Een handelaar in witgoed koopt in Duitsland geretourneerde huishoudelijke apparaten in van een Duitse leverancier en verkoopt deze online aan particulieren in Nederland en België. De handelaar past op deze verkopen de margeregeling toe, mede omdat de inkoopfacturen vermelden dat het om gebruikte goederen (tweedehands) gaat. Uit ingewonnen informatie van de Duitse Belastingdienst blijkt echter dat de betreffende Duitse leverancier de goederen oorspronkelijk met btw heeft ingekocht, de voorbelasting in aftrek heeft gebracht en zelf de margeregeling niet heeft toegepast. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek legt de Belastingdienst aan de handelaar naheffingsaanslagen omzetbelasting, belastingrente en verzuimboetes op.
De vraag die centraal staat, is of de handelaar de margeregeling mag toepassen op de verkoop van de uit Duitsland ingekochte retourgoederen, in de wetenschap dat de leveranciers in de voorafgaande keten (waaronder de directe verkoper) de in rekening gebrachte omzetbelasting volledig in vooraftrek hebben genomen. Tevens is in geschil of de handelaar zich ten aanzien van de opgelegde verzuimboetes met succes kan beroepen op een pleitbaar standpunt wegens onduidelijke factuurvermeldingen.
Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de margeregeling niet van toepassing is. Het hof overweegt dat het exclusieve doel van de margeregeling het voorkomen van dubbele heffing en concurrentieverstoring is, wat eveneens volgt uit HvJ 18 mei 2017, Litdana, C-624/15, ECLI:EU:C:2017:389. Deze uitzonderingsregeling mag enkel worden toegepast als dit strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van die doelstelling (HvJ 8 december 2005, Jyske Finans, C-280/04, ECLI:EU:C:2005:753). Nu de koopovereenkomsten van de eindgebruikers zijn ontbonden, zijn de retourgoederen weer in de voorraad van eerdere leveranciers met volledig aftrekrecht beland en heeft ook de directe Duitse leverancier de voorbelasting afgetrokken. Bij wederverkoop door de handelaar dreigt derhalve geen cumulatie van omzetbelasting. Het toepassen van de margeregeling doorkruist in dit geval de algemene regel. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en verwerpt het beroep op een pleitbaar standpunt.
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2026
Datum publicatie
08-07-2026
Zaaknummer
25/741 en 25/742
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen omzetbelasting; toepassing margeregeling.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 25/741 en 25/742
15 januari 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , gevestigd te [Y] , belanghebbende,tegen de uitspraak van 16 januari 2025 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in de zaak met kenmerken HAA 23/4266 en HAA 23/4267 in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Procesverloop
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende
betreffende twee naheffingsaanslagen omzetbelasting, verzuimboeten en beschikkingen belastingrente ongegrond verklaard.
1.2.
Na het instellen van hoger beroep door belanghebbende hebben partijen de volgende stukken ingediend:
–
een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door belanghebbende, en
–
een verweerschrift door de inspecteur.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2025. Partijen zijn daar, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
2Feiten
2.1.
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“1. De activiteiten van eiseres bestaan uit de in- en verkoop van elektrische huishoudelijke apparaten (witgoed). De apparaten worden in Duitsland en Nederland ingekocht. In Duitsland worden de apparaten voornamelijk ingekocht bij [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ). Op de facturen van [bedrijf 1] aan eiseres staat het volgende vermeld: “ steuerfrei, Innergemeinschaftliche Lieferung” dan wel “steuerfrei, (Keine Steuer Innergemeinschaftliche lieferung)”. Eiseres verkoopt de apparaten online aan particulieren in Nederland. Incidenteel wordt verkocht aan particulieren in België. De bij [bedrijf 1] ingekochte goederen worden door eiseres verkocht als gebruikte goederen in de zin van artikel 28b van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de margeregeling).
