Gerecht 02-09-2026 Peckeger T-413/25

Gerecht Peckeger arrest

F R, een ondernemer met een eenmanszaak, bezat verschillende verhuurde onroerende goederen waarvoor hij wegens belaste verhuur btw als voorbelasting had afgetrokken. In 2007 bracht hij deze goederen in natura in bij R GmbH, waarvan hij de enige aandeelhouder en bestuurder was, zonder dat hiervoor nieuwe aandelen werden uitgegeven. Deze inbreng werd door de belastingplichtige aangemerkt als een niet-belastbare overdracht van een algemeenheid van goederen. De Oostenrijkse Belastingdienst weigerde deze kwalificatie echter en stelde dat de inbreng een btw-belaste ruil vormde, omdat er volgens de wet op de winstbelasting sprake was van vermogensbeheer (verhuur en verpachting) en niet van een commerciële activiteit. Bijgevolg legde de Belastingdienst een naheffingsaanslag op en herzag de aftrek van voorbelasting.

De vraag is of de inbreng om niet van verhuurde onroerende goederen in een eigen vennootschap een btw-belaste handeling is. Meer specifiek moet worden beslist of dit een levering onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn is, of dat dit leidt tot een onttrekking van een goed aan het bedrijf in de zin van artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn. Daarnaast houdt partijen verdeeld of de lidstaten het niet-leveringsbeginsel van artikel 19 van de btw-richtlijn mogen beperken tot overdrachten die bepaalde soorten inkomsten genereren, en of deze richtlijnbepaling rechtstreekse werking heeft.

Het Gerecht oordeelt dat de inbreng om niet in een vennootschap waarvan men enig aandeelhouder is, geen levering onder bezwarende titel vormt wegens het ontbreken van prestaties over en weer, onder verwijzing naar HvJ 27 april 1999, Kuwait Petroleum, C-48/97, ECLI:EU:C:1999:203 en HvJ 21 november 2013, Dixons Retail, C-494/12, ECLI:EU:C:2013:758. Wel vormt deze transactie een onttrekking om niet voor andere dan bedrijfsdoeleinden in de zin van artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn, mits over de goederen recht op aftrek is ontstaan. Verder oordeelt het Gerecht dat artikel 19 van de btw-richtlijn zich verzet tegen een nationale regeling die het niet-leveringsbeginsel beperkt tot overdrachten die bepaalde typen inkomsten genereren. De lidstaten mogen de werkingssfeer hiervan niet verder inperken dan toegestaan onder de tweede alinea van die bepaling, wat wordt ondersteund door de rechtspraak in HvJ 10 november 2011, Schriever, C-444/10, ECLI:EU:C:2011:724 en HvJ 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, ECLI:EU:C:2003:644. Tot slot heeft artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn rechtstreekse werking. Een belastingplichtige kan zich hierop rechtstreeks beroepen tegenover de Belastingdienst indien een lidstaat deze bepaling in strijd met het Unierecht heeft beperkt.

Afbeelding en samenvatting: Gemini / btwjurisprudentie.nl

DictumArrestVerzoek

1) Artikel 19 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het in dat artikel neergelegde beginsel dat bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, alleen geldt bij de inbreng van bepaalde activa van ondernemingen of bedrijfstakken die bepaalde soorten inkomsten genereren, tenzij een dergelijke beperking wordt gerechtvaardigd door een van de in artikel 19, tweede alinea, van deze richtlijn genoemde gronden.

2) Artikel 19, eerste alinea, van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

het rechtstreekse werking heeft, zodat een belastingplichtige zich voor een nationale rechter tegenover de bevoegde belastingdienst kan beroepen op het beginsel dat er bij de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Unie ervoor heeft gekozen dit beginsel toe te passen, maar de werkingssfeer ervan heeft beperkt tot bepaalde specifieke gevallen die niet onder artikel 19, tweede alinea, van die richtlijn vallen.

3) Artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

de inbreng door een belastingplichtige van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, geen levering van goederen onder bezwarende titel vormt.

