Gerecht A&P Deco arrest
A&P Deco NV liet in 2004 en 2005 een bedrijfsgebouw oprichten voor de exploitatie van haar tuincentrum en liet hieraan tussen 2008 en 2011 diverse verbouwings- en aanpassingswerken uitvoeren, waarbij zij de btw volledig in aftrek bracht. Op 23 januari 2013 droeg zij haar onderneming onder de regeling van overgang van een algemeenheid van goederen over aan WR Woestijnroos BV. Op exact diezelfde dag sloot zij een huurovereenkomst met deze overnemer, die de exploitatie van het tuincentrum in het gehuurde pand voortzette. Na een belastingcontrole stelde de Belgische Belastingdienst dat deze btw-vrijgestelde verhuur een wijziging in de bestemming van het gebouw vormde en legde aan A&P Deco een herziening van de oorspronkelijk afgetrokken btw pro rata temporis op.
De vraag is of de artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn en het neutraliteitsbeginsel zo moeten worden uitgelegd dat bij een btw-vrijgestelde verhuur van een onroerend goed door de overdrager van een onderneming aan de overnemer, geen herziening van de btw op de oprichting en verbouwing hoeft plaats te vinden. A&P Deco stelt dat de herzieningsverplichting door de overdracht van de algemeenheid en de fiscale continuïteitsfictie is overgegaan op de overnemer. De Belgische Belastingdienst stelt daarentegen dat de btw-vrijgestelde verhuur bij de overdrager-verhuurder zelf tot een onmiddellijke herzieningsplicht van de voorbelasting leidt wegens een bestemmingswijziging van belaste naar vrijgestelde handelingen.
Het Gerecht beslist dat bij de overdrager-verhuurder wel degelijk een herziening van de btw-aftrek moet plaatsvinden, omdat de nieuwe huurovereenkomst geen overdracht is van een reeds bestaand recht, maar een nieuw recht creëert, waardoor deze verhuur niet onder de overgang van de algemeenheid van goederen valt. Omdat het gebouw thans door de overdrager-verhuurder wordt gebruikt voor een van btw vrijgestelde verhuuractiviteit, is er sprake van een wijziging in de elementen voor het bepalen van de aftrek. Volgens HvJ 26 november 2020, Sögård Fastigheter, C-787/18, ECLI:EU:C:2020:964 kan deze herzieningsplicht niet aan de huurder worden opgelegd, omdat de huurder anders een belastingschuld moet voldoen van een transactie waarbij hij niet betrokken was. Dit wordt ondersteund door het neutraliteitsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling zoals uiteengezet in Gerecht 25 februari 2026, Digipolis, T-575/24, ECLI:EU:T:2026:156. De overdrager-verhuurder bevindt zich immers in een vergelijkbare situatie als een derde-verhuurder die btw-vrijgesteld verhuurt. De herziening is noodzakelijk om te waarborgen dat voorbelasting alleen aftrekbaar blijft voor zover goederen worden gebruikt voor belaste handelingen, conform HvJ 3 juni 2021, Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Suceava e.a., C-182/20, ECLI:EU:C:2021:442 en HvJ 12 september 2024, Drebers, C-243/23, ECLI:EU:C:2024:736. Tevens wijst het Gerecht de vergelijking met de herzieningsvrijstelling in de sale-and-lease-backregeling af (HvJ 27 maart 2019, Mydibel, C-201/18, ECLI:EU:C:2019:254), omdat daar het pand belast bestemd bleef. Ook de uitzonderingsregel voor oprichtingsvennootschappen uit HvJ 29 april 2004, Faxworld, C-137/02, ECLI:EU:C:2004:267 is hier niet van toepassing. Tot slot herhaalt het Gerecht de voorwaarden voor de overgang van een algemeenheid conform HvJ 10 november 2011, Schriever, C-444/10, ECLI:EU:C:2011:724.
Samenvatting en afbeelding: Gemini / btwjurisprudentie.nl
De artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, alsmede het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw)
moeten aldus worden uitgelegd dat
wanneer de overdrager van een handelszaak naar aanleiding van een overdracht van een handelszaak in het kader van de overgang van een algemeenheid van goederen een onroerend goed vrijgesteld van btw verhuurt aan de overnemer en dat goed door de overnemer verder wordt gebruikt voor de uitoefening van de overgenomen belastbare activiteit, bij de overdrager een herziening moet plaatsvinden van de aftrek van btw die is geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van dat onroerend goed.
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
2 september 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Belastingwetgeving – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikelen 19 en 29 van richtlijn 2006/112/EG – Overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen – Gelijktijdige en afzonderlijke huurovereenkomst voor een onroerend goed – Overname van een activiteit – Verhuur van een gebouw – Gebouw dat door de overdrager aan de overnemer van een handelszaak wordt verhuurd en door de overnemer wordt gebruikt voor de uitoefening van de overgenomen belastbare activiteit – Recht op aftrek – Artikelen 184‑190 van richtlijn 2006/112 – Herziening van de aftrek van de btw bij de overdrager ”
In zaak T-397/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij beslissing van 23 mei 2025, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2025, in de procedure
A&P Deco NV
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak, president, G. Hesse, G. Steinfatt (rapporteur), D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 20 juni 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– A&P Deco, vertegenwoordigd door H. Vandebergh, advocaat,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin, M. Jacobs en C. Pochet als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Cambien en M. Herold als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 april 2026,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, met rectificatie in PB L 335, blz. 60) (hierna: „btw-richtlijn”) en het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de onderneming A&P Deco NV en de Belgische Staat over, ten eerste, de toepasselijkheid van de bijzondere regeling van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn op een onroerend goed dat tegelijk met de overdracht van een handelszaak wordt verhuurd, wanneer die overdracht in het kader van de overgang van een algemeenheid van goederen door de overdrager aan de overnemer van die handelszaak plaatsvindt en dat onroerend goed wordt gebruikt ten behoeve van de overgenomen belastbare activiteit, en ten tweede, in voorkomend geval, de invloed van die regeling op de herziening van de aftrek waarin de artikelen 184 tot en met 186 van deze richtlijn voorzien.
Toepasselijke bepalingen
Uniewetgeving
3 Artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
„Als ‚levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”
4 Artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn luidt:
„De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager.”
5 In artikel 24, lid 1, van de btw-richtlijn staat te lezen:
„Als ‚dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”
6 Artikel 29 van de btw-richtlijn luidt:
„Artikel 19 is op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten.”
7 Artikel 135 van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:
[…]l) de verhuur en verpachting van onroerende goederen.
2. De volgende handelingen zijn van de in lid 1, [onder] l), geregelde vrijstelling uitgesloten:
a) het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen;
b) verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;
c) verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;
d) verhuur van safeloketten.
De lidstaten kunnen nog andere handelingen van de toepassing van de in lid 1, [onder] l), geregelde vrijstelling uitsluiten.”
8 Artikel 168 van de btw-richtlijn voorziet in het recht op aftrek en luidt als volgt:
„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:
a) de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;
[…]”9 Artikel 184 van de btw-richtlijn is als volgt verwoord:
„De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen.”
10 Artikel 185, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
„De herziening vindt met name plaats indien zich na de btw-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen, bijvoorbeeld in geval van geannuleerde aankopen of verkregen rabatten.”
11 Volgens artikel 186 van deze richtlijn stellen de lidstaten nadere regels voor de toepassing van de artikelen 184 en 185 vast.
12 In artikel 187, lid 1, van de btw-richtlijn staat te lezen:
„Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen.
[…]Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal twintig jaar worden verlengd.”