2. Tijdens een bedrijfsbezoek op 4 november 2021 heeft een van de (middellijk) bestuurders van eiseres verklaard dat het bij de goederen die worden ingekocht bij [bedrijf 1] gaat om producten die door de koper retour zijn gezonden omdat zij niet voldoen aan de verwachtingen of schade hebben.
3. Om zekerheid te krijgen over de hoedanigheid van de bij [bedrijf 1] ingekochte goederen is door verweerder op 9 november 2021 op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) nr. 904/2010 de volgende informatie opgevraagd bij de Duitse belastingdienst.
“Verzendende taal : [bedrijf 1] heeft goederen geleverd aan [eiseres]. De goederen zijn ook ontvangen door [eiseres]. Op de factuur van [bedrijf 1] staat dat het gebruikte (2ehands) goederen zijn. Tevens staat op de factuur dat het een intracommunautaire transactie betreft. [bedrijf 1] heeft de levering van de goederen ook gelist. [eiseres] heeft geen verwervingen aangegeven omdat zij van mening zijn dat het marge-goederen (2e hands) betreffen.
[eiseres] verkoopt de goederen als marge-goederen.Zijn de goederen door [bedrijf 1] als marge-goederen of BTW goederen ingekocht. Zijn de goederen als marge- of BTW goederen verkocht door [bedrijf 1] . Is er ten onrechte gelist, of is er wel sprake van intracommunautaire leveringen.
Graag een onderzoek naar de aard van de goederen, marge of BTW goederen. Hoe zijn de in- en verkopen door [bedrijf 1] verwerkt in de administratie.
Gemeenschappelijke taal : Die [bedrijf 1] hat Waren an [eiseres] geliefert. Die Waren sind auch von [eiseres] erhalten worden. Auf der Rechnung der [bedrijf 1] steht, dass es sich um gebrauchte Waren handelt. Die [bedrijf 1] hat die Lieferung der Waren auch angegeben. [eiseres] hat keine Erwerbe gemeldet, weil sie der Meinung ist, dass es sich um Differenzbesteuerungsware (gebrauchte Waren) handelt. [eiseres] verkauft die Waren als Differenzbesteuerungsware. Handelt es sich bei den von der [bedrijf 1] bezogenen Waren um Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware? Wurde die Ware von der [bedrijf 1] als Differenzbesteuerungs- oder Mehrwertsteuerware verkauft? Wurden die Waren zu Unrecht angegeben oder handelt es sich tatsächlich um eine innergemeinschaftliche Lieferung? Bitte prüfen Sie die Art der Waren, ob es sich um Differenzbesteuerung oder Mehrwertsteuer handelt. Wie werden die Käufe und Verkäufe von [bedrijf 1] in der Verwaltung verarbeitet.”
4. Op 14 januari 2022 heeft de Duitse belastingdienst als volgt op het verzoek gereageerd:
“Verzendende taal : Die [bedrijf 1] hat die verkauften Waren in Deutschland von den Firmen [bedrijf 2] – [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) und [bedrijf 5] (DE(…)) erworben. Es wurde Umsatzsteuer ausgewiesen. Vorsteuer wurde durch die [bedrijf 1] entsprechend geltend gemacht.
Es handelt sich nicht um differenzbesteuerte Waren.
Als Anlage wurden zu zwei exemplarischen Rechnungen jeweils eine Tabelle beigefügt. Aus diesen ist die genaue Warenbezeichnung ersichtlich.
Ontvangende taal : Vrije vertaling door CLO:
[bedrijf 1] heeft de verkochte goederen in Duitsland van de ondernemingen [bedrijf 2] – [bedrijf 3] + [bedrijf 4] (DE(…)) en [bedrijf 5] (DE(…)) gekocht. De BTW werd in rekening gebracht. [bedrijf 1] heeft dienovereenkomstig aanspraak gemaakt op voorbelasting.Er is geen sprake van marge goederen.
Als bijlage is bij twee voorbeeldfacturen een tabel gevoegd. Deze bevatten de exacte beschrijving van de goederen.”
