het volgende opgemerkt:

“Daarnaast is na onderdeel b een nieuw onderdeel c ingevoegd. (…) De inspecteur zal in lijn met dat gevoerde toekenningsbeleid beschikkingen afgeven op nieuwe verzoeken om toepassing van de vrijstelling. (…) Het gaat daarbij om een groot aantal verenigingen en stichtingen die op tal van terreinen – en al dan niet op basis van overheidsregelgeving – in de samenleving werkzaam zijn, zoals instellingen die zich bezighouden met:

(…)

– het als bewindvoerder voeren van het beheer over inkomsten en vermogen van personen die daartoe vanwege hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niet in staat zijn;

(…)”

Een van de voorwaarden daarbij is dat de instelling leveringen en diensten verricht zonder winstoogmerk. Eiseres beoogt echter wel winst en heeft overigens ook geen verzoek aan de inspecteur gedaan. Deze tweede mogelijkheid is dus niet aan de orde. Daarom kijkt de rechtbank alleen naar de aangewezen diensten in Bijlage B.

9. Bijlage B onder b.33. (post b.33) wijst als vrijgestelde leveringen en diensten aan de leveringen en diensten die als zodanig worden verricht door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling, voor zover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de Wet OB.

10. De besluitgever heeft post b.33 in de Nota van Toelichting als volgt toegelicht:

“(…) De nieuwe post b.33 ziet op instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Het gaat hierbij met name om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken die als zodanig zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Onder «schuldhulpverlening» vallen in de praktijk verschillende

werkzaamheden, zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject (waarbij een schuldenaar veelal door tussenkomst van een schuldregelaar op minnelijke wijze met zijn schuldeisers overeenstemming tracht te bereiken over het aflossen van zijn schulden) en de afgifte van een zogeheten WSNP-verklaring (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Instellingen die op dit gebied werkzaam zijn, houden zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat, en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties. De vrijstelling is niet van toepassing op bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling. (…).”(3)

Inhoudelijke beoordeling

11. De rechtbank stelt vast dat de werkzaamheden van eiseres betrekking hebben op de gehele financiële positie van cliënten. Weliswaar is ter zitting onweersproken door eiseres gesteld dat de doelstelling van haar werkzaamheden is om de schulden van cliënten af te lossen, maar dat brengt niet zonder meer met zich dat sprake is van schuldhulpverlening in de zin van post b.33.

12. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat haar werkzaamheden kwalificeren als schuldenbewind. Daarbij staat vast dat geen sprake is van schuldenbewind in zin van titel III van de Faillissementswet (de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen). In dit geval is het bewind dat eiseres uitoefent beschermingsbewind met betrekking tot problematische schulden, een en ander in de zin van de wettelijke schuldregeling van Titel 19 van het Burgerlijk Wetboek Boek 1 (BW I). Zoals uit de Nota van Toelichting blijkt heeft de besluitgever een onderscheid willen aanbrengen tussen schuldhulpverlening enerzijds en beschermingsbewind anderzijds. Dit onderscheid ziet niet zo zeer op de vraag of sprake is van een dienst van sociale aard, maar wel op andere voorwaarden, zoals het hebben van winstoogmerk en de wijze van erkenning. Dit uitgangspunt wordt niet verlaten door de aanpassing van Titel 19 van het BW I4 waardoor vanaf 2014 de aanpak van problematische schulden ook onder beschermingsbewind valt. Daarom valt schuldhulpverlening onder post b.33 en beschermingsbewind niet. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het voorgaande tot de conclusie dat de door eiseres verrichte diensten niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van post b.33.

13. De rechtbank volgt dus niet de door eiseres aangehaalde uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland. Overigens heeft de rechtbank Noord-Holland inmiddels ook anders beslist.(5)

14. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.W. Monteiro, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ketner, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.