13 Artikel 188 van de btw-richtlijn bepaalt:
„1. Investeringsgoederen die gedurende de herzieningsperiode worden geleverd, worden tot het verstrijken van de herzieningsperiode beschouwd als investeringsgoederen die voor een economische activiteit van de belastingplichtige worden gebruikt.
De economische activiteit wordt geacht volledig belast te zijn indien de levering van het investeringsgoed belast is.
De economische activiteit wordt geacht volledig vrijgesteld te zijn indien de levering van het investeringsgoed vrijgesteld is.
2. De in lid 1 bepaalde herziening wordt in één keer verricht voor de gehele nog resterende herzieningsperiode. Indien de levering van investeringsgoederen vrijgesteld is, kunnen de lidstaten er evenwel van afzien herziening te eisen, voor zover de afnemer een belastingplichtige is die de betrokken investeringsgoederen uitsluitend gebruikt voor handelingen waarvoor de btw in aftrek mag worden gebracht.”
14 Artikel 189 van de btw-richtlijn luidt:
„Voor de toepassing van de artikelen 187 en 188 kunnen de lidstaten de volgende maatregelen nemen:
a) het begrip investeringsgoederen definiëren;
[…]”15 In artikel 190 van deze richtlijn staat te lezen:
„Voor de toepassing van de artikelen 187, 188, 189 en 191 kunnen de lidstaten diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan investeringsgoederen worden toegeschreven, als investeringsgoederen beschouwen.”
Belgisch recht
16 Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat verwijzingen naar de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad, 17 juli 1969, blz. 7046), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „btw-wetboek”) en koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad, 12 december 1969, blz. 12006), in de op het geding toepasselijke versie (hierna: „koninklijk besluit nr. 3”).
Btw-wetboek
17 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat volgens artikel 9, tweede alinea, 2°, van het btw-wetboek voor de toepassing van dat wetboek onder goederen moet worden verstaan de lichamelijke goederen, met inbegrip van de andere zakelijke rechten dan het eigendomsrecht die aan de rechthebbende de bevoegdheid verschaffen om een onroerend goed te gebruiken.
18 Artikel 10, § 1, van het btw-wetboek bepaalt:
„Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijk goed te beschikken.”
19 Artikel 11 van het btw-wetboek luidt als volgt:
„Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager verder te zetten.”
20 Artikel 18, § 3, van het btw-wetboek bepaalt:
„Als diensten worden niet beschouwd de in § 1 bedoelde handelingen die, bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11 worden verricht.”
21 Tot slot blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de btw-vrijstelling voor de verhuur van gebouwen voortvloeit uit artikel 44, § 3, 2°, van het btw-wetboek.
Koninklijk besluit nr. 3
22 Krachtens artikel 9 van koninklijk besluit nr. 3 bedraagt de periode van herziening 15 jaar voor gebouwen en zakelijke rechten op gebouwen die onder de toepassing van het stelsel van de btw zijn verworven.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
23 A&P Deco is btw-plichtig en exploiteerde een tuincentrum in de bedrijfsgebouwen waarvan zij eigenaar was. Zij heeft deze gebouwen in 2004 en 2005 laten bouwen en heeft van 2008 tot en met 2011 verbouwings- en aanpassingswerken uitgevoerd. Zij heeft de btw over deze handelingen in aftrek gebracht.
24 Op 23 januari 2013 heeft zij haar handelszaak onder de regeling van artikel 11 van het btw-wetboek, namelijk in het kader van de overgang van een algemeenheid van goederen, overgedragen aan de onderneming WR Woestijnroos BV, die ook btw-plichtig is. Diezelfde dag heeft A&P Deco de gebouwen waarin zij haar tuincentrum exploiteerde, verhuurd aan WR Woestijnroos, die deze activiteit daarin heeft voortgezet.
25 Na een controle bij A&P Deco heeft de Belgische belastingdienst de oorspronkelijk afgetrokken btw over de werkzaamheden aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde gebouwen pro rata temporis herzien wegens een bestemmingswijziging van die gebouwen. Volgens de belastingadministratie vormde de verhuur van die gebouwen voor A&P Deco een economische activiteit die van btw was vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het btw-wetboek en bijgevolg geen recht op aftrek van btw toeliet.
26 Ingevolge deze controle werden vier correctieopgaven opgesteld, waarna vier dwangbevelen werden betekend waartegen A&P Deco verzet heeft aangetekend.
27 Bij vonnis van 13 februari 2020 heeft de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt (België), dat verzet van A&P Deco ongegrond verklaard.
28 Bij arrest van 21 september 2021 heeft het hof van beroep Antwerpen (België) het hoger beroep van A&P Deco tegen het vonnis van 13 februari 2020 verworpen.
29 A&P Deco heeft een cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van beroep Antwerpen en voert daarbij hoofdzakelijk aan dat de fictie op grond waarvan diegene op wie de algemeenheid van goederen overgaat in de plaats van de overdrager treedt krachtens de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn, tot gevolg heeft dat de herzieningsverplichting met betrekking tot de initieel door de overdrager afgetrokken btw overgaat op de overnemer en dat in dat laatste geval geen herziening dient te gebeuren bij de overdrager van de aftrek van btw geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van de bedrijfsgebouwen die aan de overnemer worden verhuurd en door deze laatste verder worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit.
30 Het Hof van Cassatie (België), de verwijzende rechter, is van oordeel dat het geding alleen kan worden opgelost door de uitlegging van artikel 19 van de btw-richtlijn.
31 Daarop heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moeten de artikelen 14, 19, 24 en 29 evenals de artikelen 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn […] en het neutraliteitsbeginsel uit artikel 1, 2°, van dezelfde richtlijn aldus worden uitgelegd dat ingeval het bezit van een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een handelshuurovereenkomst naar aanleiding van de overdracht van de handelszaak, geen herziening moet gebeuren bij de overdrager van de handelszaak, tevens verhuurder van het onroerend goed, van de aftrek van de btw geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van de bedrijfsgebouwen die aan de overnemer worden verhuurd en door de overnemer verder worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
32 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn en het beginsel van btw-neutraliteit aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de overdrager van een handelszaak naar aanleiding van de overdracht van die handelszaak in het kader van een overgang van een algemeenheid van goederen een onroerend goed vrijgesteld van btw verhuurt aan de overnemer en dat goed door de overnemer verder wordt gebruikt voor de uitoefening van de overgenomen belastbare activiteit, de aftrek van de btw die is geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van dat goed bij de overdrager moet worden herzien.
Artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn
Herziening van de oorspronkelijk toegepaste aftrek krachtens de artikelen 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn
33 Volgens vaste rechtspraak is het in de artikelen 167 en volgende van de btw-richtlijn vervatte recht van belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verleende diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (zie arrest van 12 september 2024, NARE-BG, C-429/23 EU:C:2024:742, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 De aftrekregeling heeft tot doel de belastingplichtige geheel te ontlasten van de btw die hij verschuldigd is of heeft betaald in het kader van al zijn economische activiteiten. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg de neutraliteit van de fiscale druk op alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits zij in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (zie arresten van 15 september 2016, Senatex, C-518/14, EU:C:2016:691, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 september 2024, NARE-BG, C-429/23, EU:C:2024:742, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 In de artikelen 184 en 185 van de btw-richtlijn wordt in algemene zin bepaald in welke omstandigheden de nationale belastingdienst een herziening van oorspronkelijk afgetrokken btw moet eisen. De artikelen 187 tot en met 189 van deze richtlijn bevatten daarentegen enkele bijzondere regels voor de herziening van de btw-aftrek met betrekking tot investeringsgoederen (zie arrest van 27 maart 2019, Mydibel, C-201/18, EU:C:2019:254, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Het herzieningsmechanisme waarin die artikelen voorzien en dat integrerend deel uitmaakt van de btw-aftrekregeling, heeft tot doel de precisie van de aftrek te vergroten en zo de btw-neutraliteit te waarborgen, zodat de in het vorige stadium verrichte handelingen slechts recht blijven geven op aftrek voor zover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan btw. Dit mechanisme beoogt dus een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten voor belaste handelingen in een later stadium (zie arrest van 27 maart 2019, Mydibel, C-201/18, EU:C:2019:254, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37 Uit de artikelen 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn volgt dat een herziening nodig is wanneer zich na de oorspronkelijke aftrek een wijziging heeft voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het recht op aftrek in aanmerking zijn genomen, met name wanneer de belastingplichtige deze goederen niet langer gebruikt voor handelingen die recht geven op aftrek.