4) Artikel 16, eerste alinea, van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

de inbreng van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt in de zin van deze bepaling vormt, welk onttrekken kan worden gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

2 september 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Levering van goederen onder bezwarende titel – Artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112/EG – Onttrekking van een bedrijfsgoed dat om niet is overgedragen of voor andere dan bedrijfsdoeleinden is bestemd – Artikel 16 van richtlijn 2006/112 – Overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen – Artikel 19 van richtlijn 2006/112 – Inbreng van bebouwde onroerende goederen – Mogelijkheid voor de lidstaten om de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen van de werkingssfeer van de btw uit te sluiten – Rechtstreekse werking ”

In zaak T-413/25, [Peckeger] (i),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) bij beslissing van 28 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 10 juni 2025, in de procedure

F R

tegen

Finanzamt Österreich,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull, president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu en W. Valasidis (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 30 juni 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

– F R, vertegenwoordigd door M. Achatz en P. Pichler als belastingadviseurs,

– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en G. Kunnert als gemachtigden,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Carlin en L. Hohenecker als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder a), en de artikelen 16 en 19 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

2 Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen F R, een particulier die een eenmanszaak leidt, en het Finanzamt Österreich (Oostenrijkse belastingdienst; hierna: „belastingdienst”) over de regeling die wordt toegepast op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in geval van een inbreng van onroerende goederen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 Overweging 8 van de btw-richtlijn luidt:

„[…] [D]e begroting van de Europese Gemeenschappen [wordt], onverminderd de andere ontvangsten, in haar geheel gefinancierd uit de eigen middelen van de Gemeenschappen. Deze middelen omvatten onder meer de ontvangsten uit de btw, verkregen door toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag die op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften wordt vastgesteld.”

4 Artikel 2 van de btw-richtlijn bepaalt:

„1. De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:

a) de leveringen van goederen, die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

5 Artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:

„1. Als ‚levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”

6 Artikel 16 van de btw-richtlijn bepaalt:

„Met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, […] dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan.

Met een levering van goederen onder bezwarende titel worden niet gelijkgesteld, onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster.”

7 Artikel 19 van de btw-richtlijn bepaalt:

„De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager.

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om verstoringen van de mededinging te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan, niet volledig belastingplichtig is. Zij kunnen ook alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en ‑ontwijking met gebruikmaking van dit artikel te voorkomen.”

Oostenrijks recht

8 § 1 van het Umsatzsteuergesetz 1994 (wet op de omzetbelasting 1994) van 23 augustus 1994 (BGBl. 663/1994), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „UStG 1994”), bepaalt:

„(1) Aan de omzetbelasting zijn onderworpen:

1. leveringen en andere diensten die op het nationale grondgebied door een ondernemer in het kader van zijn onderneming onder bezwarende titel worden verricht. […]”

9 § 3 UStG 1994 bepaalt:

„[…]

(2) Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het door een ondernemer aan zijn bedrijf onttrekken van een goed

– voor andere dan bedrijfsdoeleinden;

– voor de behoeften van zijn personeel, met uitzondering van kleine voordelen in natura, of

– iedere andere verstrekking om niet, met uitzondering van geschenken van geringe waarde en monsters voor bedrijfsdoeleinden.

Belastingheffing vindt slechts plaats wanneer met betrekking tot het goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan.

[…]”

10 § 6 UStG 1994 luidt als volgt:

„(1) De volgende onder § 1, lid 1, punt 1, vallende handelingen zijn vrijgesteld van belasting:

[…]

9. a) handelingen met betrekking tot percelen grond in de zin van § 2 van het Grunderwerbsteuergesetz 1987 [(Wet op de registratierechten 1987)];

[…]

(2) De ondernemer kan […] een krachtens § 6, lid 1, punt 9, onder a), vrijgestelde handeling […] als belastbaar aanmerken. […] […]”

11 § 12 UStG 1994 bepaalt:

„[…]

(3) Van het recht op aftrek van voorbelasting zijn uitgesloten:

1. de belasting die is voldaan over de levering en de invoer van goederen, voor zover deze goederen voor vrijgestelde handelingen zijn gebruikt;

[…]

(10) Wanneer met betrekking tot een goed dat een ondernemer in zijn onderneming als onderdeel van de vaste activa gebruikt, in de loop van de vier kalenderjaren die volgen op het jaar van de eerste ingebruikneming wijzigingen optreden in de omstandigheden die gedurende het jaar van de eerste ingebruikneming de aftrek van voorbelasting hebben bepaald (lid 3), dient voor elk jaar waarop de wijziging betrekking heeft een verrekening te worden toegepast door middel van een herziening van de aftrek van voorbelasting.

