Geen verlaagd btw-tarief voor alcoholische dranken in restaurant

Alcoholische dranken Bar

Geen verlaagd btw-tarief voor alcoholische dranken in restaurant

Verstrekking van alcoholhoudende dranken valt niet onder het verlaagde btw-tarief, ook niet als deze tegelijkertijd met voedingsmiddelen in een restaurant worden verstrekt.

In deze zaak gaat het om het btw-tarief dat een restaurant in rekening moet brengen voor de alcoholhoudende dranken die het serveert. Eet- en drinkwaren vallen onder het verlaagde btw-tarief, behalve alcoholhoudende dranken, die volgens de wet onder het algemene btw-tarief vallen.

Wanneer verschillende handelingen van een ondernemer samen één enkele prestatie vormen, is op die prestatie hetzelfde btw-tarief van toepassing (HvJ arrest Stadion Amsterdam). Dit is volgens het HvJ anders als een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid een verlaagd btw-tarief selectief toe te passen op een concrete en specifieke werkzaamheid.

Gezien de totstandkomingsgeschiedenis van punt 12bis van Bijlage III Btw-richtlijn is het de uitdrukkelijke bedoeling om lidstaten de mogelijkheid te geven de verstrekking van alcoholhoudende dranken uit te zonderen van het verlaagde btw-tarief, ook als deze verstrekking deel uitmaakt van een uit verschillende elementen bestaande restaurantdienst.

Dit betekent volgens de Hoge Raad dat als een lidstaat gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid van selectieve toepassing van het verlaagde tarief, het niet meer van doorslaggevend belang kan zijn of de verstrekking van deze dranken deel uitmaakt van een samengestelde restaurantdienst.

Het is verder volgens de Hoge Raad niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de Nederlandse wetgever op een correcte wijze gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de verstrekking van alcoholhoudende dranken van toepassing van het verlaagde btw-tarief uit te sluiten. Dat de wetgever een andere wetgevingstechniek voor de uitsluiting van alcoholhoudende dranken van het verlaagde tarief heeft gehanteerd dan de richtlijngever, doet daaraan niet af.

Hoge RaadGerechtshofRechtbank
Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
18/00405
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:5774
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 9, en post b.12 van Tabel I, Wet OB 1968; art. 98, en post 12bis van Bijlage III, BTW-richtlijn 2006; verstrekking van alcoholhoudende dranken valt niet onder verlaagde tarief, ook niet indien deze tegelijkertijd met voedingsmiddelen in een restaurant worden verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-11-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 18/00405

Datum 8 november 2019

ARREST

in de zaak van

FISCALE EENHEID [X1] B.V. EN [X2] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 14 december 2017, nr. 16/03807, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 15/5599) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak oktober 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2Beoordeling van het middel

2.1In deze zaak gaat het om het omzetbelastingtarief dat een restaurant in rekening moet brengen voor de alcoholhoudende dranken die het serveert. Eet- en drinkwaren vallen onder het verlaagde tarief, behalve alcoholhoudende dranken, die volgens de wet onder het algemene tarief vallen.

2.2Voor het Hof betoogde belanghebbende dat voor de heffing van omzetbelasting het verstrekken van voedingsmiddelen en (alcoholhoudende) drank in een restaurant één dienst vormt waarbij het verstrekken van voedingsmiddelen voorop staat en de verstrekking van (alcoholhoudende) drank daarin opgaat. Het Hof heeft geoordeeld dat zelfs indien dat betoog juist is, dit niet tot gevolg kan hebben dat die gehele restaurantdienst wordt onderworpen aan het verlaagde tarief als bedoeld in artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met post b.12 van de bij de Wet behorende Tabel I (hierna: Tabel I). Volgens het Hof staat BTW-richtlijn 2006 uitdrukkelijk toe om in het kader van één restaurantdienst twee onderscheiden tarieven te hanteren, en de levering van alcoholhoudende drank in het kader van die dienst van het verlaagde tarief uit te sluiten. Verder heeft het Hof geoordeeld dat de regeling in de Nederlandse wet in overeenstemming is met hetgeen krachtens BTW-richtlijn 2006 is geoorloofd, ook al is deze iets anders geformuleerd.