38 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat A&P Deco een deel van de onroerende goederen, die tot dan toe werden gebruikt voor handelingen die in een later stadium worden belast, aan de overnemer van de handelszaak heeft verhuurd. Zoals de verwijzende rechter aangeeft, is deze verhuuractiviteit krachtens de btw-richtlijn en de toepasselijke nationale regeling vrijgesteld van btw. In deze omstandigheden leidt het feit dat deze onroerende goederen niet langer worden gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen tot een wijziging van de elementen die voor het bepalen van het recht op aftrek in aanmerking moeten worden genomen, zoals de advocaat-generaal in punt 21 van haar conclusie heeft opgemerkt. Daaruit volgt dat de oorspronkelijk toegepaste btw-aftrek verhoudingsgewijs moet worden herzien (zie in die zin arrest van 17 september 2020, Stichting Schoonzicht, C-791/18, EU:C:2020:731, punten 35 en 36).
39 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het arrest van 27 maart 2019, Mydibel (C-201/18, EU:C:2019:254), dat betrekking had op een andere situatie, zoals de advocaat-generaal in punt 22 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt. In deze zaak heeft het Hof namelijk uitspraak gedaan in een context waarin de eigenaar van het betrokken goed dit goed bleef bestemmen voor belaste handelingen in een later stadium, ondanks de betrokken sale-and-lease-backtransactie. De situatie die aan de orde is in het hoofdgeding verschilt evenwel daarvan, aangezien de onroerende goederen, die oorspronkelijk werden gebruikt voor een aan btw onderworpen economische activiteit, namelijk de exploitatie van een tuincentrum, thans worden gebruikt voor een handeling die is vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, onder l), van de btw-richtlijn en de toepasselijke nationale regeling, te weten verhuur.
40 Bovendien moeten in geval van herziening van een door een belastingplichtige toegepaste btw-aftrek de uit dien hoofde verschuldigde bedragen worden betaald door die belastingplichtige. Indien van de huurder van een gebouw wordt verlangd dat hij de door de verhuurder van dat goed toegepaste aftrek herziet, zou die huurder immers feitelijk verplicht worden om een belastingschuld te voldoen die betrekking heeft op een transactie waarbij hij niet betrokken was en die is verricht in het kader van de economische activiteit van een andere belastingplichtige (zie in die zin arrest van 26 november 2020, Sögård Fastigheter, C-787/18, EU:C:2020:964, punten 50 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Meer in het bijzonder wenst de verwijzende rechter evenwel te vernemen of de verplichting voor de overdrager van de handelszaak om de aftrek te herzien, als verhuurder van het gebouw dat de overnemer gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit, wordt uitgesloten door de omstandigheid dat het bedrijfsgebouw vrijgesteld van btw is verhuurd aan degene op wie de algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn is overgegaan.
Invloed van de bijzondere regeling voor een overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn op de herziening van de aftrek
42 Artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn bepaalt dat de lidstaten zich in geval van overgang van een algemeenheid van goederen op het standpunt kunnen stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager. Volgens artikel 29 van de btw-richtlijn is artikel 19 van deze richtlijn op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten.
43 De bewoordingen van artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn zijn gelijk aan die van artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1). De rechtspraak van het Hof over laatstgenoemde bepaling kan dus mutatis mutandis worden toegepast op artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn (arrest van 19 december 2018, Mailat, C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 13).
44 Uit artikel 19, eerste alinea, en artikel 29 van de btw-richtlijn volgt dat wanneer een lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid waarin deze bepalingen voorzien, de overgang van een algemeenheid van goederen of diensten niet wordt beschouwd als een levering van goederen of verstrekking van diensten voor de toepassing van de btw-richtlijn en niet aan btw is onderworpen overeenkomstig artikel 2 van deze richtlijn (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, C-651/11, EU:C:2013:346, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikking van 16 januari 2023, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Łodzi, C-729/21, niet gepubliceerd, EU:C:2023:74, punt 35).
45 Het Koninkrijk België heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid waarin is voorzien in artikel 19, eerste alinea en artikel 29 van de btw-richtlijn.
46 Het begrip „overgang van een algemeenheid van goederen” moet aldus worden uitgelegd dat het de overdracht omvat van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat het niet de verkoop van goederen zonder meer omvat, zoals de verkoop van een voorraad producten (zie arrest van 19 december 2018, Mailat, C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Er is slechts sprake van een overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel indien het geheel van de overgedragen onderdelen volstaat om een autonome economische activiteit te kunnen voortzetten, waarbij de vraag of dat geheel zowel roerende als onroerende goederen moet bevatten, moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de aard van de betrokken economische activiteit (zie arrest van 19 december 2018, Mailat, C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Zo kan er zelfs zonder een overdracht van het eigendomsrecht op een onroerend goed sprake zijn van een overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 19, eerste alinea, van de btw-richtlijn, indien de uitoefening van een economische activiteit niet het gebruik vereist van een speciale ruimte of een ruimte die is uitgerust met voor de voortzetting van de economische activiteit noodzakelijke vaste installaties (zie arrest van 19 december 2018, Mailat, C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Bovendien kan er, zelfs als een economische activiteit het gebruik vereist van dergelijke ruimte, sprake zijn van een overdracht van goederen indien deze ruimte ter beschikking van de verkrijger wordt gesteld door middel van een huurovereenkomst (arrest van 10 november 2011, Schriever, C-444/10, EU:C:2011:724, punten 29, 34 en 36).
50 Gelet op de in de punten 46 tot en met 49 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling als een overgang van een algemeenheid van goederen worden aangemerkt.
51 De verwijzende rechter vraagt zich echter af of de verhuur van het betrokken gebouw, om de overgedragen economische activiteit te kunnen voortzetten, deel uitmaakt van de overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn.
52 In de eerste plaats blijkt weliswaar uit de overwegingen in punt 47 hierboven dat een onlichamelijke zaak – zoals het verhuurrecht – deel kan uitmaken van de overgang van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn, maar een dergelijke zaak moet ook al bestaan vóór die overgang. Zo kan een verhuurrecht alleen worden geacht deel uit te maken van een dergelijke overgang indien het recht vóór die overgang bestond en als onlichamelijke zaak van de handelszaak is overgedragen. Wanneer de overdrager daarentegen, in zijn hoedanigheid van eigenaar van een onroerend goed, in het kader van die overgang met de overnemer een nieuwe handelshuurovereenkomst sluit, wordt er geen reeds bestaand recht overgedragen, dat wil zeggen een recht dat reeds deel uitmaakte van het vermogen van de overdrager, maar ontstaat er een nieuw en in de tijd beperkt recht. In deze omstandigheden kan een dergelijk recht niet worden geacht deel uit te maken van die overgang van een algemeenheid van goederen.