5. Eind 2021/begin 2022 heeft bij eiseres een boekenonderzoek plaatsgevonden, waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2020 en 2021 is onderzocht. Op 24 mei 2022 is het conceptrapport vastgesteld waarin, onder meer, op grond van de informatie afkomstig van de Duitse belastingdienst de toepassing van de margeregeling op de verkopen van goederen afkomstig van [bedrijf 1] wordt gecorrigeerd. Het conceptrapport is op 14 juli 2022 en op 16 augustus 2022 besproken met eiseres en eiseres heeft op 15 en 16 augustus 2022 per e-mail op het conceptrapport gereageerd.
6. De reacties van eiseres op het conceptrapport en de besprekingen van het conceptrapport hebben verweerder geen aanleiding gegeven zijn standpunt over de toepassing van de margeregeling te wijzigen. Op 26 september 2022 is het definitieve controlerapport vastgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport zijn de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen opgelegd.”
2.2.
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslagen en de boete- en rentebeschikkingen terecht en op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Dat is het geval als belanghebbende op de verkoop van de door haar van [bedrijf 1] ingekochte goederen ten onrechte de margeregeling heeft toegepast.
4Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“Juridisch kader
12. Artikel 28b van de Wet OB luidt, voor zover hier van belang als volgt:
“1. Ingeval een wederverkoper gebruikte goederen, (…) levert, wordt, in afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting berekend over de winstmarge. De winstmarge is het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien het goed aan de wederverkoper is geleverd door:
a. (…);
b. een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r;
c. (…);
d. een andere wederverkoper, met toepassing van het eerste lid; of
e. een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lidstaat, mits het een levering is als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006.”
13. Artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB luidt als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:
(…)
r. de levering van een roerende zaak die in het bedrijf van de ondernemer uitsluitend is gebruikt ten behoeve van vrijgestelde prestaties of voor doeleinden als zijn bedoeld in artikel 16, ingeval ter zake van de voorafgaande levering van die zaak geen belasting in aftrek is gebracht;”
14. Artikel 314 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006
betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de
btw-richtlijn) luidt als volgt:
“De winstmargeregeling is van toepassing op door een belastingplichtige
wederverkoper verrichte leveringen van gebruikte goederen, (…), wanneer deze goederen hem binnen de Gemeenschap door een der onderstaande personen worden geleverd:
a)…;
b) …;
c)
d) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest.”
Is de margeregeling van toepassing?
15. Volgens eiseres zijn de goederen die zij inkoopt van [bedrijf 1] gebruikte goederen in de zin van de margeregeling, omdat het om goederen gaat die door particulieren aan de leverancier [bedrijf 3] zijn geretourneerd en bijvoorbeeld een kras of deuk hebben. Op de facturen van [bedrijf 1] staat ook vermeld dat het om gebruikte goederen gaat.
[bedrijf 1] is volgens eiseres een andere wederverkoper als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, letter d, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Uit de factuur van [bedrijf 1] blijkt dat het gaat om gebruikte goederen. De factuur bevat in plaats van de vermelding ‘btw-verleggingsregeling van toepassing’ of ‘btw verlegd’ de vermelding “Keine Steuer”. De factuur vermeldt weliswaar ook “Innergemeinschaftliche lieferung”, maar gelet op het feit dat [bedrijf 3] heeft gezorgd voor het vervoer van de goederen vanuit Duitsland naar Nederland en de goederen in [Y] namens [bedrijf 1] (door personeel van eiseres) in ontvangst zijn genomen, heeft eiseres mogen aannemen dat [bedrijf 1] een binnenlandse levering aan haar verrichtte, waarvoor [bedrijf 1] een factuur met de vermelding “Keine Steuer” uitreikte, en dus de margeregeling heeft toegepast.Indien [bedrijf 1] niet valt onder artikel 28b, tweede lid, onderdeel d, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres aan te merken als een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel e, van de Wet OB, aangezien [bedrijf 1] een wederverkoper uit een andere lidstaat is die de margeregeling heeft toegepast.