[…]

Wat percelen grond in de zin van § 2 van het Grunderwerbsteuergesetz 1987 betreft (inclusief de bij de activa op te nemen uitgaven en de kosten van grote herstellingen), wordt de periode van vier kalenderjaren vervangen door negen kalenderjaren.

[…]”

12 § 12 van het Umgründungssteuergesetz (belastingwet inzake de belasting op herstructureringen van ondernemingen) van 30 december 1991 (BGBl. 699/1991), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „UmgrStG”), bepaalt:

„(1) Van inbreng in de zin van deze federale wet is er sprake indien een algemeenheid van goederen (lid 2) op basis van een schriftelijke overeenkomst tot inbreng (overeenkomst tot inbreng in natura) en een inbrengbalans (§ 15) overeenkomstig § 19 daadwerkelijk aan een ontvangende vennootschap (lid 3) wordt overgedragen. Voorwaarde is dat de verkoopwaarde van de algemeenheid van goederen op zichzelf op het tijdstip van de inbreng of in elk geval op het tijdstip van het sluiten van de inbrengovereenkomst positief is. In geval van twijfel moet de inbrenger het bedrag van de positieve verkeerswaarde door middel van een met redenen omkleed deskundigenadvies aantonen.

(2) De algemeenheid van goederen die kan worden ingebracht, omvat enkel

1. ondernemingen en bedrijfstakken die inkomsten als bedoeld in § 2, lid 3, punten 1 tot en met 3, van het Einkommensteuergesetz 1988 (wet op de inkomstenbelasting 1988) genereren;

[…]

(3) Als ontvangende vennootschappen kunnen alleen worden aangemerkt:

1. volledig belastingplichtige kapitaalvennootschappen en coöperaties voor handel en economie [§ 1, lid 2, van het Körperschaftsteuergesetz 1988 (Wet op de vennootschapsbelasting 1988)].

[…]”

13 § 22 UmgrStG bepaalt:

„[…]

3. De inbrengen in de zin van § 12 worden niet beschouwd als belastbare handelingen in de zin van het UStG 1994; de ontvangende vennootschap neemt voor btw-doeleinden onmiddellijk de plaats van de inbrenger in. […]”

14 § 2 Einkommensteuergesetz 1988 (wet op de inkomstenbelasting 1988) van 7 juli 1988 (BGBl. 400/1988), bepaalt:

„[…]

(3) Inkomstenbelasting is slechts verschuldigd over:

1. inkomsten uit een land‑ of bosbouwactiviteit (§ 21);

2. inkomsten uit een zelfstandige beroepsactiviteit (§ 22);

3. inkomsten uit een industriële of commerciële activiteit (§ 23);

[…]

6. inkomsten uit verhuur en verpachting (§ 28);

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 F R exploiteerde een eenmanszaak waarvan het vermogen verschillende verhuurde onroerende goederen omvatte; over deze verhuur was btw verschuldigd, zodat er voor deze onroerende goederen recht op aftrek van voorbelasting bestond.

16 Bij een overeenkomst tot inbreng in natura van 2007 heeft F R de in punt 15 hierboven vermelde onroerende goederen zonder nieuwe aandelen ingebracht in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, R GmbH, waarvan hij de enige aandeelhouder en bestuurder was (hierna: „inbreng”). Vervolgens is R de onroerende goederen blijven verhuren, waarbij deze verhuur aan de btw onderworpen bleef.

17 In de overeenkomst inzake de inbreng was bepaald dat de inbreng werd verricht onder de regeling van het UmgrStG met als gevolg dat elke btw-heffing werd uitgesloten door de transactie aan te merken als overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 19 van de btw-richtlijn. F R trok hieruit zijn conclusie en verklaarde dat de inbreng niet als een belastbare handeling moest worden beschouwd.

18 Bij besluit van 8 juni 2009 heeft de belastingdienst de inbreng voor het jaar 2007 evenwel aan de btw onderworpen door deze aan te merken als een ruil tegen toedeling van aandelen. Zij was in dit verband van oordeel dat er geen enkele inbreng van een algemeenheid van goederen in de zin van § 12, lid 1 en lid 2, punt 1, UmgrStG kon worden vastgesteld, aangezien de inbrenger zich bezighield met vermogensbeheer wat inkomsten uit verhuur en verpachting opleverde, en niet met commerciële verhuur, wat inkomsten uit industriële of commerciële activiteiten opleverde in de zin van § 2, lid 3, van het Einkommensteuergesetz 1988. De belastingdienst heeft tevens ingevolge § 12, leden 10 en 11, UStG 1994, de overeenkomstige aftrek van voorbelasting herzien op grond dat de transacties die met betrekking tot de betrokken onroerende goederen waren verricht, werden geacht te zijn vrijgesteld van btw zonder recht op aftrek van voorbelasting.