2.3Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie miskend waarin is geoordeeld dat ter zake van één samengestelde prestatie slechts één tarief kan worden toegepast. Voorts betoogt het middel dat de wetgever de in Bijlage III, post 12bis, van BTW-richtlijn 2006 opgenomen mogelijkheid voor lidstaten om alcoholhoudende dranken uit te zonderen van toepassing van het verlaagde tarief, niet (correct) heeft geïmplementeerd.

2.4.1Wanneer verschillende handelingen van een ondernemer voor de heffing van omzetbelasting tezamen één enkele prestatie vormen, geldt als regel dat op die ene prestatie een en hetzelfde btw-tarief van toepassing is (vgl. het arrest Stadion Amsterdam1 met name punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Op de regel dat onderzocht moet worden of verschillende handelingen van een ondernemer als één samengestelde prestatie moeten worden beschouwd, bestaan echter uitzonderingen. In het arrest Stadion Amsterdam heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat zo’n uitzondering zich in het bijzonder voordoet wanneer een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de hem geboden vrijheid een verlaagd btw-tarief selectief toe te passen op een concrete en specifieke werkzaamheid, die als zodanig kan worden geïdentificeerd los van de overige door de ondernemer verrichte prestaties. Om in een dergelijk geval te bepalen of dat verlaagde btw-tarief in overeenstemming met artikel 96 tot en met artikel 99, lid 1, van BTW-richtlijn 2006 wordt toegepast in die lidstaat is volgens het Hof van Justitie niet van doorslaggevend belang of een handeling die bestaat uit meerdere elementen, moet worden beschouwd als één enkele prestatie.

2.4.2

Op grond van artikel 98, lid 2, van BTW-richtlijn 2006 in samenhang gelezen met Bijlage III van die richtlijn, is het lidstaten toegestaan een verlaagd tarief toe te passen op onder meer “levensmiddelen (met inbegrip van dranken, maar met uitsluiting van alcoholhoudende dranken) voor menselijke of dierlijke consumptie” (Bijlage III, punt 1). Op grond van punt 12bis van Bijlage III mogen voorts aan een verlaagd tarief worden onderworpen “restaurantdiensten, restauratie en cateringdiensten, waarbij het mogelijk is de levering van (alcoholhoudende en/of niet-alcoholhoudende) dranken uit te sluiten”.

Punt 12bis is met ingang van 1 juni 2009 aan Bijlage III van BTW-richtlijn 2006 toegevoegd. Dit is gebeurd bij Richtlijn 2009/47/EG2 (hierna: de wijzigingsrichtlijn). In het voorstel voor de wijzigingsrichtlijn3 heeft de Commissie de opname van punt 12bis (in het voorstel aangeduid als categorie 12a) in Bijlage III als volgt toegelicht:

“Categorie 12a (restaurant- en cateringdiensten): (…) Ter wille van de coherentie met categorie 1 van de levensmiddelen is de levering van alcoholhoudende dranken evenwel uitgesloten. In afwijking van het beginsel “eenzelfde verrichting, eenzelfde tarief” dat voor restaurantdiensten zou moeten gelden, is de uitsluiting van deze dranken een passend middel om te vermijden dat een normaal btw-tarief wordt toegepast voor alcoholhoudende dranken wanneer zij als zodanig worden gekocht, en een verlaagd btw-tarief wanneer zij deel uitmaken van een restaurantdienst. (…)”.

Categorie 12a van het voorstel voor de wijzigingsrichtlijn is ongewijzigd overgenomen in de wijzigingsrichtlijn, afgezien van de toevoeging van niet-alcoholhoudende dranken aan de van een verlaagd tarief uit te sluiten restaurantverstrekkingen. Overweging 3 van de considerans van de wijzigingsrichtlijn heeft dezelfde strekking als de hiervoor opgenomen toelichting van de Commissie.

Gezien deze totstandkomingsgeschiedenis van punt 12bis van Bijlage III is het de uitdrukkelijke bedoeling van de richtlijngever om lidstaten de mogelijkheid te geven de verstrekking van alcoholhoudende dranken uit te zonderen van het verlaagde btw-tarief, ook indien deze verstrekking deel uitmaakt van een uit verschillende elementen bestaande restaurantdienst.

Mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in 2.4.1 is overwogen, betekent dit dat indien een lidstaat gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid van selectieve toepassing van het verlaagde tarief, het niet meer van doorslaggevend belang kan zijn of de verstrekking van deze dranken deel uitmaakt van een samengestelde restaurantdienst. Het middel faalt in zoverre.