53 In de tweede plaats is de omstandigheid dat artikel 19, eerste alinea, en artikel 29 van de btw-richtlijn bepalen dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager, louter een gevolg van het feit dat er geen levering van goederen of verstrekking van diensten wordt geacht te hebben plaatsgevonden (zie in die zin arrest van 27 november 2003, Zita Modes, C-497/01, EU:C:2003:644, punt 43, en beschikking van 16 januari 2023, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Łodzi, C-729/21, niet gepubliceerd, EU:C:2023:74, punt 36). Deze fictie heeft dus alleen betrekking op de overgedragen goederen en diensten, die worden geacht niet te zijn geleverd of verstrekt. De vestiging van een verhuurrecht door de eigenaar-overdrager van onroerende goederen staat echter niet gelijk aan de overdracht van een reeds bestaand recht (zie punt 52 hierboven).
54 Hieruit volgt dat het verhuurrecht op een onroerend goed dat door de overdrager-verhuurder ten gunste van de overnemer is gevestigd naar aanleiding van een overdracht van een handelszaak tussen hen, teneinde de overnemer in staat te stellen de overgedragen economische activiteit in dat gebouw voort te zetten, geen deel uitmaakt van de overgang van een algemeenheid van goederen of diensten in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn.
55 Bijgevolg blijft voor de overdrager van de handelszaak en de verhuurder van het gebouw dat door de overnemer wordt gebruikt voor de overgenomen belastbare activiteit de herzieningsplicht gelden zonder dat de omstandigheid dat de overnemer de overgenomen belastbare activiteit uitoefent in het kader van een overgang van een algemeenheid van goederen, afbreuk doet aan de herzieningsplicht die op de overdrager rust. Deze omstandigheid heeft namelijk geen enkele invloed op de in de punten 38 en 39 hierboven vermelde situatie van de overdrager-verhuurder, waarin hij het betrokken gebouw thans gebruikt voor een van btw vrijgestelde activiteit.
56 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door het arrest van 29 april 2004, Faxworld (C-137/02, EU:C:2004:267), waarin het Hof een onderneming het recht op aftrek van de voorbelasting heeft toegekend, hoewel zij zelf geen belastbare handeling had verricht, zodat zij de belaste handelingen van de overnemer in aanmerking kon nemen. Het feitelijke kader van de zaak die tot dat arrest heeft geleid was immers zeer bijzonder, aangezien de overgang van een algemeenheid van goederen die in deze zaak aan de orde was, het gevolg was van de beëindiging van de activiteiten van de overdrager, een Vorgründungsgesellschaft, dat wil zeggen een vennootschap naar burgerlijk recht met als doel de voorbereiding van de middelen die nodig zijn voor de activiteit van een op te richten naamloze vennootschap.
57 Het Hof heeft daarbij benadrukt dat deze vennootschap als Vorgründungsgesellschaft niet eens de intentie had om zelf belastbare handelingen te verrichten, omdat haar enige statutaire doel erin bestond de activiteit van een aandelenvennootschap voor te bereiden, en dat in deze specifieke omstandigheden moest worden geoordeeld dat een Vorgründungsgesellschaft, als overdrager van een algemeenheid van goederen, rekening moest kunnen houden met de belaste handelingen van de overnemer, te weten de aandelenvennootschap, om de btw te kunnen aftrekken die hij heeft betaald over de goederen en diensten die hij in een eerder stadium heeft verworven ten behoeve van de belaste handelingen van die overnemer (arrest van 29 april 2004, Faxworld, C-137/02, EU:C:2004:267, punten 41 en 42). Deze strikte beperking tot dat geval komt ook tot uiting in de bewoordingen van het dictum van dat arrest, volgens hetwelk een (personen)vennootschap die alleen is opgericht om een kapitaalvennootschap op te richten, de voorbelasting over de levering van goederen en diensten kan aftrekken, wanneer haar enige handeling in een later stadium, overeenkomstig haar statutaire doel, bestond in de overdracht van de betrokken goederen en diensten bij een handeling onder bezwarende titel aan die kapitaalvennootschap nadat deze was opgericht, en wanneer aan andere voorwaarden is voldaan.
Beginsel van fiscale neutraliteit
58 De uitlegging van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn, zoals deze is uiteengezet in de punten 42 tot en met 57 hierboven, vindt overigens steun in het beginsel van btw-neutraliteit.
59 Het herzieningsmechanisme waarin de artikelen 184 tot en met 186 van de btw-richtlijn voorzien heeft namelijk tot doel de precisie van de aftrek te vergroten en zo de btw-neutraliteit te waarborgen, zodat de in het vorige stadium verrichte handelingen slechts recht blijven geven op aftrek voor zover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan btw. Dit mechanisme beoogt dus een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten voor belaste handelingen in een later stadium (zie punt 36 hierboven).
60 Het beginsel van btw-neutraliteit is eveneens de uitdrukking van het algemene beginsel van gelijke behandeling door de Uniewetgever ter zake van de btw. Het verzet zich er onder meer tegen dat marktdeelnemers die dezelfde handelingen verrichten, voor de heffing van de btw verschillend worden behandeld (zie arrest van 25 februari 2026, Digipolis, T-575/24, EU:T:2026:156, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Ten eerste zou, zoals de advocaat-generaal in de punten 50 en 51 van haar conclusie in wezen heeft benadrukt, in casu inbreuk worden gemaakt op het beginsel van btw-neutraliteit indien een oorspronkelijke aftrek nog steeds zou worden toegekend hoewel het betreffende goed ondertussen wordt gebruikt voor de uitvoering van handelingen die niet aan btw zijn onderworpen, zoals de verhuur van een onroerend goed (zie in die zin arresten van 3 juni 2021, Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Suceava e.a., C-182/20, EU:C:2021:442, punt 29, en 12 september 2024, Drebers, C-243/23, EU:C:2024:736, punt 46). Ten tweede kan niet worden geoordeeld dat het onderscheid tussen de verhuur van een gebouw tegelijk met de overdracht van een handelszaak en de verkoop van dat gebouw in het kader van een overdracht van een onderneming afbreuk doet aan het beginsel van fiscale neutraliteit. In het eerste geval oefent de overdrager-verhuurder, na de overdracht van een handelszaak en de verhuur van een gebouw, door middel van de verhuur van gebouwen een economische activiteit uit die is vrijgesteld krachtens artikel 135, lid 1, onder l), van de btw-richtlijn en de toepasselijke nationale regeling, en bevindt hij zich in dit verband in een situatie die vergelijkbaar is met die van een derde die een handelsgebouw verhuurt aan degene op wie de algemeenheid van goederen overgaat en die de voorbelasting die was betaald over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van die gebouwen niet kan aftrekken.
62 Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat de artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn en het beginsel van btw-neutraliteit aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de overdrager van een handelszaak naar aanleiding van een overdracht van een handelszaak in het kader van de overgang van een algemeenheid van goederen een onroerend goed vrijgesteld van btw verhuurt aan de overnemer en dat goed door de overnemer verder wordt gebruikt voor de uitoefening van de overgenomen belastbare activiteit, bij de overdrager een herziening moet plaatsvinden van de aftrek van btw die is geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van dat onroerend goed.