Indien [bedrijf 1] niet valt onder 28b, tweede lid, letter d dan wel e, van de Wet OB, is [bedrijf 1] volgens eiseres gelijk te stellen met een leverancier als bedoeld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB omdat doel en strekking van de margeregeling is om in alle gevallen dubbele heffing te voorkomen als goederen door een niet-aftrekgerechtigde leverancier aan een ondernemer worden geleverd. [bedrijf 3] heeft voor haar intracommunautaire levering (ICL) vanuit Duitsland een factuur aan [bedrijf 1] gestuurd met
19 percent Mwst. De achtergrond daarvan is dat een ICL per 1 januari 2020 alleen onder het btw-nultarief valt als de verkoper beschikt over een geldig btw-identificatienummer van de koper anders dan de lidstaat van vertrek (artikel 138, eerste lid, onderdeel b, van de btw-richtlijn). [bedrijf 3] beschikte echter enkel over een Duits btw-identificatienummer van [bedrijf 1] , zodat zij een “btw-belaste” ICL verrichtte. In de visie van eiseres is de btw die bij een “btw-belaste” ICL wordt gefactureerd niet aftrekbaar. De achtergrond om een ICL belast te maken als de koper zijn btw-identificatienummer geeft van het land van vertrek, is om fraude te voorkomen en goederen te volgen. Om dat doel te bereiken is het nodig dat de btw op de “btw-belaste” ICL in het land van vertrek niet aftrekbaar is, omdat alleen in dat geval de afnemer gedwongen wordt om een btw-identificatienummer in het land van aankomst aan te vragen en om de verwerving te rapporteren. In de visie van eiseres heeft [bedrijf 1] de door [bedrijf 3] gefactureerde btw voor de ICL dan ook niet in aftrek kunnen brengen, waarbij zij verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juli 2022, zaak C-696/20 (Dyrektor Izby Skarbowej w W.), r.o. 49 en 55.
16. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat wordt voldaan aan de voorwaarden die aan een leverancier worden gesteld in artikel 28b, tweede lid, onderdeel
d, respectievelijk e, van de Wet OB, nu in de facturen niet staat vermeld dat [bedrijf 1] de margeregeling toepast. Uit de facturen van [bedrijf 1] blijkt juist dat zij de goederen intracommunautair heeft geleverd aan eiseres en niet de margeregeling op de leveringen heeft toegepast. Overigens is door de Duitse fiscus bevestigd dat [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast.
17. Evenmin is sprake van de levering van goederen door een ondernemer met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r, van de Wet OB. [bedrijf 1] heeft de goederen immers niet in het bedrijf gebruikt voor vrijgestelde prestaties, maar heeft deze ingekocht teneinde ze te verkopen. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat artikel 28b, tweede lid, onderdeel b, van de Wet OB analoog moet worden toegepast omdat [bedrijf 1] een niet-aftrekgerechtigde ondernemer is. Wat er ook zij van dat betoog, uit de MvT bij de invoering van de margeregeling blijkt dat de wetgever de margeregeling slechts van toepassing heeft willen laten zijn indien de goederen worden verkregen van specifiek omschreven niet-aftrekgerechtigde leveranciers. Dat betekent dat aan de in het tweede lid van artikel 28b van de Wet OB genoemde leveranciers niet een ruimere betekenis kan worden toegekend. Ook de btw-richtlijn biedt geen aanknopingspunten voor een dergelijke ruimere interpretatie.