2.4.3Het middel faalt ook voor zover het betoogt dat de wetgever post 12bis van Bijlage III, van BTW-richtlijn 2006 niet (correct) heeft geïmplementeerd. Met artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met Tabel I, post b.12, is het verstrekken van voedingsmiddelen als bedoeld in Tabel I, post a.1, voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf onder het verlaagde tarief gebracht. Doordat op grond van Tabel I, post a.1, alcoholhoudende dranken niet tot de voedingsmiddelen worden gerekend, is het verstrekken van dergelijke dranken voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf niet onder het verlaagde tarief gebracht. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de wetgever hiermee op een correcte wijze gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de verstrekking van alcoholhoudende dranken van toepassing van het verlaagde tarief uit te sluiten. Dat de wetgever een andere wetgevingstechniek voor de uitsluiting van alcoholhoudende dranken van het verlaagde tarief heeft gehanteerd dan de richtlijngever, doet daaraan niet af.4

2.4.4Het middel voor het overige kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019.

1HvJ 18 januari 2018, Stadion Amsterdam C.V., C-463/16, ECLI:EU:C:2018:22.

2Richtlijn 2009/47/EG van de Raad van 5 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat verlaagde btw-tarieven betreft, PB 2009, L 116, blz. 18.

3COM(2008) 428 van 7 juli 2008.

4Vgl. HvJ 22 februari 2018, T-2, C-396/16, ECLI:EU:C:2018:109, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

ECLI:NL:HR:2019:1724

Instantie
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
16-01-2018
Zaaknummer
16/03807
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5236, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1724
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Laag of hoog tarief. Een horeca-gelegenheid serveert bij het eten alcoholhoudende dranken. Hierop is het hoge tarief van toepassing

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/101
V-N 2018/9.1.6
Viditax (FutD), 17-01-2018
FutD 2018-0235
Viditax (FutD), 08-11-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03807

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 augustus 2016, nummer BRE 15/5599 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende het hierna te noemen bezwaar tegen een voldoening op aangifte.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Belanghebbende heeft over het tijdvak oktober 2014 omzetbelasting aangegeven en voldaan tot een bedrag van € 4.675. Na tegen deze voldoening gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak op bezwaar met dagtekening 17 juli 2015 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.Partijen hebben verklaard geen gebruik te maken van het recht te worden gehoord. Het Hof heeft vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting van 3 november 2017 geen doorgang vindt en heeft het onderzoek gesloten.

2Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.Belanghebbende exploiteert een horecagelegenheid te [A] . Het pand waarin die exploitatie plaatsvindt, bestaat uit een restaurantgedeelte, zalen die worden gebruikt voor feesten en zakelijke bijeenkomsten, een lounge-bar en een terras.

2.2.Klanten kunnen bij belanghebbende terecht voor lunch, diner, kleine hapjes (fingerfood) of uitsluitend een drankje. Belanghebbende verkoopt en levert onder andere alcoholhoudende dranken.

3Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.Tussen partijen is in geschil of op de door belanghebbende verstrekte alcoholhoudende dranken het tarief van 6%, als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef, onderdeel a in samenhang met Tabel I behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968), posten a.1 en b.12, of het tarief van 21%, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet OB 1968, van toepassing is. Indien het verlaagde tarief van 6% van toepassing is omdat de bij lunches en diners geserveerde alcoholhoudende dranken opgaan in de maaltijd is voorts nog in geschil – in verband met het beroep van de Inspecteur op interne compensatie – of belanghebbende terecht het verlaagde tarief heeft toegepast op de kleine hapjes die belanghebbende bij alcoholhoudende dranken serveert en op hapjes en non-alcoholhoudende dranken die zij bij feesten serveert.

Belanghebbende is van mening dat de op door haar verstrekte alcoholhoudende dranken het tarief van 6% van toepassing is. De Inspecteur is van mening dat op de door belanghebbende verstrekte alcoholhoudende dranken het tarief van 21% van toepassing is.

3.2.Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot een teruggaaf van omzetbelasting van € 3.978. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4Gronden

4.1.Partijen hebben in hoger beroep hun in eerste aanleg aangevoerde stellingen gehandhaafd en herhaald.