19 F R heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Bundesfinanzgericht (federale belastingrechter in eerste aanleg, Oostenrijk), dat dit beroep enkel heeft toegewezen wat het bedrag van de herziening betreft. Het Bundesfinanzgericht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een algemeenheid van goederen die kan worden ingebracht. Voor zover de verhuur van de onroerende goederen aan btw was onderworpen, was het evenwel van oordeel dat door het in natura inbrengen van de betrokken onroerende goederen in de vennootschap de omstandigheden waren gewijzigd die gelet op § 12, leden 10 en 11, UStG 1994, bepalend waren voor de aftrek van de voorbelasting, op grond dat de betrokken inbreng niet aan btw was onderworpen.

20 F R heeft tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk).

21 De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging die moet worden gegeven aan verschillende bepalingen van de btw-richtlijn die van toepassing zijn op het hoofdgeding.

22 In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of de inbreng in natura van een onroerend goed in een vennootschap een aan de btw onderworpen handeling is, omdat het ofwel een levering van een goed onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn vormt, ofwel een onttrekking van het goed aan de onderneming van de belastingplichtige, die op grond van artikel 16 van de btw-richtlijn met een dergelijke levering kan worden gelijkgesteld. In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het in artikel 19 van de btw-richtlijn vastgelegde beginsel volgens hetwelk bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige voor btw-doeleinden geen levering van goederen heeft plaatsgevonden (hierna: „niet-leveringsbeginsel”), door een lidstaat kan worden beperkt tot situaties waarin de overgedragen goederen dienen om bepaalde categorieën inkomsten te verkrijgen. In de derde plaats vraagt hij zich af of artikel 19 van de btw-richtlijn rechtstreekse werking heeft.

23 In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgerichtshof, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1) Moet artikel 2, lid 1, onder a), van de […] btw-richtlijn, aldus worden uitgelegd dat de inbreng van bebouwde onroerende goederen door een belastingplichtige die die onroerende goederen tot nu toe heeft gebruikt door deze te verhuren, waarbij deze handeling (met recht op aftrek van voorbelasting) aan btw is onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is (zodat hij geen extra aandelen krijgt als tegenprestatie voor deze inbreng), als een levering van goederen onder bezwarende titel moet worden aangemerkt?

2) Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 16, [eerste alinea], van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat de in de eerste vraag bedoelde handeling leidt tot het voorafgaand aan de inbreng door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt?

3) Staat artikel 19 van de btw-richtlijn in de weg aan een nationale bepaling die de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen (bedrijven of bedrijfsonderdelen) enkel in geval van een herstructurering (waarvan er volgens het nationale recht alleen sprake is wanneer dit vermogen volgens de nationale wetgeving inzake winstbelasting wordt gebruikt om bepaalde soorten inkomsten te genereren) behandelt alsof er geen sprake is van een levering van goederen?

4) Heeft artikel 19 van de btw-richtlijn rechtstreekse werking, zodat een belastingplichtige zich voor de nationale rechter ten opzichte van de bevoegde belastingdienst op het niet-leveringsbeginsel kan beroepen wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de lidstaat tot de Europese Unie een regeling heeft ingevoerd en sindsdien heeft gehandhaafd die slechts op specifieke gevallen van toepassing is, maar niet op het bedrijfsvermogen dat (volgens het Oostenrijkse recht inzake winstbelasting) wordt gebruikt om inkomsten uit verhuur en verpachting te genereren?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Derde vraag

24 Met zijn derde vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 19 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het in dat artikel neergelegde beginsel dat bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, alleen geldt bij de inbreng van bepaalde activa van ondernemingen of bedrijfstakken die bepaalde soorten inkomsten genereren.