Verzuimboetes
21. Verweerder heeft de verzuimboetes opgelegd op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), omdat eiseres de omzetbelasting die zij op aangiften had moeten voldoen niet heeft betaald. Nu de naheffingsaanslagen in stand blijven, is sprake van het beboetbare feit als bedoeld in artikel 67c van de Awr zodat verweerder per tijdvak een verzuimboete van € 5.514 heeft kunnen en mogen opleggen. Eiseres heeft daartegen ingebracht dat voor wat betreft de toepassing van de margeregeling sprake is van een pleitbaar standpunt. De bewijslast dat sprake is van een pleitbaar standpunt rust op eiseres. Met de enkele stelling dat zij redelijkerwijs kon menen juist te hebben gehandeld, is zij daarin niet geslaagd.
22. Eiseres heeft tegen de (hoogte van de) verzuimboetes verder geen afzonderlijke gronden aangevoerd en de rechtbank is van oordeel dat deze verzuimboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
23. Eiseres heeft niet aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank constateert echter ambtshalve dat de boetes zijn aangekondigd in het concept-controlerapport van 24 mei 2022. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar vanaf het moment dat eiseres op de hoogte is gekomen van het feit dat verweerder de boetes zou opleggen tot het moment waarop de rechtbank uitspraak doet, is overschreden met afgerond acht maanden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de boetes op grond van artikel 6 van het EVRM te verminderen met 10 percent naar € 4.962 (2020) en € 4.962 (2021).
Belastingrente
24. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente. Ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met het bepaalde in hoofdstuk
V van de Awr in rekening is gebracht.
Slotsom
25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
26. Nu de beroepen ongegrond zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”
5Beoordeling van het geschil
5.1.
Belanghebbende voert ook in hoger beroep aan dat zij aan de voorwaarden voor toepassing van de margeregeling voor ‘gebruikte goederen’ zoals beschreven in artikel 28b Wet OB voldoet, zodat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. De omstandigheid dat de goederen die zij verkoopt nooit eerder door particulieren zijn gebruikt, staat aan toepassing van de margeregeling niet in de weg; de geretourneerde goederen hebben door de verkoop door [bedrijf 3] / [bedrijf 4] aan een eindgebruiker blijvend de status van ‘gebruikte goederen’ verkregen, aldus belanghebbende. [bedrijf 3] / [bedrijf 4] verkoopt de geretourneerde goederen aan [bedrijf 1] (DE) die deze op haar beurt verkoopt aan belanghebbende (NL), zodat aan de voorwaarden ten aanzien van de leverancier ( [bedrijf 1] ), wordt voldaan; [bedrijf 1] is een wederverkoper die de margeregeling heeft toegepast. Dat laatste volgt uit het feit dat [bedrijf 1] geen omzetbelasting op haar facturen vermeldt en daarop duidelijk aangeeft dat het om ‘gebruikte goederen’ gaat. Dat op de facturen van [bedrijf 1] is vermeld “innergemeinschaftliche lieferung” (intracommunautaire levering), berust op een misvatting van [bedrijf 1] nu laatstgenoemde een binnenlandse (Nederlandse) levering heeft verricht aan belanghebbende. Die misvatting kan belanghebbende niet worden tegengeworpen. Voor een (verzuim)boete is in geen plaats omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Belanghebbende doet in hoger beroep niet langer een beroep op het vertrouwensbeginsel.
5.2.
De inspecteur verwijst naar zijn verweerschrift in eerste aanleg en schaart zich achter de uitspraak van de rechtbank. Het Hof oordeelt als volgt.
5.3.
Het Hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissingen van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissingen berusten tot de zijne. Mede naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt het Hof in aanvulling daarop als volgt.
5.4.