4.2.De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:

“4.1. Artikel 98 van de Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang:

“1. De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.

2. De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.

(…)”

4.2.

Bijlage III (Lijst van de goederenleveringen en de diensten waarop de in artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven mogen worden toegepast) bij de Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang:

“12bis) restaurantdiensten, restauratie en cateringdiensten, waarbij het mogelijk is de levering van (alcoholhoudende en/of niet-alcoholhoudende) dranken uit te sluiten;

(…)”

4.3.

Artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) luidt, voor zover hier van belang:

“1. De belasting bedraagt 21 percent.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:

a. 6 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel I;

(…)”

4.4.

Tabel I (behorende bij de Wet) luidt, voor zover hier van belang:.

“a.

1. voedingsmiddelen, te weten:

a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie;

b. produkten die kennelijk zijn bestemd om te worden aangewend voor de bereiding van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren en daarin geheel of ten dele opgaan;

c. produkten die zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling op dan wel ter vervanging van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren; met dien verstande dat tot de voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken;

(…)

b.

12. het verstrekken van voedingsmiddelen als bedoeld in post a 1, voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf;”

4.5.De stelling van belanghebbende houdt in dat bij restaurantdiensten sprake is van één dienst in de zin van de omzetbelasting waarbij het verstrekken van voedingsmiddelen voorop staat en het verstrekken van drank daarin opgaat.

4.6.Ook indien de stelling van belanghebbende juist is, kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg hebben dat de gehele restaurantdienst is onderworpen aan het verlaagde tarief. De Btw-richtlijn (zie 4.1 en 4.2) staat uitdrukkelijk toe om in het kader van één restaurantdienst twee onderscheiden tarieven te hanteren en de levering van alcoholhoudende drank in het kader van die dienst van het verlaagde tarief uit te sluiten. De regeling in de Nederlandse wet is in overeenstemming met hetgeen krachtens de Btw-richtlijn is geoorloofd, ook al is deze iets anders geformuleerd.

4.7.De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden in verband met de prejudiciële vraag die de Hoge Raad op 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1866, heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. Die vraag heeft immers betrekking op een geval waarin de Btw-richtlijn niet uitdrukkelijk de toepassing van verschillende omzetbelastingtarieven op onderdelen van één dienst mogelijk maakt. Het beroep is ongegrond.

4.8.Gelet op het vorenstaande, hoeft de rechtbank zich niet uit te laten over de vraag of belanghebbende voldoende bewijs heeft geleverd dat, ondanks het beroep van de inspecteur op interne compensatie, recht bestaat op een teruggaaf van omzetbelasting. Het beroep dient immers ongegrond te worden verklaard.”

4.3.Het Hof acht deze beslissing van de Rechtbank juist en op goede gronden genomen. Aangezien partijen in hoger beroep geen andere standpunten hebben ingenomen, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

Slotsom

4.4.De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 14 december 2017 door M. Harthoorn, voorzitter, A.J. Kromhout en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
  1. de naam en het adres van de indiener;
  2. een dagtekening;
  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHSHE:2017:5774

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
AWB – 15 _ 5599
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:5774, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verzoekt om teruggaaf van omzetbelasting. Zij stelt dat op de alcoholhoudende drank die zij serveert bij lunches en diners het verlaagde tarief van 6% van toepassing is, omdat sprake is van één restaurantdienst, waarbij het verstrekken van voedingsmiddelen voorop staat en het verstrekken van drank daarin opgaat. De rechtbank oordeelt dat, ook indien de stelling van belanghebbende juist is, dit niet tot gevolg heeft dat de gehele restaurantdienst is onderworpen aan het verlaagde tarief. De Btw-richtlijn staat uitdrukkelijk toe om 2 onderscheiden tarieven te hanteren.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 15/5599

uitspraak van 23 augustus 2016

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbenden] B.V., beide gevestigd te [plaats X]

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1Ontstaan en loop van het geding

1.1.Belanghebbende heeft over het tijdvak oktober 2014 omzetbelasting aangegeven en voldaan tot een bedrag van € 4.675. Zij heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt en verzocht om een teruggaaf van € 3.978.