25 Vooreerst wordt eraan herinnerd dat artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn bepaalt dat de lidstaten, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen, zich op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. Hieruit volgt dat, wanneer een lidstaat van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen niet wordt beschouwd als een levering van goederen voor de toepassing van de btw-richtlijn en niet aan btw is onderworpen overeenkomstig artikel 2 van deze richtlijn (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 november 2011, Schriever, C-444/10, EU:C:2011:724, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Krachtens artikel 19, tweede alinea, van de btw-richtlijn kunnen de lidstaten een overgang uitsluiten van de toepassing van het niet-leveringsbeginsel wanneer degene op wie een algemeenheid van goederen overgaat geen belastingplichtige is in de zin van deze richtlijn of slechts voor een deel van zijn activiteiten belastingplichtig is, indien die uitsluiting nodig is om concurrentieverstoringen te voorkomen en om belastingfraude en ‑ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling tegen te gaan.

27 Artikel 19, tweede alinea, van de btw-richtlijn moet worden opgevat als een exhaustieve precisering van de voorwaarden waaronder een lidstaat die gebruikmaakt van de in de eerste alinea geboden mogelijkheid, de toepassing van het niet-leveringsbeginsel kan beperken (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 november 2011, Schriever, C-444/10, EU:C:2011:724, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28 Hieruit volgt dat een lidstaat die gebruikmaakt van de faciliteit van de eerste alinea van artikel 19 van de btw-richtlijn het niet-leveringsbeginsel moet toepassen op elke overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen en dus de toepassing van dit beginsel niet kan beperken tot bepaalde vormen van overgang, behalve in de omstandigheden bedoeld in de tweede alinea van deze bepaling (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, EU:C:2003:644, punt 31).

29 Deze uitlegging stemt overeen met het doel van de btw-richtlijn, dat erin bestaat de btw-grondslag eenvormig en overeenkomstig de regels van de Unie te bepalen. Het in artikel 19, eerste alinea, van deze richtlijn neergelegde niet-leveringsbeginsel vormt immers een autonoom Unierechtelijk begrip dat tot doel heeft verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, EU:C:2003:644, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Om de draagwijdte van het niet-leveringsbeginsel te verduidelijken, moet artikel 19 van de btw-richtlijn worden onderzocht in het licht van de context en het doel ervan (zie naar analogie arresten van 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, EU:C:2003:644, punten 32 en 34, en 10 november 2011, Schriever, C-444/10, EU:C:2011:724, punt 22).

31 Uit de context van de artikelen 14 tot en met 19 van de btw-richtlijn blijkt dat artikel 19 van deze richtlijn deel uitmaakt van een geheel van bepalingen die tot doel hebben vast te stellen welke handelingen belastbaar zijn en welke niet.

32 Uit het onderzoek van de context van artikel 19 van de btw-richtlijn en van de met deze bepaling nagestreefde doelstelling blijkt dat deze bepaling ertoe strekt de lidstaten in staat te stellen de overdrachten van ondernemingen of delen daarvan te vergemakkelijken, door ze te vereenvoudigen en te vermijden dat de verkrijger op buitensporige wijze wordt belast, aangezien hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de voorbelasting (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 november 2011, Schriever, C-444/10, EU:C:2011:724, punt 23).

33 De in punt 28 van het onderhavige arrest uiteengezette uitlegging van het niet-leveringsbeginsel vindt overigens steun in het feit dat dit in artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn opgenomen beginsel niet kan worden beschouwd als een afwijking van een belastingverplichting die een restrictieve uitlegging rechtvaardigt. Het is immers slechts van toepassing indien de btw die in voorkomend geval over de handeling wordt geheven, aftrekbaar zou zijn geweest en impliceert bovendien dat degene op wie de goederen overgaan wordt beschouwd als opvolger van de overdrager bij de voortzetting van de activiteit (zie in die zin het arrest van 19 december 2018, Mailat, C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 29; zie in die zin en naar analogie ook het arrest van 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, EU:C:2003:644, punt 43).

34 Bijgevolg mag de werkingssfeer van het niet-leveringsbeginsel niet verder worden beperkt dan is bepaald in artikel 19, tweede alinea, van de btw-richtlijn, omdat anders de draagwijdte van de eerste alinea van dat artikel ten onrechte dreigt te worden beperkt en voorbij dreigt te worden gegaan aan de algemene doelstelling van deze richtlijn, die zoals uit overweging 8 blijkt, erin bestaat een uniforme vaststelling van de maatstaf van heffing van de belasting te waarborgen. Het staat aan de verwijzende rechter om deze beoordeling te verrichten en rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het bij hem aanhangige geding, waarbij de nationale bepalingen de toepassing van het niet-leveringsbeginsel beperken tot de overdracht van algemeenheden van goederen die ondernemingen of bedrijfstakken omvatten die bestemd zijn om bepaalde soorten inkomsten te verwerven.