Kosten
63 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
verklaart voor recht:
De artikelen 14, 19, 24, 29 en 184 tot en met 190 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, alsmede het beginsel van neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde (btw)
moeten aldus worden uitgelegd dat
wanneer de overdrager van een handelszaak naar aanleiding van een overdracht van een handelszaak in het kader van de overgang van een algemeenheid van goederen een onroerend goed vrijgesteld van btw verhuurt aan de overnemer en dat goed door de overnemer verder wordt gebruikt voor de uitoefening van de overgenomen belastbare activiteit, bij de overdrager een herziening moet plaatsvinden van de aftrek van btw die is geheven over de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van dat onroerend goed.
Półtorak
Hesse
Steinfatt
Petrlík
Dimitrakopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 september 2026.
De griffier
De president
V. Di Bucci
S. Papasavvas
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BRKAN
van 15 april 2026 (1)
Zaak T-397/25
A&P Deco NV
tegen
Belgische Staat
[verzoek van het Hof van Cassatie (België) om een prejudiciële beslissing]„ Prejudiciële verwijzing – Belastingwetgeving – Belasting over de toegevoegde waarde – Richtlijn 2006/112/EG – Herziening van de aftrek – Overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen – Verhuur van het bedrijfsgebouw door de overdrager aan de overnemer ”
Inleiding
1. Het voorliggende verzoek om een prejudiciële beslissing betreft een specifiek thema op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in het kader van richtlijn 2006/112/EG(2) (hierna: „btw-richtlijn”), namelijk de invloed van de in artikel 19 van deze richtlijn neergelegde bijzondere regeling voor de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen op de herziening van de aftrek.
2. Op dit gebied bestaat thans nog enige onzekerheid over hoe de rechtspraak van Hof met betrekking tot die bijzondere regeling moet worden opgevat, voor zover het hierin bij de fiscaal bevoordeelde overgang van een handelszaak voldoende wordt geacht dat onroerend goed dat voor de „voortzetting” van die zaak noodzakelijk is, in het kader van de overgang niet wordt verkocht maar slechts wordt verhuurd.(3) In de onderhavige procedure moet echter met name worden verduidelijkt wat de consequenties van een dergelijke benadering zijn voor de herziening van de aftrek met het oog op de aanschafkosten van het onroerend goed.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3. Artikel 1, lid 2, van de btw-richtlijn omvat de volgende grondbeginselen:
„Het gemeenschappelijke btw-stelsel berust op het beginsel dat op goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven die strikt evenredig is aan de prijs van de goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal handelingen dat tijdens het productie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvond.
Bij elke handeling is de btw, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de btw waarmede de onderscheiden elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.
Het gemeenschappelijke btw-stelsel wordt toegepast tot en met de kleinhandelsfase.”
4. Volgens artikel 2, lid 1, onder a) en c), van de btw-richtlijn zijn de leveringen van goederen en de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de btw onderworpen.
5. Leveringen van goederen worden in artikel 14 van de btw-richtlijn omschreven als „de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken”; diensten worden in artikel 24 van de btw-richtlijn gedefinieerd als „elke handeling die geen levering van goederen is”. Artikel 25 van deze richtlijn voegt hieraan toe:
„Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:
a) de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd;
[…]”6. Artikel 19 van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten kunnen, in geval van overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap, zich op het standpunt stellen dat geen levering van goederen heeft plaatsgevonden en dat degene op wie de goederen overgaan, in de plaats treedt van de overdrager.
De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om verstoringen van de mededinging te voorkomen ingeval degene op wie de goederen overgaan, niet volledig belastingplichtig is. Zij kunnen ook alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van dit artikel te voorkomen.”
7. Artikel 29 van de btw-richtlijn voegt hieraan toe:
„Artikel 19 is op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten.”
8. Artikel 135, lid 1, onder l), van de btw-richtlijn legt de lidstaten de verplichting op vrijstelling te verlenen voor „de verhuur en verpachting van onroerende goederen”.
9. Artikel 168 van de btw-richtlijn voorziet in het recht op aftrek, voor zover relevant in het onderhavige geval, en luidt als volgt:
„Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:
a) de btw die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;
[…]”10. De artikelen 184 tot en met 192 van de btw-richtlijn omvatten bepalingen inzake de herziening van de aftrek. Artikel 184 van de btw-richtlijn bepaalt ten aanzien van dit punt:
„De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen.”
11. Artikel 185, lid 1, van de btw-richtlijn voegt daaraan toe:
„De herziening vindt met name plaats indien zich na de btw-aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen, […].”
12. Voor de herziening van de aftrek, met name voor investeringsgoederen, kent artikel 187 van de btw-richtlijn de volgende regeling:
„1. Voor investeringsgoederen wordt de herziening gespreid over een periode van vijf jaar, het jaar van verkrijging of vervaardiging der goederen daaronder begrepen.
[…]Voor onroerende investeringsgoederen kan de herzieningsperiode tot maximaal twintig jaar worden verlengd.
2. Voor elk jaar heeft de herziening slechts betrekking op een vijfde deel, of, indien de herzieningsperiode is verlengd, op het overeenkomstige gedeelte van de btw op de investeringsgoederen.
De in de eerste alinea bedoelde herziening geschiedt op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardiging of, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan.”
Nationaal recht
13. Artikel 11 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „WBTW”) luidt als volgt:
„Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.”
14. Artikel 18, § 3, WBTW voegt daaraan toe:
„Als diensten worden niet beschouwd de in § 1 bedoelde handelingen die, bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11 worden verricht.”
15. Ten aanzien van de herziening van de aftrek voor gebouwen en zakelijke rechten daarop voorziet koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde in een termijn van 15 jaar.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16. Verzoekster in het hoofdgeding, A&P Deco NV, was exploitant van een tuincentrum. Zij heeft dit tuincentrum in 2013 overgedragen aan WR Woestijnroos BV, met uitzondering van het bedrijfsgebouw dat eigendom van A&P Deco is gebleven maar bijna in zijn geheel aan WR Woestijnroos werd verhuurd. Laatstgenoemde heeft de exploitatie van het tuincentrum voortgezet.
17. Het bedrijfsgebouw is in 2004 en 2005 gebouwd en tussen 2008 en 2011 verbouwd. Ten aanzien van de daarvoor aangeschafte goederen en diensten had A&P Deco gebruikgemaakt van haar recht op aftrek. Deze aftrek heeft de Belgische belastingdienst na de overdracht van het tuincentrum pro rata temporis herzien voor zover het bedrijfsgebouw na die overdracht vrijgesteld van de btw werd verhuurd.
18. A&P Deco is tegen de herziening opgekomen bij de Belgische rechterlijke instanties en voert aan dat het bedrijfsgebouw onderdeel is van de overdracht van een onderneming, die volgens artikel 11 en artikel 18, § 3, WBTW geen belastbare handeling vormt, en dat de overnemer de persoon van de overdrager voortzet. Om die reden is voor de herziening van de btw-aftrek het gebruik van het gebouw door de overnemer relevant. Aangezien hij het gebouw voor dezelfde btw-plichtige activiteit gebruikt, is de bestemming van het gebouw niet gewijzigd.
19. Het Hof van Cassatie (België), dat ondertussen in de zaak is aangezocht, acht de uitlegging van het Unierecht relevant voor de beslechting van het geschil en heeft het Hof overeenkomstig de in artikel 267 VWEU bedoelde procedure verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten de artikelen 14, 19, 24 en 29 evenals de artikelen 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn […] en het neutraliteitsbeginsel uit artikel 1, 2°, van dezelfde Richtlijn aldus worden uitgelegd dat ingeval het bezit van een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een handelshuurovereenkomst naar aanleiding van de overdracht van de handelszaak, geen herziening moet gebeuren bij de overdrager van de handelszaak, tevens verhuurder van het onroerend goed, van de aftrek van de btw geheven van de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van de bedrijfsgebouwen die aan de overnemer worden verhuurd en door de overnemer verder worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit?”