1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 juli 2015 het verzoek om teruggaaf afgewezen.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 augustus 2015, op dezelfde dag per fax ontvangen door de rechtbank, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Almere Buiten, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.6.De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

2Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.Belanghebbende exploiteert een horecagelegenheid te [plaats Y]. Het pand bestaat uit een restaurantgedeelte, zalen die worden gebruikt voor feesten en zakelijke bijeenkomsten, een lounge-bar en een terras.

2.2.Klanten kunnen bij belanghebbende terecht voor lunch, diner, kleine hapjes (fingerfood) of uitsluitend een drankje.

3Geschil

3.1.Tussen partijen is nog in geschil of op de alcoholhoudende drank die belanghebbende bij lunches en diners serveert het verlaagde tarief van 6% omzetbelasting van toepassing is (standpunt belanghebbende) of het algemene tarief van 21% (standpunt inspecteur). Indien het verlaagde tarief van 6% van toepassing is omdat de bij lunches en diners geserveerde alcoholhoudende dranken opgaan in de maaltijd is voorts nog in geschil – in verband met het beroep van de inspecteur op interne compensatie – of belanghebbende terecht het verlaagde tarief heeft toegepast op de kleine hapjes die belanghebbende bij alcoholhoudende dranken serveert en op hapjes en non-alcoholhoudende dranken die zij bij feesten serveert.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van € 3.978 omzetbelasting.

3.4.De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 98 van de Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang:

“1. De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.

2. De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.

(…)”

4.2.

Bijlage III (Lijst van de goederenleveringen en de diensten waarop de in artikel 98 bedoelde verlaagde tarieven mogen worden toegepast) bij de Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang:

“12bis) restaurantdiensten, restauratie en cateringdiensten, waarbij het mogelijk is de levering van (alcoholhoudende en/of niet-alcoholhoudende) dranken uit te sluiten;

(…)”

4.3.

Artikel 9 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) luidt, voor zover hier van belang:

“1. De belasting bedraagt 21 percent.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting:

a. 6 percent voor leveringen van goederen en diensten, genoemd in de bij deze wet behorende tabel I;

(…)”

4.4.

Tabel I (behorende bij de Wet) luidt, voor zover hier van belang:.

“a.

1. voedingsmiddelen, te weten:

a. eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie;

b. produkten die kennelijk zijn bestemd om te worden aangewend voor de bereiding van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren en daarin geheel of ten dele opgaan;

c. produkten die zijn bestemd om te worden aangewend als aanvulling op dan wel ter vervanging van de onder a bedoelde eet- en drinkwaren; met dien verstande dat tot de voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken;

(…)

b.

12. het verstrekken van voedingsmiddelen als bedoeld in post a 1, voor gebruik ter plaatse binnen het kader van het hotel-, café-, restaurant-, pension- en aanverwant bedrijf;”

4.5.De stelling van belanghebbende houdt in dat bij restaurantdiensten sprake is van één dienst in de zin van de omzetbelasting waarbij het verstrekken van voedingsmiddelen voorop staat en het verstrekken van drank daarin opgaat.

4.6.Ook indien de stelling van belanghebbende juist is, kan dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg hebben dat de gehele restaurantdienst is onderworpen aan het verlaagde tarief. De Btw-richtlijn (zie 4.1 en 4.2) staat uitdrukkelijk toe om in het kader van één restaurantdienst twee onderscheiden tarieven te hanteren en de levering van alcoholhoudende drank in het kader van die dienst van het verlaagde tarief uit te sluiten. De regeling in de Nederlandse wet is in overeenstemming met hetgeen krachtens de Btw-richtlijn is geoorloofd, ook al is deze iets anders geformuleerd.

4.7.De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden in verband met de prejudiciële vraag die de Hoge Raad op 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1866, heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de EU. Die vraag heeft immers betrekking op een geval waarin de Btw-richtlijn niet uitdrukkelijk de toepassing van verschillende omzetbelastingtarieven op onderdelen van één dienst mogelijk maakt. Het beroep is ongegrond.

4.8.Gelet op het vorenstaande, hoeft de rechtbank zich niet uit te laten over de vraag of belanghebbende voldoende bewijs heeft geleverd dat, ondanks het beroep van de inspecteur op interne compensatie, recht bestaat op een teruggaaf van omzetbelasting. Het beroep dient immers ongegrond te worden verklaard.

5Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 augustus 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. W.A.P. van Roij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

ECLI:NL:RBZWB:2016:5236