35 Gelet op een en ander dient op de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 19 van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het in dat artikel neergelegde beginsel dat bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, alleen geldt bij de inbreng van bepaalde activa van ondernemingen of bedrijfstakken die bepaalde soorten inkomsten genereren, tenzij een dergelijke beperking wordt gerechtvaardigd door een van de in artikel 19, tweede alinea, van deze richtlijn genoemde gronden.

Vierde vraag

36 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn rechtstreekse werking heeft, zodat een belastingplichtige zich voor een nationale rechter tegenover de bevoegde belastingdienst kan beroepen op het beginsel dat er bij de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Europese Unie ervoor heeft gekozen dit beginsel toe te passen, maar de werkingssfeer ervan heeft beperkt tot bepaalde specifieke gevallen die niet onder artikel 19, tweede alinea, van de btw-richtlijn vallen.

37 Vooraf zij opgemerkt dat ten eerste de vraag betreffende de rechtstreekse werking van artikel 19 van de btw-richtlijn niet rijst, indien de verwijzende rechter van oordeel zou zijn dat de restrictieve toepassing van deze bepaling die volgt uit de Oostenrijkse wetgeving waarop de derde vraag betrekking heeft, in het licht van de tweede alinea van deze bepaling gerechtvaardigd is.

38 Ten tweede werd het UStG 1994 in 1994 vastgesteld en het UmgrStG in 1991. Hieruit volgt dat de nationale wettelijke regeling inzake het niet-leveringsbeginsel dateert van vóór de toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Unie in 1995, waarbij in herinnering moet worden gebracht dat deze wettelijke regeling niet valt onder een van de standstillclausules van de btw-richtlijn op grond waarvan de Republiek Oostenrijk aan een eigen uitlegging van het niet-leveringsbeginsel had mogen vasthouden.

39 Vervolgens zij eraan herinnerd dat het beginsel van rechtstreekse werking van toepassing is op richtlijnen voor zover zij voor de lidstaten verbindend zijn ten aanzien van het te bereiken resultaat, zelfs wanneer zij hun een beoordelingsmarge laten met betrekking tot de wijze waarop sommige bepalingen ervan ten uitvoer worden gelegd (zie in die zin de arresten van 19 januari 1982, Becker, 8/81, EU:C:1982:7, punt 29; 10 juni 1982, Grendel, 255/81, EU:C:1982:225, punt 11, en 22 februari 1984, Kloppenburg, 70/83, EU:C:1984:71, punten 3 en 14).

40 In het bijzonder volgt uit vaste rechtspraak dat wanneer de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, particulieren zich voor de nationale rechter tegenover een lidstaat op die bepalingen kunnen beroepen. Dit geldt zowel wanneer de lidstaat heeft verzuimd om de richtlijn binnen de gestelde termijn om te zetten, als wanneer hij de richtlijn onjuist heeft omgezet (zie arrest van 15 februari 2017, British Film Institute, C-592/15, EU:C:2017:117, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Dit is met name het geval wanneer een bepaling de lidstaten weliswaar een beoordelingsmarge laat, maar niettemin een voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk kader vaststelt om rechtstreekse werking te hebben (zie in die zin en naar analogie arresten van 6 november 2003, Dornier, C-45/01, EU:C:2003:595, punten 80 en 81, en 28 juni 2007, JP Morgan Fleming Claverhouse Investment Trust en The Association of Investment Trust Companies, C-363/05, EU:C:2007:391, punten 59‑62).

42 Een unierechtelijke bepaling is onvoorwaardelijk, wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten. Zij is voldoende nauwkeurig wanneer de daarin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd [zie arresten van 1 juli 2010, Gassmayr, C-194/08, EU:C:2010:386, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking), C-205/20, EU:C:2022:168, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43 Wat de eerste in punt 42 hierboven genoemde voorwaarde betreft, moet worden vastgesteld dat artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn, voor zover het bepaalt dat de lidstaten, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager, voldoende nauwkeurig is, aangezien het duidelijk bepaalt onder welke voorwaarden een dergelijke overgang niet als een levering van goederen in de zin van de btw-richtlijn wordt beschouwd.

44 Aangaande de tweede voorwaarde volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de aan de lidstaten verleende bevoegdheid om ter bereiking van het door een richtlijn voorgeschreven resultaat uit een veelheid van alternatieven te kiezen, voor particulieren niet de mogelijkheid uitsluit om zich voor de nationale rechterlijke instanties te beroepen op rechten waarvan de inhoud enkel aan de hand van de bepalingen van de richtlijn met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld (zie in die zin arresten van 19 november 1991, Francovich e.a., C-6/90 en C-9/90, EU:C:1991:428, punt 17, en 12 februari 2009, Cobelfret, C-138/07, EU:C:2009:82, punt 61).

45 In het bijzonder staat de beoordelingsmarge die in een bepaling aan de lidstaten wordt gelaten om een juiste en duidelijke toepassing ervan te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen, niet eraan in de weg dat deze bepaling onvoorwaardelijk is. Bovendien kan een lidstaat niet aan een belastingplichtige die kan aantonen dat zijn fiscale situatie daadwerkelijk onder een van de in een richtlijn genoemde gevallen valt, tegenwerpen dat die lidstaat de toepassingsbepalingen voor de betrokken regel niet heeft vastgesteld (zie in die zin en naar analogie arrest van 17 juli 2008, Flughafen Köln/Bonn, C-226/07, EU:C:2008:429, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Hetzelfde geldt wanneer de beoordelingsmarge die in een bepaling van de btw-richtlijn aan de lidstaten is toegekend om de werkingssfeer van die bepaling te beperken, door een lidstaat op een wijze wordt gebruikt die in strijd is met het Unierecht, aangezien de betrokken bepaling dan onvoorwaardelijk is.

47 Artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn heeft dus rechtstreekse werking wanneer een lidstaat de bij artikel 19, tweede alinea, van deze richtlijn verleende beoordelingsmarge om het in de eerste alinea neergelegde niet-leveringsbeginsel te beperken, heeft gebruikt op een wijze die in strijd is met het Unierecht. Een lidstaat die in strijd met artikel 19 van de btw-richtlijn de werkingssfeer van het niet-leveringsbeginsel heeft beperkt, kan deze beperking dus niet tegenwerpen aan een belastingplichtige die kan aantonen dat zijn handeling daadwerkelijk onder een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van deze bepaling valt.

48 Gelet op een en ander moet derhalve op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het rechtstreekse werking heeft, zodat een belastingplichtige zich voor een nationale rechter tegenover de bevoegde belastingdienst kan beroepen op het beginsel dat er bij de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Unie ervoor heeft gekozen dit beginsel toe te passen, maar de werkingssfeer ervan heeft beperkt tot bepaalde specifieke gevallen die niet onder artikel 19, tweede alinea, van die richtlijn vallen.

Eerste vraag

49 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de inbreng door een belastingplichtige van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, als een levering van goederen onder bezwarende titel moet worden aangemerkt.

50 Artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn vermeldt onder de aan de btw onderworpen handelingen de leveringen van goederen die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht.

51 Wat de voorwaarde betreft dat de levering onder bezwarende titel wordt verricht, zij eraan herinnerd dat goederen enkel „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn worden geleverd, wanneer tussen de leverancier en degene op wie de goederen overgaan een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de leverancier ontvangen prijs de werkelijke tegenwaarde vormt voor het geleverde goed (arresten van 27 april 1999, Kuwait Petroleum, C-48/97, EU:C:1999:203, punt 26, en 21 november 2013, Dixons Retail, C-494/12, EU:C:2013:758, punt 32).

52 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt dat er bij de rechtsverhouding tussen enerzijds een belastingplichtige als F R, die krachtens een overeenkomst tot inbreng in natura de eigendom van de betrokken onroerende goederen zonder enige werkelijke tegenwaarde heeft overgedragen aan een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is, en anderzijds deze onderneming, geen sprake is van prestaties over en weer in de zin van de in punt 51 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

53 Hieruit volgt dat wanneer een belastingplichtige bebouwde onroerende goederen die verhuurd wordenwaarbij btw over die verhuur verschuldigd is, inbrengt in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie extra aandelen krijgt, die inbreng geen levering van goederen onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn vormt.

54 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de inbreng door een belastingplichtige van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, geen levering van goederen onder bezwarende titel vormt.

Tweede vraag

55 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de inbreng door een belastingplichtige van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, het onttrekken van een goed vormt dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, welk onttrekken in de zin van deze bepaling wordt gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

56 Artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn bepaalt dat het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan.

57 Uit de aan het Gerecht overgelegde gegevens blijkt dat in casu ten eerste de inbreng van bebouwde onroerende goederen door een belastingplichtige die deze goederen had gebruikt door ze te verhuren waarbij btw verschuldigd was, om niet is verricht, zodat is voldaan aan de voorwaarde dat de handeling om niet is verricht.

58 Ten tweede heeft verzoeker in het hoofdgeding de voorbelasting over de betrokken onroerende goederen afgetrokken, zodat is voldaan aan de voorwaarde dat deze belastingplichtige recht heeft op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw.

59 Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de inbreng van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt in de zin van deze bepaling vormt, welk onttrekken kan worden gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

Kosten

60 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

verklaart voor recht:

1) Artikel 19 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het in dat artikel neergelegde beginsel dat bij de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden, alleen geldt bij de inbreng van bepaalde activa van ondernemingen of bedrijfstakken die bepaalde soorten inkomsten genereren, tenzij een dergelijke beperking wordt gerechtvaardigd door een van de in artikel 19, tweede alinea, van deze richtlijn genoemde gronden.

2) Artikel 19, eerste alinea, van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

het rechtstreekse werking heeft, zodat een belastingplichtige zich voor een nationale rechter tegenover de bevoegde belastingdienst kan beroepen op het beginsel dat er bij de overdracht van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan een belastingplichtige geen levering van goederen heeft plaatsgevonden wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Unie ervoor heeft gekozen dit beginsel toe te passen, maar de werkingssfeer ervan heeft beperkt tot bepaalde specifieke gevallen die niet onder artikel 19, tweede alinea, van die richtlijn vallen.

3) Artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

de inbreng door een belastingplichtige van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, geen levering van goederen onder bezwarende titel vormt.

4) Artikel 16, eerste alinea, van richtlijn 2006/112,

moet aldus worden uitgelegd dat

de inbreng van bebouwde onroerende goederen die waren verhuurd, waarbij de verhuur met recht op aftrek van voorbelasting aan btw was onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is zonder dat hij als tegenprestatie voor deze inbreng extra aandelen krijgt, het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt in de zin van deze bepaling vormt, welk onttrekken kan worden gelijkgesteld met een levering van goederen onder bezwarende titel.

 

Sampol Pucurull

Pynnä

Laitenberger

Stancu

Valasidis

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 september 2026.

ondertekeningen

* Procestaal: Duits.

i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomst met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

ECLI:EU:T:2026:514

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) op 10njuni 2025 – F R / Finanzamt Österreich

(Zaak T-413?25, Peckeger1 )

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: F R

Verwerende partij: Finanzamt Österreich

Prejudiciële vragen

Moet artikel 2, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/122/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde1 aldus worden uitgelegd dat de inbreng van bebouwde onroerende goederen door een belastingplichtige die die onroerende goederen tot nu toe heeft gebruikt door deze te verhuren, waarbij deze handeling (met recht op aftrek van voorbelasting) aan btw is onderworpen, in een vennootschap waarvan hij enig aandeelhouder is (zodat deze inbreng niet tot toekenning van extra aandelen leidt), als een levering van goederen onder bezwarende titel moet worden aangemerkt?

Ingeval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moet artikel 16, eerste alinea, van de btw-richtlijn aldus worden uitgelegd dat de in de eerste vraag bedoelde handeling leidt tot het aan de inbreng voorafgaand door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt?

Staat artikel 19 van de btw-richtlijn in de weg aan een nationale bepaling die de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen (bedrijven of bedrijfsonderdelen) enkel in geval van een herstructurering (waarvan er volgens het nationale recht alleen sprake is wanneer dit vermogen volgens de nationale wetgeving inzake winstbelasting wordt gebruikt om bepaalde soorten inkomsten te genereren) behandelt alsof er geen sprake is van een levering van goederen?

Heeft artikel 19 van de btw-richtlijn rechtstreekse werking, zodat een belastingplichtige zich voor de nationale rechter ten opzichte van de bevoegde belastingdienst op het niet-leveringsbeginsel kan beroepen wanneer de nationale wetgever vóór de toetreding van de lidstaat tot de Europese Unie een regeling heeft ingevoerd en sindsdien heeft gehandhaafd die slechts op specifieke gevallen van toepassing is, maar niet op het bedrijfsvermogen dat (volgens het nationale recht inzake winstbelasting) wordt gebruikt om inkomsten uit verhuur en verpachting te genereren?

____________

1 Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
1 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).

Scroll naar boven