Juridische beoordeling
Herziening van de aftrek
20. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat een herziening van de aftrek van voorbelasting op de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van een bedrijfsgebouw volgens artikel 184 en volgende van de btw-richtlijn in beginsel moet plaatsvinden vanaf het tijdstip dat dit bedrijfsgebouw vrijgesteld wordt verhuurd.
21. Ingevolge de artikelen 184 en 185 van de btw-richtlijn wordt de oorspronkelijke aftrek herzien indien deze hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen of wanneer zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen. Op basis daarvan is een herziening noodzakelijk zodra de belastingplichtige goederen of diensten waarvan de verkrijging heeft geleid tot aftrek niet meer gebruikt voor doeleinden die recht geven op die aftrek. Dit geldt ook voor gebouwen binnen het kader van de door artikel 187 van de btw-richtlijn en het betrokken nationale recht voorgeschreven termijnen. Indien de oorspronkelijke aftrek is berekend op basis van het gebruik van een gebouw voor belaste handelingen, leidt een later gebruik van het gebouw voor van btw vrijgestelde handelingen, die overeenkomstig artikel 168 van de btw-richtlijn in beginsel geen recht geven op aftrek, dus tot een wijziging in de elementen in de zin van artikel 185, lid 1, van de btw-richtlijn en bijgevolg tot de evenredige herziening van de oorspronkelijke aftrek. Dit geldt met name in het geval van de vrijgestelde verhuur van een gebouw.(4)
22. Dit resultaat is niet in strijd met het arrest van het Hof in de zaak Mydibel(5). Die zaak had betrekking op een zogenoemde sale-and-lease-backtransactie ten aanzien van een gebouw waarbij de belastingplichtige het betrokken gebouw zowel in de hoedanigheid van eigenaar als in die van latere huurder voor in een later stadium belaste handelingen had gebruikt.(6) De aangehaalde rechtspraak kan dus niet worden toegepast op een situatie waarin een bedrijfsgebouw eerst voor belaste handelingen en vervolgens voor vrijgestelde downstream verrichte handelingen wordt gebruikt.
23. De herzieningsplicht en bijgevolg ook de verplichting tot terugbetaling van de op grond van de herziening verschuldigde bedragen raken immers uiteindelijk de belastingplichtige die de oorspronkelijk aftrek heeft toegepast en niemand anders.(7)
24. Indien enkel wordt gekeken naar de uitlegging van de artikelen 184 en volgende van de btw-richtlijn moet de vraag van de verwijzende rechter dus ontkennend worden beantwoord.
25. Zoals evenwel met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt, is de eigenlijke vraag van de verwijzende rechter of het hierboven omschreven herzieningsmechanisme wordt uitgesloten door de omstandigheid dat het bedrijfsgebouw vrijgesteld wordt verhuurd aan de begunstigde van een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn.(8)
26. De verwijzende rechter wenst derhalve in de kern te vernemen of de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een belastingplichtige die op basis van de artikelen 184 en volgende van de btw-richtlijn in beginsel verplicht is tot herziening van de aftrek met betrekking tot de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van een bedrijfsgebouw, van deze verplichting is vrijgesteld wanneer het bedrijfsgebouw gelijktijdig met de overdracht van de door hem uitgeoefende belastbare handelszaak, die als overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn moet worden aangemerkt, door de overdrager vrijgesteld wordt verhuurd aan de overnemer, die de handelszaak voortzet.
Invloed van de bijzondere regeling voor de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen op de herziening van de aftrek
27. De verwijzende rechter acht een uitlegging van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn noodzakelijk, aangezien verzoekster in het hoofdgeding zich op het standpunt stelt dat uit deze bepalingen een vrijstelling van haar verplichting tot herziening van de aftrek voortvloeit.
28. Uit de rechtspraak van het Hof zou namelijk blijken dat het bij een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen volstaat om het „bezit” van het bedrijfsgebouw over te dragen. Dit gebeurt door tussen de overdrager en de overnemer een huurovereenkomst te sluiten. Aangezien volgens artikel 19, lid 1, van de btw-richtlijn degene op wie de goederen overgaan wordt geacht in de plaats te treden van de overdrager, heeft diegene nu ook de plicht om de aftrek met betrekking tot het bedrijfsgebouw te herzien. Voor een eventuele herziening van de aftrek is derhalve het gebruik van het gebouw relevant. Herziening van de aftrek is dan ook niet vereist indien de overnemer de belastbare activiteit van de overdrager voortzet.
29. Bij deze opvatting sluit ik mij om verschillende redenen niet aan.
Voorwaarden voor toepassing
30. In de eerste plaats vormt de sluiting van een huurovereenkomst betreffende een bedrijfsgebouw geen onderdeel van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn.
31. Om te beginnen ben ik van mening dat artikel 19 van de btw-richtlijn niet van toepassing is op de verhuur van een goed. Volgens deze bepaling moet de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen uit de levering van goederen bestaan. De bepaling omvat namelijk de fictie dat bij een dergelijke overgang „geen levering van goederen heeft plaatsgevonden”, waarvan anders wel sprake zou zijn.
32. De verhuur van een goed is echter geen levering van een goed, maar een dienst. Ingevolge artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn wordt als levering van goederen beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Volgens vaste rechtspraak verwijst dit begrip niet naar de eigendomsoverdracht in de door het toepasselijke nationale recht voorgeschreven vormen, maar strekt het zich uit tot elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij die de wederpartij machtigt daarover feitelijk als een eigenaar te beschikken.(9) Een dergelijk recht heeft de huurder van een zaak echter niet. Ook uit artikel 14, lid 2, onder b), van de btw-richtlijn blijkt dat de verhuur van een goed moet worden onderscheiden van de verkrijging van de eigendom. Op basis daarvan kan de verhuur slechts als levering van een goed worden beschouwd wanneer de eigendom in de loop van de overeenkomst moet overgaan op de huurder.
33. De sluiting van een huurovereenkomst kan evenmin op grond van artikel 29 van de btw-richtlijn als onderdeel van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen worden aangemerkt. Volgens deze bepaling is artikel 19 van de btw-richtlijn weliswaar op overeenkomstige wijze van toepassing op diensten, maar dit heeft volgens mij, indien die twee bepalingen in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, slechts betrekking op diensten die bestaan in de overdracht van een reeds aanwezig vermogensbestanddeel.(10) Artikel 19 van de btw-richtlijn ziet immers op een eenmalige specifieke overdrachtshandeling die het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen betreft. Ingevolge artikel 29 van de btw-richtlijn geldt dit voor diensten slechts „op overeenkomstige wijze” als bepaald in artikel 19 van die richtlijn. Dit is logisch voor de overgang van een goed uit het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen dat met betrekking tot de btw bij wijze van uitzondering als dienst wordt behandeld. Dit betreft met name de overdracht van rechten, die in artikel 25, onder a), van de btw-richtlijn als dienst wordt omschreven.
34. Door de sluiting van een overeenkomst komt evenwel een nieuwe langdurige schuldverhouding tot stand. Daarbij wordt daarentegen, enerzijds, geen vermogensbestanddeel overgedragen dat reeds deel uitmaakt van het vermogen van de overdrager. Anderzijds is er ook geen sprake van een eenmalige overdracht van een recht, maar van een periodieke verlening van gebruiksrechten, die kan worden verlengd. Deze uitlegging strookt met de weigering van het Hof om aan te nemen dat er sprake is van een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen wanneer alle bedrijfsgoederen uitsluitend worden verhuurd.(11)
35. Uit de overige rechtspraak van het Hof kan geen andere uitlegging van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn worden opgemaakt.
36. Het is juist dat het Hof in verband met de uitlegging van artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)(12), dat begripsmatig identiek is aan artikel 19 van de btw-richtlijn(13), in de zaak Schriever heeft geoordeeld dat „als een overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van deze bepaling moet worden aangemerkt de eigendomsoverdracht van de goederenvoorraad en de winkeluitrusting van een detailhandelszaak tegelijk met de verhuur […], op voorwaarde dat de overgedragen goederen volstaan opdat deze verkrijger een autonome economische activiteit duurzaam kan voortzetten”(14). Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de verhuur van het bedrijfsgebouw die tegelijk met de overgang van bedrijfsgoederen plaatsvindt, tevens onderdeel is van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 19 van de btw-richtlijn. Deze uitlegging heeft het Hof op geen enkel punt in het genoemde arrest gegeven. Veeleer noemt het Hof de beoordeelde situatie in de motivering van de beslissing een geval waarin „de overgedragen algemeenheid van goederen geen onroerende goederen bevat” en rekent het uitsluitend de goederenvoorraad en de winkeluitrusting tot „het geheel van de overgedragen goederen”.(15)
37. De verhuur van een bedrijfsgebouw door de overdrager kan dus een voorwaarde zijn om de overdracht van bedrijfsgoederen te kunnen aanmerken als de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 19 van de btw-richtlijn – omdat de verhuur die het mogelijk maakt om de handelsactiviteit voort te zetten(16) als voorwaarde geldt voor een dergelijke overgang(17) – maar is zelf evenwel geen onderdeel van deze overgang.
38. Daarenboven is het in tegenspraak met het doel van de specifieke regeling van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn om de verhuur van het bedrijfsgebouw als onderdeel van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen aan te merken. Volgens vaste rechtspraak heeft deze bepaling tot doel de overdrachten van ondernemingen te vergemakkelijken, door deze te vereenvoudigen en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder zware fiscale druk komt te staan, temeer daar hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de voorbelasting.(18)
39. Indien de verhuur van een bedrijfsgebouw onder de rechtsgevolgen van de genoemde bepalingen viel, zou dit echter veel verder gaande consequenties hebben dan de loutere vereenvoudiging van de btw-rechtelijke afwikkeling van een ondernemingsoverdracht. Veeleer zouden alle prestaties uit de huurovereenkomst op grond van artikel 19, lid 1, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 29 daarvan, als een onbelastbare handeling moeten worden behandeld. Bijgevolg zou een groot aantal toekomstige prestaties, namelijk de periodieke verlenging van de verlening van gebruiksrechten gedurende een doorgaans lange periode, permanent worden onttrokken aan de btw, hoewel de voorschriften uitgaan van een eenmalige overdrachtshandeling.
Rechtsgevolgen
40. In de tweede plaats zou in de voorliggende situatie een herziening van de aftrek geboden zijn, zelfs indien, volgens artikel 19, lid 1, en artikel 29 van de btw-richtlijn, de verhuur van een bedrijfsgebouw als onderdeel van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen werd beschouwd.
41. Artikel 19, lid 1, en artikel 29 van de btw-richtlijn voorzien voor een overeenkomstige regeling van de lidstaten in twee rechtsgevolgen. Ten eerste moet de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen worden behandeld alsof er geen levering van goederen en geen diensten hebben plaatsgevonden. Ten tweede moet degene op wie de goederen overgaan wat de btw betreft in de plaats treden van de overdrager.
42. Het eerste rechtsgevolg zou, indien de verhuur van een bedrijfsgebouw hieronder valt, ertoe leiden dat daaruit geen belastbare handelingen meer voortvloeien. Dit verandert niets aan de verplichting tot herziening van de aftrek door de eigenaar van het bedrijfsgebouw. Het is juist dat hij geen vrijgestelde verhuurhandelingen zou verrichten, daar artikel 19, lid 1, en artikel 29 van de btw-richtlijn fingeren dat er helemaal geen prestatie heeft plaatsgevonden. Verder zou hij het bedrijfsgebouw vanaf het tijdstip van de verhuur ervan evenwel niet meer voor belastbare handelingen gebruiken. Deze voorwaarde voor de aftrek bedoeld in artikel 168 van de btw-richtlijn zou dus niet meer worden vervuld, waardoor zich in de zin van artikel 185, lid 1, van deze richtlijn wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die voor het bepalen van het bedrag van de aftrek in aanmerking zijn genomen. Bijgevolg zou ook de voorbelasting ten aanzien van de aanschafkosten van een bedrijfsgebouw moeten worden herzien, wanneer het eerste rechtsgevolg van artikel 19, lid 1, van de btw-richtlijn van toepassing zou zijn.
43. Tegen deze visie op de consequenties van het eerste rechtsgevolg pleit het arrest van het Hof in de zaak Faxworld(19) ook niet. In dat arrest heeft het Hof een Vorgründungsgesellschaft, die de oprichting van een naamloze vennootschap had voorbereid en ten slotte haar gehele vermogen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn daaraan had overgedragen, de aftrek van de voorbelasting over haar handelingen in een eerder stadium toegestaan, hoewel zij zelf geen belastbare handelingen had verricht. Het Hof heeft dit echter uitdrukkelijk gedaan „in [de] specifieke omstandigheden” dat het enige statutaire doel van de Vorgründungsgesellschaft in de voorbereiding van de werkzaamheid van de Aktiengesellschaft (kapitaalvennootschap) bestond en de prestatie van de Vorgründungsgesellschaft uiteindelijk viel onder de handelingen van de Aktiengesellschaft in een later stadium.(20) Deze handelingen waren echter belastbaar. Hiervan kan geen sprake zijn in de situatie die hier aan de orde is, waarin moet worden aangenomen dat tussen de overdragende en de overnemende vennootschap een gewone zakelijke relatie bestond.
44. Het tweede rechtsgevolg in de vorm van de indeplaatstreding zou er niet toe leiden dat slechts het gebruik van het bedrijfsgebouw door degene op wie de goederen overgaan bepalend is voor een eventuele herziening van de aftrek.
45. Daaraan staat reeds in de weg dat volgens de rechtspraak het aanmerken van degene op wie de goederen overgaan als degene die in de plaats treedt van de overdrager enkel een gevolg is van het feit dat volgens dezelfde bepaling geen levering heeft plaatsgevonden.(21) Op basis daarvan kunnen uit de genoemde indeplaatstreding geen zelfstandige rechtsgevolgen voortvloeien die verder gaan dan wat reeds uit de fictie van niet-levering volgt. Deze fictie heeft echter, zoals uiteengezet, geen invloed op de verplichting om de aftrek te herzien met betrekking tot de aanschafkosten van een bedrijfsgebouw.(22)
46. Zelfs indien de indeplaatstreding een zelfstandig rechtsgevolg van artikel 19, lid 1, van de btw-richtlijn was, zou in het kader van de herziening van de aftrek het gebruik van het onroerend goed door de overnemer niet als uitgangspunt mogen worden genomen.
47. De overnemer zou in zoverre namelijk slechts een recht van de overdrager kunnen overnemen als er daadwerkelijk een recht zou zijn overgedragen. Uit een huurovereenkomst vloeit echter uitsluitend een in de tijd beperkte verlening van het recht van gebruik van het bedrijfsgebouw voort. Degene op wie de goederen overgaan is slechts in dit opzicht aan te merken als degene die in de plaats treedt van de overdrager. Hij kan echter niet worden aangemerkt als rechtsopvolger met betrekking tot de eigendom, aangezien die niet is overgedragen.
48. Wanneer de overdrager dus in ieder geval wat de btw betreft rechthebbende blijft met betrekking tot de eigendom van het bedrijfsgebouw, gebruikt hij dat dus nog steeds in de zin van artikel 168 van de btw-richtlijn. Dientengevolge is hij ook onderworpen aan de regels over de herziening van de aftrek. Een andere benadering zou tot gevolg hebben dat een situatie als die in het hoofdgeding zou moeten worden behandeld alsof de eigendom van het bedrijfsgebouw zou zijn overgegaan, wat juist niet het geval is.
Beginsel van fiscale neutraliteit
49. In de derde plaats is deze uitlegging van de artikelen 19 en 29 van de btw-richtlijn ook in overeenstemming met het beginsel van fiscale neutraliteit, zowel in de specifieke btw-rechtelijke betekenis ervan als in de betekenis ervan als uitdrukking van het beginsel van gelijke behandeling.
50. Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat het in de artikelen 184 en volgende van de btw-richtlijn vastgestelde herzieningsmechanisme juist tot doel heeft de precisie van de aftrek te vergroten om de btw-neutraliteit te waarborgen.(23) Uiteindelijk moeten de in het vorige stadium verrichte handelingen namelijk slechts recht blijven geven op aftrek voor zover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan btw.(24) Indien een oorspronkelijke aftrek daarentegen nog steeds zou worden toegekend hoewel het betreffende goed ondertussen wordt gebruikt voor de uitvoering van handelingen die niet aan btw zijn onderworpen, zoals in het geval van verhuur van een onroerend goed, zou dit afbreuk doen aan de omschreven btw-neutraliteit.
51. Het beginsel van fiscale neutraliteit wordt door de uiteengezette uitlegging evenmin aangetast in zijn betekenis als beginsel van gelijke behandeling.(25) In dit verband bestaan er geen bezwaren om bij de overdracht van een belastingplichtige handelszaak de verhuur van het bedrijfsgebouw door de overdrager anders te behandelen dan de verkoop ervan, aangezien de overdrager in het eerste geval nog steeds een economische activiteit uitoefent. In zoverre wordt de overdrager, die ook de verhuurder is, niet anders behandeld dan een derde die aan de overnemer van een overdracht tevens een bedrijfsgebouw verhuurt en daarvoor evenmin recht op btw-aftrek heeft. Daarentegen zou er wel inbreuk worden gemaakt op het beginsel van fiscale neutraliteit indien een verhuurder alleen nog een recht op aftrek zou hebben met betrekking tot de aanschafkosten van een onroerend goed wanneer hij zijn onroerend goed verhuurt in het kader van de overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen.
Conclusie
52. Tegen deze achtergrond geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vraag van het Hof van Cassatie te beantwoorden als volgt:
„De artikelen 19 en 29 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
een belastingplichtige op basis van de artikelen 184 en volgende van de richtlijn verplicht blijft tot herziening van de aftrek met betrekking tot de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van een bedrijfsgebouw, ook wanneer het bedrijfsgebouw gelijktijdig met de overdracht van de door hem uitgeoefende belastingplichtige handelszaak, die als overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen in de zin van de artikelen 19 en 29 van de richtlijn moet worden aangemerkt, door de overdrager vrijgesteld wordt verhuurd aan de overnemer, die de handelszaak voortzet.”
M. Brkan
Gelezen ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 april 2026.
ondertekeningen
1 Oorspronkelijke taal: Duits.
2 Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
3 Zie dienaangaande met name arrest van 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724).
4 Zie in die zin arresten van 17 september 2020, Stichting Schoonzicht (C-791/18, EU:C:2020:731, punt 35), en 6 oktober 2022, Vittamed technologijos (C-293/21, EU:C:2022:763, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
5 Arrest van 27 maart 2019, Mydibel (C-201/18, EU:C:2019:254).
6 Arrest van 27 maart 2019, Mydibel (C-201/18, EU:C:2019:254, met name punt 28).
7 Arrest van 26 november 2020, Sögård Fastigheter (C-787/18, EU:C:2020:964, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
8 Het Hof heeft een vergelijkbare vraag in een andere prejudiciële verwijzing nog niet kunnen beantwoorden, aangezien de vraag in die procedure hypothetisch en dus niet-ontvankelijk was, zie arrest van 26 november 2020, Sögård Fastigheter (C-787/18, EU:C:2020:964, punten 74 e.v.).
9 Arrest van 3 december 2025, MS KLJUČAROVCI (T-646/24, EU:C:2025:1081, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 In de onderhavige procedure hebben de Commissie en de Belgische regering soortgelijke opmerkingen gemaakt.
11 Zie arrest van 19 december 2018, Mailat (C-17/18, EU:C:2018:1038, punten 22 e.v.); zie ook arrest van 28 februari 2019, Sequeira Mesquita (C-278/18, EU:C:2019:160, punt 29).
12 Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).
13 Om die reden moet de rechtspraak met betrekking tot artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) ook in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van de btw-richtlijn, zie beschikking van 16 januari 2023, W. (C-729/21, niet gepubliceerd, EU:C:2023:74, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 Arrest van 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724, dictum).
15 Arrest van 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724, punten 31 en 39).
16 Zie arresten van 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724, punt 40), en 19 december 2018, Mailat (C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 20).
17 Arrest van 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724, punt 25).
18 Zie onder meer arresten van 27 november 2003, Zita Modes (C-497/01, EU:C:2003:644, punt 39); 10 november 2011, Schriever (C-444/10, EU:C:2011:724, punt 23), en 19 december 2018, Mailat (C-17/18, EU:C:2018:1038, punt 13).
19 Arrest van 29 april 2004, Faxworld (C-137/02, EU:C:2004:267).
20 Zie arrest van 29 april 2004, Faxworld (C-137/02, EU:C:2004:267, punten 41 en 42).
21 Beschikking van 16 januari 2023, W. (C-729/21, niet gepubliceerd, EU:C:2023:74, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Zie punt 42 van deze conclusie.
23 Zie arrest van 12 september 2024, NARE-BG (C-429/23, EU:C:2024:742, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Arresten van 3 juni 2021, Administraţia Judeţeană a Finanţelor Publice Suceava e.a. (C-182/20, EU:C:2021:442, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 12 september 2024, Drebers (C-243/23, EU:C:2024:736, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Zie arrest van 16 februari 2023, DGRFP Cluj (C-519/21, EU:C:2023:106, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
C-serie
C/2025/4472
18.8.2025
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie (België) op 2 juni 2025 – A&P Deco NV tegen Belgische Staat
(Zaak T-397/25, A&P Deco)
(C/2025/4472)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A&P Deco nv
Verwerende partij: Belgische Staat
Prejudiciële vraag
“Moeten de artikelen 14, 19, 24 en 29 evenals de artikelen 184 tot en met 190 van de btw-richtlijn 2006/112/EEG en het neutraliteitsbeginsel uit artikel 1, 2°, van dezelfde [r]ichtlijn aldus worden uitgelegd dat ingeval het bezit van een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een handelshuurovereenkomst naar aanleiding van de overdracht van de handelszaak, geen herziening moet gebeuren bij de overdrager van de handelszaak, tevens verhuurder van het onroerend goed, van de aftrek van de btw geheven van de verkrijging, oprichting, verbouwing of verbetering van de gedeelten van de bedrijfsgebouwen die aan de overnemer worden verhuurd en door de overnemer verder worden gebruikt voor het uitoefenen van de overgenomen belastbare activiteit?”
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/4472/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)