De doelstelling van de zogenoemde margeregeling is het voorkomen van een dubbele heffing van omzetbelasting en bijgevolg het voorkomen van verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen op het gebied van gebruikte goederen (vgl. arrest van het HvJ van 18 mei 2017, Litdana, C-624/15, ECLI:EU:C:2017:389, punt 25). Deze doelstelling – het vermijden van cumulatie – volgt ook uit art. 314 van de Btw-richtlijn, de interpretatiebasis van art. 28b Wet OB. Deze bepaling beperkt de toepassing van de margelevering tot leveringen door personen die geen vooraftrek genieten (niet-belastingplichtigen of ‘vrijgestelden’) en: ‘ (…) d) een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover de levering van het goed door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling aan de BTW onderworpen is geweest’ (nadruk: Hof). Voor zover belanghebbende betoogt dat zij de goederen heeft gekocht van een wederverkoper zoals bedoeld onder d), wordt dat betoog verworpen, aangezien, zoals is bevestigd door de Duitse belastingdienst (zie r.o. 4 van de rechtbankuitspraak), [bedrijf 1] de margeregeling niet heeft toegepast zodat zij niet kan worden aangemerkt als een belastingplichtige wederverkoper.
5.5.
In zijn arrest van 8 december 2005, Jyske Finans, C‑280/04, ECLI:EU:C:2005:753, heeft het HvJ in punt 35 o.a. overwogen: ‘(…) de regeling betreffende belastingheffing over de winstmarge die door de belastingplichtige wederverkoper bij de levering van gebruikte goederen, (…) wordt behaald [is] een bijzondere BTW-regeling (…), die afwijkt van de algemene regeling van de Zesde richtlijn en die (…) enkel mag worden toegepast voorzover dit ter verwezenlijking van de doelstelling ervan noodzakelijk is (…).’
Hieruit leidt het Hof af dat de margeregeling alleen mag worden toegepast als zonder toepassing daarvan cumulatie van omzetbelasting en bijgevolg verstoring van de mededinging tussen belastingplichtigen dreigt. Dat laatste is alleen denkbaar als de goederen eerder aan omzetbelasting onderworpen zijn geweest.
5.6.
Daarvan is in de onderwerpelijke zaak geen sprake. Het betreft immers geretourneerde goederen waarvoor de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden, zodat op [bedrijf 3] / [bedrijf 4] de verplichting rustte de gehele koopsom (inclusief de omzetbelasting) aan de koper te retourneren. Door deze ontbinding zijn de goederen (weer) gaan behoren tot de handelsvoorraad van [bedrijf 3] / [bedrijf 4] , beiden ondernemers die, naar kan worden aangenomen, volledig recht op vooraftrek genieten.
5.7.
Bovendien heeft [bedrijf 1] , die de geretourneerde goederen heeft gekocht van [bedrijf 3] / [bedrijf 4] en die de leverancier is van belanghebbende, de omzetbelasting die haar daarvoor in rekening is gebracht, in vooraftrek genomen (zie r.o. 4 van de uitspraak van de rechtbank).
5.8.
In een dergelijk geval kan bij wederverkoop door [bedrijf 1] aan belanghebbende geen cumulatie van omzetbelasting optreden. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.4. en 5.5, mag de margeregeling dan niet worden toegepast. Toepassing van de margeregeling zou in die gevallen juist in strijd komen met de doelstelling van de algemene regeling van de
btw-richtlijn, die inhoudt dat op de gehele vergoeding die aan de eindgebruiker in rekening wordt gebracht omzetbelasting rust. Door alleen over de winstmarge omzetbelasting te berekenen, heeft belanghebbende de mededinging tussen belastingplichtigen juist verstoord.
5.9.
Daarbij kan in het midden blijven of [bedrijf 1] de goederen al dan niet terecht heeft aangemerkt als een intra communautaire levering (“innergemeinschaftliche Lieferung”) of dat zij de goederen binnenlands (in Nederland) heeft geleverd, zoals belanghebbende betoogt. In beide gevallen mist de margeregeling toepassing en is belanghebbende over de totale door haar in rekening gebrachte vergoeding omzetbelasting verschuldigd naar het algemene tarief.
5.10.
Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat van een pleitbaar standpunt van belanghebbende geen sprake is, zodat de verzuimboete terecht is opgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding tot matiging van de boete.
Slotsom
5.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
6Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en J-P.R. van den Berg, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 15 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: