Gerecht Credidam arrest
Btw is verschuldigd over de volledige vergoeding, inclusief wettelijke boeteopslagen, bij het zonder licentie openbaar maken van auteursrechtelijk beschermde werken.
De Roemeense beheersorganisatie Credidam vorderde een vergoeding voor het openbaar maken van fonogrammen en audiovisuele programma’s van Cristian General Serv SRL, de exploitant van een pension, waarvoor de exploitant geen voorafgaande licentie had verkregen. Op grond van de Roemeense wetgeving is bij onbevoegd gebruik een vergoeding verschuldigd ter hoogte van driemaal het bedrag dat verschuldigd zou zijn geweest indien wel een licentie was verkregen. Credidam berekende btw over dit volledige, verdrievoudigde bedrag. De exploitant betwistte de verschuldigdheid, omdat er geen commerciële activiteiten waren verricht.
De hoofdvraag is of het zonder licentie openbaar maken van beschermde werken kwalificeert als een dienst onder bezwarende titel in de zin van de Btw-richtlijn, ondanks dat de rechthebbenden zich niet tegen dit gebruik kunnen verzetten. Daarnaast spitste het geschil zich toe op de maatstaf van heffing: moet de btw berekend worden over de reguliere licentievergoeding of over het volledige, verdrievoudigde bedrag dat als sanctie op het onrechtmatig gebruik is gesteld? Hierbij zocht de verwijzende rechter afstemming met eerdere jurisprudentie van het HvJ, zoals SAWP (C‑37/16) en UCMR – ADA (C‑501/19), waarin de aard van vergoedingen voor auteursrechten centraal stond.
Het Gerecht oordeelt dat houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun werken zonder licentie openbaar worden gemaakt. Onder verwijzing naar de arresten Apcoa Parking Danmark (C‑90/20) en Fluvius Antwerpen (C‑677/21) stelt het Gerecht dat er een rechtsbetrekking bestaat waarbij prestaties worden uitgewisseld; het ontbreken van een licentie of betaling doet hieraan niet af. Wat betreft de maatstaf van heffing oordeelt het Gerecht dat de btw berekend moet worden over het volledige bedrag, inclusief de wettelijke verhoging. Deze verhoging wordt niet gezien als een schadevergoeding buiten de btw-sfeer, maar als onderdeel van de overeengekomen prijs voor de (onregelmatige) dienst. De Belastingdienst dient dus btw te heffen over de totale vergoeding die de overtreder verschuldigd is.
Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Prejudiciële kamer)
11 februari 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk btw-stelsel – Belastbare handelingen – Begrip ,dienst die onder bezwarende titel wordt verricht’ – Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a) en c), van richtlijn 2006/112/EG – Maatstaf van heffing – Begrip ‚tegenprestatie’ – Artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 – Houders van naburige rechten – Mededeling van fonogrammen en audiovisuele programma’s zonder licentie – Vergoeding die aan de organisatie voor het collectief beheer wordt betaald – Verhoging ”
In zaak T‑643/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 13 september 2024, ingekomen bij het Hof op 22 november 2024, in de procedure
Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam)
tegen
Cristian General Serv SRL,
wijst
HET GERECHT (Prejudiciële kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, M. Sampol Pucurull, G. Steinfatt, D. Petrlík en W. Valasidis (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 12 december 2024 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Credidam, vertegenwoordigd door Ş. Gheorghiu, uitvoerend directeur, bijgestaan door A. Lascu, avocată,
– de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, M. Chicu en L. Ghiță als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold en E. Stamate als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 december 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Centru Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam), een organisatie die zich bezighoudt met het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten in Roemenië, en Cristian General Serv SRL, een vennootschap naar Roemeens recht die een pension exploiteert, over de heffing van belasting over de toegevoegde waarde (btw) over het gehele of een deel van het bedrag dat deze vennootschap aan Credidam verschuldigd is wegens het feit dat deze vennootschap zonder licentie fonogrammen en audiovisuele programma’s aan haar klanten ter beschikking heeft gesteld.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[…]c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;
[…]”4 Artikel 24 van richtlijn 2006/112 luidt:
„1. Als ,dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.
[…]”5 Artikel 25 van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:
a) de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd;
b) de verplichting […] om een daad of een situatie te dulden;
c) het verrichten van een dienst […] krachtens de wet.”
6 Artikel 73 van richtlijn 2006/112 luidt als volgt:
„Voor andere goederenleveringen en diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 omvat de maatstaf van heffing alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.”
7 Artikel 78 van richtlijn 2006/112 bepaalt:
„In de maatstaf van heffing moeten de volgende elementen worden opgenomen:
a) belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf;
[…]”Nationaal recht
Belastingwetboek
8 De artikelen 268 en 271 van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal (wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek) van 8 september 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 688, van 10 september 2015), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „belastingwetboek”), strekken tot omzetting van de artikelen 2, 24 en 25 van richtlijn 2006/112 in Roemeens recht.
9 Artikel 286 van het belastingwetboek luidt:
„[…]
(4) In de maatstaf van heffing worden de volgende elementen niet opgenomen:
[…]b) de bij definitieve of definitieve en onherroepelijke rechterlijke beslissing, naargelang van het geval, vastgestelde bedragen die schadevergoeding vormen, boeten en andere bedragen die zijn gevraagd voor de volledige of gedeeltelijke niet-nakoming van contractuele verplichtingen, indien deze in aanvulling op de overeengekomen prijzen en/of tarieven in rekening worden gebracht;
[…]”Wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten
10 Artikel 112 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor şi drepturile conexe (wet nr. 8/1996 betreffende auteursrechten en naburige rechten) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60, van 26 maart 1996), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten”), bepaalt:
„(1) Artiesten, uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen hebben recht op een eenmalige billijke vergoeding voor het directe of indirecte gebruik van voor commerciële doeleinden uitgegeven fonogrammen of voor de reproductie daarvan door uitzending of enige andere wijze van mededeling aan het publiek.
(2) De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van de methoden overeenkomstig de procedure in de artikelen 163 tot en met 165.
(3) De eenmalige vergoeding wordt geïnd onder de voorwaarden van artikel 168.
[…](5) Voor de toepassing van deze wet wordt een fonogram geacht voor commerciële doeleinden te zijn uitgegeven wanneer het ter beschikking van het publiek wordt gesteld door verkoop of met behulp van draadgebonden of draadloze middelen waarmee het voor iedereen op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.”
11 Artikel 145 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten luidt:
„(1) De uitoefening van de volgende rechten wordt collectief beheerd:
[…]d) het recht op een eenmalige billijke vergoeding voor uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen voor de mededeling aan het publiek en de uitzending van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgebracht of van reproducties van die fonogrammen;
[…](2) Voor de in lid 1 bedoelde categorieën rechten vertegenwoordigen de organisaties voor collectief beheer ook de rechthebbenden die hun daartoe geen opdracht hebben gegeven.”
12 Artikel 146 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten bepaalt:
„(1) De volgende rechten kunnen collectief worden beheerd:
[…]b) het recht van mededeling van werken aan het publiek, met uitzondering van muziekwerken, en van artistieke prestaties op audiovisueel gebied;
[…](2) Voor de in lid 1 bedoelde categorieën rechten vertegenwoordigen collectieve beheerorganisaties alleen rechthebbenden die hun daartoe de opdracht hebben gegeven en ontwikkelen zij methoden […] of onderhandelen zij rechtstreeks over licentieovereenkomsten met gebruikers.
[…]”Methodologie
13 Bij Decizie nr. 120/2016 privind publicarea în Monitorul Oficial al României, Partea I, a Deciziei civile nr. 784A din 26 octombrie 2016 a Curţii de Apel Bucureşti – Secţia a IV-a civilă, pronunţată în Dosarul nr. 2.013/2/2016 (besluit nr. 120/2016 betreffende de publicatie in het Roemeense Staatsblad, deel I, van civielrechtelijk besluit nr. 784A van 26 oktober 2016 van de rechter in tweede aanleg Boekarest – vierde civiele kamer, gewezen in zaak nr. 2.013/2/2016) (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 952, van 25 november 2016) treedt de door het Oficiu Român pentru Drepturile de Autor (Roemeens bureau voor auteursrecht) vastgestelde methodologie, met name bedoeld in artikel 112, lid 2, van de wet inzake het auteursrecht en naburige rechten (hierna: „methodologie”), in werking.
14 Punt 3.12 van de methodologie bepaalt dat wanneer beschermde werken worden gebruikt zonder dat daarvoor vooraf een licentie is verleend, het bedrag van de vergoeding die de gebruiker verschuldigd is aan uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen, gelijk is aan driemaal de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
15 Verzoekster in het hoofdgeding, Credidam, in haar hoedanigheid van organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten in Roemenië, int en verdeelt de voor deze rechten verschuldigde vergoedingen. Deze organisatie ziet toe op het recht van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen op een „billijke vergoeding” in de zin van artikel 145, lid 1, onder d), van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten voor de mededeling aan het publiek en de uitzending van fonogrammen die voor commerciële doeleinden zijn uitgebracht of van reproducties van die fonogrammen. Zij beheert tevens de vergoeding van de rechthebbenden die haar overeenkomstig artikel 146, lid 1, onder b), van deze wet opdracht hebben gegeven voor de mededeling van artistieke prestaties op audiovisueel gebied.
16 Credidam was van mening dat Cristian General Serv haar voor de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2022 (hierna: „bestreden periode”) een bedrag van 4 166,19 Roemeense lei (RON) (ongeveer 845 EUR), inclusief btw, verschuldigd was omdat deze onderneming in het door haar geëxploiteerde pension fonogrammen of reproducties daarvan en artistieke prestaties op audiovisueel gebied (hierna: „betrokken beschermde werken”) aan het publiek had meegedeeld, zonder daartoe vooraf een licentie te hebben verkregen.
17 Om het in punt 16 hierboven genoemde bedrag te bepalen, is Credidam volgens de methodologie overgegaan tot verdrievoudiging van de vergoeding die Cristian General Serv verschuldigd zou zijn geweest indien zij over een licentie had beschikt. Volgens Credidam moest over het volledige bedrag van die vergoeding btw worden betaald.
18 Op 25 november 2022 heeft Credidam bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) een vordering ingesteld die ertoe strekte dat Cristian General Serv op grond van civielrechtelijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zou worden veroordeeld tot betaling van het in punt 16 hierboven genoemde bedrag en tot het sluiten van een overeenkomst met haar voor de verlening van licenties voor de mededeling aan het publiek van werken als bedoeld in punt 15 hierboven.
19 Deze door Credidam ingestelde vordering is bij vonnis van 19 april 2023 verworpen, aangezien de Tribunal București met betrekking tot de vordering tot betaling heeft opgemerkt dat Cristian General Serv in de bestreden periode geen commerciële activiteiten had uitgeoefend, zodat zij de betrokken beschermde werken niet had meegedeeld, hoewel zij beschikte over een ruimte om dergelijke activiteiten uit te oefenen. Met betrekking tot het verzoek om een niet-exclusieve licentie af te sluiten, heeft die rechter geoordeeld dat de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten niet afweek van het beginsel van contractvrijheid en dat de omstandigheid dat de door deze onderneming geëxploiteerde ruimte in februari 2023 werd verlaten, hoe dan ook in de weg stond aan de mogelijkheid om een niet-exclusieve licentie af te sluiten zoals Credidam had verzocht.
20 Credidam heeft tegen het vonnis van 19 april 2023 hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Curte de Apel Bucureşti (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië). Zij handhaaft al haar vorderingen en is in dit verband in essentie van mening dat zij het bewijs heeft geleverd dat Cristian General Serv de betrokken beschermde werken aan het publiek had meegedeeld.
21 De verwijzende rechter vraagt zich bij de beoordeling van de verzoeken van Credidam af of het door Credidam gevorderde bedrag geheel of gedeeltelijk aan btw moest worden onderworpen. Hij wijst erop dat de omstandigheden van het hoofdgeding verschillen van die van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 18 januari 2017, SAWP (C‑37/16, EU:C:2017:22), 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50), en 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571).
22 Daarop heeft de Curte de Apel Bucureşti de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a), van richtlijn [2006/112] aldus worden uitgelegd dat houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer een gebruiker de beschermde werken aan het publiek mededeelt zonder daarvoor een licentie te hebben verkregen?
2) Hangt het antwoord op de eerste vraag af van de omstandigheid dat de houder van een dergelijk naburig recht op grond van het nationale recht geen mogelijkheid heeft om zich tegen het gebruik te verzetten, maar uitsluitend recht heeft op een eenmalige billijke vergoeding, of hangt het af van de methode die voor de berekening van de verschuldigde bedragen is gebruikt?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
23 Zoals de Europese Commissie in haar opmerkingen heeft aangegeven, verduidelijkt de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet of hij het bewezen acht dat de betrokken beschermde werken aan het publiek zijn meegedeeld.
24 In dit verband zij eraan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie geldt voor vragen over de uitlegging van het recht van de Europese Unie die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader en ten aanzien waarvan het niet aan het Gerecht staat om de juistheid ervan na te gaan. Het Gerecht kan een verzoek van een nationale rechterlijke instantie enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Gerecht niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, Global Ink Trade, C‑537/22, EU:C:2024:6, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 In casu is het zo dat uit punt 2 van het verzoek om een prejudiciële beslissing, waarvan de inhoud is overgenomen in punt 19 hierboven, blijkt dat de rechter in eerste aanleg, de Tribunal București, heeft geoordeeld dat Cristian General Serv tijdens de bestreden periode geen commerciële activiteiten heeft uitgeoefend, wat de vraag doet rijzen of de diensten waarover de verwijzende rechter het Gerecht om uitlegging verzoekt, daadwerkelijk zijn verricht.
26 Opgemerkt moet worden dat de verwijzende rechter in het verzoek om een prejudiciële beslissing echter geen twijfels heeft geuit over het bestaan van deze diensten.
27 Hoewel de verwijzende rechter erop wordt gewezen dat hij als enige bevoegd is om zich uit te spreken over de juistheid en de juridische kwalificatie van de feiten in het hoofdgeding, moet dus worden geoordeeld dat – gelet op het feit dat deze rechter aangeeft dat hij, in het licht van de in punt 21 hierboven aangehaalde rechtspraak, niet over voldoende gegevens beschikt om het bij hem aanhangige geding te beslechten en gelet op het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen rust – niet duidelijk blijkt dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van richtlijn 2006/112 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, noch dat het door die rechter opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is (zie naar analogie arrest van 12 september 2024, NARE-BG, C‑429/23, EU:C:2024:742, punt 42).
28 De prejudiciële vragen zijn dan ook ontvankelijk.
Ten gronde
29 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt ten eerste dat de vergoeding van houders van naburige rechten in het Roemeense recht voortvloeit uit de wet en de methodologie waarin deze wordt verduidelijkt, en ten tweede dat de verwijzende rechter zich afvraagt of, ingeval er sprake is van een dienst onder bezwarende titel, in omstandigheden zoals die van het hoofdgeding alleen btw moet worden geheven over de vergoeding die een gebruiker met een licentie verschuldigd zou zijn, of over het drievoudige van die vergoeding, welk bedrag moet worden betaald wegens de mededeling zonder licentie van de beschermde werken.
30 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moeten derhalve ook artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112, betreffende de verrichting van diensten krachtens de wet, alsmede artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van deze richtlijn, betreffende de maatstaf van heffing van de btw, worden uitgelegd.
31 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de btw van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
32 Wat ten eerste de vraag betreft of een dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, onder de definitie van een dienst onder bezwarende titel valt, zij eraan herinnerd dat een dienst enkel onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, wanneer er tussen de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenprestatie vormt voor een aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst. Dit is het geval wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie (zie arrest van 24 februari 2022, Suzlon Wind Energy Portugal, C‑605/20, EU:C:2022:116, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd, zoals de advocaat-generaal in de punten 38 en 48 van zijn conclusie heeft gedaan, dat aan het begrip „een rechtsbetrekking waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld” een ruime betekenis moet worden gegeven. Zo blijkt uit de rechtspraak dat het enkele gebruik van een gereguleerde dienst, zoals het parkeren van een voertuig op een betaalde parkeerplaats (arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37) of het verbruik van elektriciteit in de eigen woonplaats (arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348), een rechtsbetrekking kan doen ontstaan tussen de houder van de rechten op grond waarvan deze dienst ter beschikking kan worden gesteld en degene die er gebruik van heeft gemaakt (zie in die zin arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 28 en 29, en 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 30‑32).
34 Vervolgens moet met betrekking tot het begrip „vergoeding” worden opgemerkt dat volgens de in punt 33 hierboven aangehaalde rechtspraak het volledig uitblijven van betaling van de verschuldigde bedragen niet in de weg staat aan de vaststelling dat de uit de betrokken economische transactie voortvloeiende rechten en verplichtingen wederkerig zijn (zie in die zin arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 39‑43, en 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 30 en 32).
35 Wat ten slotte het begrip „rechtstreeks verband” betreft, heeft het Hof, zoals de verwijzende rechter zelf heeft aangegeven, reeds geoordeeld dat het feit dat een vergoeding wordt geïnd door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, niet in de weg staat aan het bestaan van een rechtstreeks verband in de zin van de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak, aangezien deze organisatie handelt voor rekening van de rechthebbenden, en dat het feit dat het collectief beheer van de vergoeding voortvloeit uit een wettelijke verplichting, zich evenmin verzet tegen het bestaan van een dergelijk verband (zie in die zin arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA, C‑501/19, EU:C:2021:50, punt 37). Het Hof heeft ook verduidelijkt dat juist de wettelijke regeling een rechtstreeks verband tot stand brengt tussen de verrichting van diensten en de verplichting tot betaling van de tegenprestatie, met dien verstande dat uit artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112 uitdrukkelijk volgt dat een dienst met name kan bestaan in het verrichten van een dienst krachtens de wet (zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Credidam, C‑179/23, EU:C:2024:571, punt 40).
36 Zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft benadrukt, heeft de omstandigheid dat in casu de mededeling van beschermde werken heeft plaatsgevonden zonder dat Credidam vooraf een licentie voor een dergelijke mededeling had verleend, voor de verwijzende rechter de vraag doen rijzen of de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50), kan worden toegepast op de feiten van het hoofdgeding.
37 In dit verband moet worden benadrukt dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich ter zake van de heffing van btw verzet tegen een algemene differentiatie tussen geoorloofde en ongeoorloofde transacties, aangezien het btw-stelsel de eindverbruiker van goederen of diensten beoogt te belasten wanneer deze zijn geleverd of verricht in het kader van krachtens richtlijn 2006/112 belastbare handelingen (zie arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak),
38 In dit geval blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat Cristian General Serv wordt verweten beschermde werken aan het publiek te hebben meegedeeld zonder dat aan die vennootschap vooraf toestemming of een licentie was verleend.
39 De mededeling van de betrokken beschermde werken geeft aanleiding tot een eenmalige en billijke vergoeding voor de uitvoerende kunstenaars en de producenten van fonogrammen die aan deze werken hebben meegewerkt, voor het directe of indirecte gebruik ervan, zonder dat deze uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen zich tegen dit gebruik kunnen verzetten.
40 De toepassingsbepalingen voor de eenmalige en billijke vergoeding, die met name voortvloeien uit punt 3.12 van de methodologie, zorgen ervoor dat het bedrag ervan kan variëren van de normale vergoeding tot driemaal dit bedrag, naargelang de mededeling van de beschermde werken al dan niet is toegestaan door Credidam, die krachtens de artikelen 145 en 146 van de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten de houders van naburige rechten vertegenwoordigt in rechte (zie punten 11 en 12 hierboven). Ook al vond de mededeling van de betrokken beschermde werken plaats zonder licentie, het niet verlenen van een licentie door de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten vormt dan ook geen belemmering om het wettelijk en regelgevend kader voor de mededeling aan het publiek van dergelijke werken zonder licentie toe te passen. De verwijzende rechter dient dit evenwel na te gaan.
41 De omstandigheid dat de gebruiker van de beschermde werken de verschuldigde bedragen niet heeft betaald, staat er niet aan in de weg dat deze bedragen – gelet op de in punt 34 hierboven aangehaalde rechtspraak – worden aangemerkt als een tegenprestatie voor de dienst die door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten wordt verricht namens de houders van naburige rechten. Of er inderdaad sprake is van een tegenprestatie moet door de verwijzende rechter worden nagegaan.
42 Voorts staat het feit dat de door de gebruiker van beschermde werken verschuldigde bedragen worden gevorderd door een organisatie voor collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, en niet door de houders van naburige rechten zelf, niet in de weg aan het feit dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie, zoals blijkt uit punt 35 hierboven.
43 Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat een dienst als die welke de verwijzende rechter heeft geïdentificeerd, voldoet aan de in punt 32 hierboven in herinnering gebrachte criteria uit de rechtspraak, hetgeen die rechter dient na te gaan.
44 Wat ten tweede de vraag betreft of de btw alleen moet worden geheven over de vergoeding die aan de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten en naburige rechten, die optreedt namens de houders van naburige rechten, verschuldigd zou zijn geweest indien de gebruiker van de beschermde werken over een licentie had beschikt, dan wel betrekking moet hebben op het drievoudige van die vergoeding, moet worden gewezen op de volgende overwegingen.
45 Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatstaf van heffing voor diensten onder bezwarende titel wordt gevormd door de tegenprestatie die de belastingplichtige daarvoor werkelijk ontvangt. Deze tegenprestatie is de subjectieve waarde, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Bovendien moet deze tegenprestatie kunnen worden uitgedrukt in een geldbedrag (zie arrest van 7 maart 2013, Efir, C‑19/12, niet gepubliceerd, EU:C:2013:148, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Bovendien blijkt uit artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 dat de btw zelf niet in de maatstaf van heffing wordt opgenomen, wat impliceert dat de btw van rechtswege altijd in de overeengekomen prijs begrepen is [arrest van 21 maart 2024, Dyrektor Izby Administracji Skarbowej w Bydgoszczy (Mogelijke correctie in geval van een onjuist tarief), C‑606/22, EU:C:2024:255, punt 27].
47 Dit begrip „overeengekomen prijs”, dat wil zeggen „tegenprestatie” voor de dienst, wordt door de Unierechter aldus uitgelegd dat het ook verhogingen of extra kosten omvat wanneer deze voortvloeien uit de toepassing van het rechtskader op de betrekkingen tussen de dienstverlener en degene die de dienst heeft genoten, ook al was dat op onrechtmatige of onregelmatige wijze, met andere woorden wanneer deze verhogingen of extra kosten het rechtstreekse verband tussen de dienst en de tegenprestatie voor die dienst illustreren. Het Hof heeft aldus geoordeeld dat de controlevergoeding wegens onregelmatig parkeren, die verschuldigd was door automobilisten die gebruik hadden gemaakt van een parkeerplaats, aan btw was onderworpen, ook al waren dergelijke kosten naar nationaal recht als een boete aangemerkt (arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark, C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 30‑34 en 46). Evenzo heeft het geoordeeld dat de vergoeding voor het door een consument onrechtmatig verkregen voordeel aan de btw is onderworpen (arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen, C‑677/21, EU:C:2023:348, punt 32).
48 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt in casu uitdrukkelijk uit punt 3.12 van de methodologie, waar in de wet inzake het auteursrecht en de naburige rechten specifiek naar wordt verwezen, dat de verhoging van de vergoeding die verschuldigd is door de gebruiker van beschermde werken die niet over een licentie beschikt, het rechtstreekse gevolg is van de mededeling van die werken zonder licentie, dat wil zeggen van een dienst als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
49 De prijs die in omstandigheden als die van het hoofdgeding in aanmerking moet worden genomen en waarover de btw moet worden geheven, is dus de prijs die wettelijk is vastgesteld in geval van mededeling van werken zonder licentie zoals de betrokken beschermde werken, dat wil zeggen het drievoudige van de prijs die de gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij deze werken met een licentie had meegedeeld.
50 Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de btw van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Kosten
51 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Prejudiciële kamer),
verklaart voor recht:
Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, artikel 25, onder a) en c), artikel 73 en artikel 78, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
– de houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer hun beschermde werken aan het publiek worden meegedeeld door een gebruiker die daartoe geen licentie heeft, ondanks het feit dat zij zich niet tegen deze mededeling kunnen verzetten en dat hun vergoeding voortvloeit uit de nationale wet en de regelgeving waarnaar deze wet verwijst;
– de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op het volledige bedrag van de vergoeding die aan de houders van naburige rechten voor deze dienst verschuldigd is, met inbegrip van het gedeelte van die vergoeding dat hoger is dan de vergoeding die deze gebruiker verschuldigd zou zijn geweest indien hij houder van een licentie was geweest.
Papasavvas
Sampol Pucurull
Steinfatt
Petrlík
Valasidis
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 februari 2026.
ondertekeningen
* Procestaal: Roemeens.
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MARTÍN Y PÉREZ DE NANCLARES
van 3 december 2025 (1)
Zaak T‑643/24
Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam)
tegen
Cristian General Serv SRL
[verzoek van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25 van richtlijn 2006/112/EG – Begrip ‚diensten onder bezwarende titel’ – Collectief beheer van auteursrechten – Vergoeding voor de mededeling aan het publiek van beschermde muziekwerken – Toeslag vanwege het ontbreken van een licentie – Artikel 73 van richtlijn 2006/112 – Maatstaf van heffing – Begrip ‚tegenprestatie’ ”
I. Inleiding
1. Een eerlijke verkoopprijs is het resultaat van een gezamenlijke raming door mensen, zo onderwees Francisco de Vitoria in Salamanca.(2) Ik sluit niet uit dat deze overweging van de economische filosofie de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) heeft geïnspireerd toen deze rechter besloot het Hof te raadplegen om, in fine, de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) vast te stellen in het geval van een regel waardoor de prijs van een dienst wordt verdrievoudigd.
2. Meer in het bijzonder worden in het kader van deze verwijzing twee vraagstukken aan de orde gesteld met betrekking tot de uitlegging van richtlijn 2006/112/EG(3), die passen in een kader van reeds zeer gevestigde rechtspraak.
3. Ten eerste dient te worden nagegaan of er sprake is van een „dienst onder bezwarende titel”, dat wil zeggen, in essentie, het over en weer uitwisselen van prestaties, wanneer een gebruiker die aan het publiek beschermde muziekwerken heeft medegedeeld zonder daarvoor vooraf een licentie te hebben verkregen, ex lege voor deze mededeling een vergoeding moet betalen. In mijn antwoord zal worden bepaald of de overwegingen in het arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50; hierna: „arrest UCMR”), waaruit volgt dat het tegen betaling van een vergoeding verlenen van licenties voor dergelijke mededelingen daadwerkelijk een handeling is die aan de btw is onderworpen, van overeenkomstige toepassing zijn in het geval er geen licentie is verkregen.
4. Ten tweede biedt de onderhavige zaak de gelegenheid om de grenzen van het begrip „tegenprestatie” nader af te bakenen voor wat betreft gevallen waarin een deel van de vergoeding het karakter van een straf of een schadevergoeding heeft. De gebruiker, die geen licentie heeft aangeschaft, moet namelijk het drievoudige van het basisbedrag van de vergoeding betalen. Ervan uitgaande dat er daadwerkelijk sprake is van een „dienst onder bezwarende titel”, moet worden bepaald of de btw verschuldigd is over het vermeerderde bedrag dan wel alleen over het basisbedrag van deze vergoeding. In dit verband stel ik voor om de criteria te onderzoeken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of het verband tussen de toeslag en de verrichte dienst voldoende rechtstreeks is om te kunnen spreken van een wederkerige betrekking.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 zijn „de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht” aan de btw onderworpen.
6. Overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze richtlijn wordt „[a]ls ‚dienst’ […] beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is”.
7. Artikel 25 van deze richtlijn bepaalt:
„Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:
a) de overdracht van een onlichamelijke zaak, […];
b) de verplichting […] om een daad of een situatie te dulden;
c) het verrichten van een dienst […] krachtens de wet.”
8. Artikel 73 van deze richtlijn bepaalt dat „[v]oor andere […] diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 […] de maatstaf van heffing alles [omvat] wat de […] dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer”.
B. Roemeens recht
9. De artikelen 268 en 271 van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal (wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek) van 8 september 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 688 van 10 september 2015), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bevatten bepalingen tot omzetting van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 en de artikelen 24 en 25 van deze richtlijn.
10. Krachtens artikel 286, lid 4, onder b), van deze wet worden „in de maatstaf van heffing de […] boeten en andere bedragen [niet opgenomen] die zijn gevraagd voor de […] niet-nakoming van contractuele verplichtingen, indien deze in aanvulling op de overeengekomen prijzen en/of tarieven in rekening worden gebracht”.
11. In de artikelen 98 en 121 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor și drepturile conexe (wet nr. 8/1996 betreffende auteursrechten en naburige rechten; hierna: „wet nr. 8/1996”) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60 van 26 maart 1996), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, worden bepaalde rechten en plichten van houders van auteursrechten of naburige rechten vastgesteld. Uit deze artikelen blijkt met name dat deze houders het exclusieve recht hebben om de uitzending of mededeling aan het publiek van hun werk te verbieden, tenzij dit werk reeds is vastgelegd of uitgezonden.
12. Deze bepalingen voorzien bovendien in een vergoeding voor het gebruik van beschermde werken, die wordt geïnd door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, en in de methodologie voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding.
13. De in de onderhavige zaak toepasselijke methodologie is vastgesteld in besluit nr. 120/2016 van de Oficiu Român pentru Drepturile de Autor (Roemeens bureau voor auteursrecht), dat werd gepubliceerd in de Monitor Oficial al României. Uit dit besluit vloeit voort dat bij de vaststelling van het bedrag van de vergoeding rekening wordt gehouden met criteria zoals de oppervlakte van de ruimte waarin de mededeling aan het publiek plaatsvindt, het aantal kamers van de accommodatie, de locatie ervan en het type ruimte.
14. Dat bedrag moet worden betaald aan de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, op basis van een niet-exclusieve licentie voor het gebruik van de beschermde werken. Indien het gebruik niet wordt gedekt door een licentie, wordt overeenkomstig punt 3.12 van deze methodologie het te betalen bedrag verdrievoudigd.
III. Feiten van het hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing
15. Het hoofdgeding betreft een geschil tussen het Centru Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Roemeens centrum voor het beheer van de rechten van uitvoerend kunstenaars; hierna: „Credidam”), een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, en Cristian General Serv SRL, een in Roemenië gevestigde vennootschap, over de vergoeding die Cristian General Serv moet betalen voor de verspreiding van beschermde muziekwerken.
16. Deze vennootschap heeft dergelijke werken medegedeeld in een accommodatie zonder dat Credidam haar daarvoor vooraf de vereiste licentie had verleend. Overeenkomstig de Roemeense wetgeving moet het bedrag van de vergoeding in dat geval worden verdrievoudigd.
17. De verwijzende rechter, bij wie hoger beroep is ingesteld, verklaart dat Credidam heeft verzocht om in de geëiste bedragen btw op te nemen, terwijl volgens de verwerende partij in het hoofdgeding deze belasting niet verschuldigd is.(4)
18. Gezien de rechtspraak van het Hof(5) is de verwijzende rechter van mening dat moet worden nagegaan of houders van auteursrechten een verrichting uitvoeren die moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”, die is onderworpen aan de btw, wanneer een persoon beschermde werken mededeelt aan het publiek zonder daarvoor van Credidam de vereiste licentie te hebben verkregen. In voorkomend geval moet voor de berekening van de verschuldigde btw worden bepaald of de tegenprestatie voor deze dienst uitsluitend het basisbedrag van de vergoeding omvat, dan wel of de btw moet worden berekend op basis van het verdrievoudigde bedrag dat vanwege het ontbreken van een licentie verschuldigd is.
19. Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder a), van richtlijn [2006/112] aldus worden uitgelegd dat houders van naburige rechten een dienst onder bezwarende titel verrichten wanneer een gebruiker de beschermde werken aan het publiek mededeelt zonder daarvoor een licentie te hebben verkregen?
2) Hangt het antwoord op de eerste vraag af van de omstandigheid dat de houder van een dergelijk naburig recht op grond van het nationale recht geen mogelijkheid heeft om zich tegen het gebruik te verzetten, maar uitsluitend recht heeft op één enkele billijke vergoeding, of hangt het af van de methode die voor de berekening van de verschuldigde bedragen is gebruikt?”
IV. Procedure bij het Hof en het Gerecht
20. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is op 22 november 2024 bij de griffie van het Hof ingekomen. Dit verzoek is overeenkomstig artikel 50 ter van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie doorgestuurd naar het Gerecht, dat heeft besloten uitspraak te doen zonder pleitzitting.
21. Credidam, de Roemeense regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
V. Juridische beoordeling
A. Opmerkingen vooraf
22. Het bijzondere aan de onderhavige zaak is dat de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op vraagstukken die rechtstreeks in het verlengde liggen van vraagstukken die in het arrest UCMR zijn behandeld.(6)
23. De zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest – dat is gewezen op verzoek van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) – heeft in beginsel betrekking op dezelfde nationale wetgeving als die in het hoofdgeding, te weten wet nr. 8/1996. Bovendien ging het bij de gestelde vragen om de uitlegging van dezelfde bepalingen van richtlijn 2006/112, waaronder met name artikel 2, lid 1, onder c), waaruit in essentie voortvloeit dat „diensten” die „onder bezwarende titel” worden verricht, moeten worden onderworpen aan de btw.
24. De in het kader van deze zaak gestelde vragen moeten derhalve in het licht van dat arrest worden onderzocht.
25. In dit verband denk ik dat het mogelijk is om op basis van de tekst van het verzoek om een prejudiciële beslissing de precieze reikwijdte ervan te bepalen. Ten eerste wenst de verwijzende rechter te vernemen of de houders van auteursrechten, vertegenwoordigd door de organisatie voor collectief beheer, in casu een „dienst” hebben verricht en, indien ja, of moet worden aangenomen dat deze dienst „onder bezwarende titel” is verricht, met name gelet op de in de Roemeense wetgeving vastgestelde methodologie voor de bepaling van de vergoeding die gebruikers moeten betalen. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst deze rechter ten tweede dat het „bezwarend” karakter van deze dienst specifiek wordt onderzocht, om te bepalen of de btw moet worden berekend op basis van het basisbedrag van de vergoeding of het verdrievoudigde bedrag.
26. Daarom zal ik het Gerecht in overweging geven om de gestelde vragen als volgt te herformuleren: met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat de wettelijke verplichting om in ruil voor een vergoeding te dulden dat beschermde werken aan het publiek worden medegedeeld door een gebruiker die vooraf niet de daarvoor vereiste licentie heeft verkregen, moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”, en met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 73 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de vergoeding die moet worden betaald voor de mededeling van beschermde werken aan het publiek, bestaande uit een basisvergoeding en een toeslag die wordt toegepast wanneer voorafgaand aan de mededeling geen licentie werd verkregen, kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”.
27. In deze conclusie zal ik eerst onderzoeken of er sprake is van een dienst en of deze dienst onder bezwarende titel wordt verricht (B), en zal ik vervolgens ingaan op het specifieke vraagstuk met betrekking tot het bedrag van deze vergoeding (C).
B. Bestaan van een „dienst onder bezwarende titel”
28. Uit het arrest UCMR blijkt dat het verlenen van toestemming, aan de hand van de toekenning tegen betaling van een licentie, om beschermde werken mede te delen aan het publiek, een „dienst” is die „onder bezwarende titel wordt verricht” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112.(7)
29. De motivering van dat arrest bevat echter geen afzonderlijke beoordeling van de vraag of deze activiteit in het licht van de definitie en de niet-uitputtende voorbeelden in de artikelen 24 en 25 van richtlijn 2006/112 moet worden aangemerkt als „dienst”. Het Hof heeft zich namelijk geconcentreerd op de uitlegging van de formulering „onder bezwarende titel” en heeft de financiële verplichtingen onderzocht van de gebruikers die beschermde werken mededelen aan het publiek.
30. In het arrest UCMR wordt er met name aan herinnerd dat een dienst wordt verricht onder bezwarende titel wanneer een dienstverrichter in het kader van een rechtsbetrekking een vergoeding ontvangt die de werkelijke tegenwaarde vormt van de verleende dienst, wat het geval is wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de vergoeding en de individualiseerbare dienst. De Roemeense wetgeving die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, voldeed aan deze criteria, aangezien zij een wederkerige betrekking tot stand bracht tussen de houders van auteursrechten, vertegenwoordigd door een organisatie voor collectief beheer van auteursrechten, en de gebruikers van beschermde werken. Met de door deze organisatie op grond van een wettelijke verplichting verleende licenties werd immers in ruil voor de betaling van een vergoeding de mededeling van deze werken aan het publiek toegestaan.(8)
31. De verwijzende rechter vraagt zich af of de overwegingen van het arrest UCMR kunnen worden toegepast op de onderhavige zaak. In deze zaak heeft verweerster in het hoofdgeding geen licentie aangevraagd voordat zij de beschermde werken heeft medegedeeld aan het publiek.
32. Ik stel voor deze vraag in twee stappen te onderzoeken. Ik zal eerst ingaan op de uitlegging van het begrip „dienst” (1), en vervolgens op de uitlegging van het criterium in verband met het bezwarende karakter van die dienst (2).
1. Begrip „dienst”
33. Wat betreft de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van een „dienst” merk ik onder voorbehoud van de verificaties die de verwijzende rechter moet uitvoeren, op dat wet nr. 8/1996 ten eerste bepaalt dat de houders van rechten moeten dulden dat beschermde werken aan het publiek worden medegedeeld zonder licentie, en ten tweede dat de gebruiker als tegenprestatie een vergoeding van een bepaald bedrag moet betalen(9). Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt in de Roemeense wetgeving dus een verband gelegd tussen het recht van gebruikers om werken mede te delen en hun verplichting om hiervoor te betalen.
34. Naar mijn mening kan die wettelijke verplichting om een handeling te dulden, zoals bepaald in het nationale recht, gemakkelijk worden gelijkgesteld met de verplichte verlening van licenties zoals bedoeld in het arrest UCMR. In ieder geval komt deze verplichting overeen met twee van de drie handelingen die in artikel 25 van richtlijn 2006/112 als voorbeelden van diensten worden genoemd.(10) Het betreft de handelingen vermeld onder de punten b) en c) van dit artikel, namelijk de verplichting om een daad te dulden en het verrichten van een dienst krachtens de wet.
35. Dat een handeling die de uitoefening mogelijk maakt van het recht om beschermde werken mede te delen aan het publiek is aan te merken als een „dienst”, wordt meer in het algemeen bevestigd door de aard van de btw, die een „algemene verbruiksbelasting is” en „beoogt […] de financiële uitgaven voor het verkrijgen van een verbruiksgoed (dat wil zeggen een verbruikbaar voordeel, ofwel een lichamelijke zaak, zoals bij de levering van een goed, ofwel een immaterieel voordeel, zoals bij het verlenen van een dienst) te belasten”(11).
2. Bezwarend karakter van de dienst
36. Ik ben voorts van mening dat de dienst die ik zojuist heb beschreven, onder bezwarende titel wordt verricht. In dit verband volstaat het vast te stellen dat er in de Roemeense wetgeving een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen de verrichting van deze dienst en het betalen van de bijdrage. Op die manier creëert deze wetgeving een rechtsbetrekking in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld.(12) Het ontbreken van een contractuele relatie tussen de houders van auteursrechten en de gebruikers is in dit verband niet relevant. Volgens de rechtspraak kan de rechtsbetrekking tussen de verrichter en de ontvanger van een dienst namelijk van publieke aard zijn en door de wet zijn vastgesteld, zoals overigens is uitgedrukt in artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112. De juridische aard van deze betrekking doet derhalve geen afbreuk aan het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie.(13)
37. De vragen van de verwijzende rechter met betrekking tot de regelgeving uit hoofde waarvan op basis van vooraf vastgestelde criteria het bedrag van de verschuldigde vergoeding kan worden vastgesteld, lijken mij, gelet op de rechtspraak, in essentie om dezelfde redenen niet doorslaggevend.(14)
38. Ik wil hieraan toevoegen dat door de rechtspraak wordt bevestigd dat het eventueel ongeoorloofde karakter van de mededeling aan het publiek in de onderhavige zaak evenmin een doorslaggevend element is om te bepalen dat er sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich namelijk tegen een algemene differentiatie tussen geoorloofde en ongeoorloofde transacties, hetgeen betekent dat aan het criterium van het bestaan van een rechtsbetrekking een ruime betekenis moet worden gegeven, waar ook wettelijk geregelde relaties onder vallen.(15)
39. Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat de wettelijke verplichting om in ruil voor een vergoeding te dulden dat beschermde werken worden medegedeeld aan het publiek door een gebruiker die vooraf niet de daarvoor vereiste licentie heeft verkregen, moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”.
C. Bestaan van een „rechtstreeks verband” tussen de dienst en de toeslag die is toegepast op het basisbedrag van de vergoeding
40. Ik zal nu onderzoeken of de „tegenprestatie” voor de dienst die in het hoofdgeding aan de orde is, alleen het basisbedrag van de door gebruikers van beschermde werken te betalen vergoeding omvat, dan wel of de btw moet worden bepaald op basis van het vermeerderde bedrag van deze vergoeding.
41. Alvorens op deze kwestie in te gaan, herinner ik eraan dat het, gelet op de punten 36 tot en met 38 van deze conclusie, volgens mij vaststaat dat het basisbedrag van de vergoeding moet worden aangemerkt als een „tegenprestatie”. Er moet derhalve nog worden nagegaan of dit begrip ook van toepassing kan zijn op het bedrag dat dit basisbedrag overschrijdt en dat verschuldigd is wanneer een gebruiker geen licentie heeft verkregen alvorens de beschermde werken mede te delen aan het publiek. Bijgevolg zal ik mij bij mijn analyse concentreren op hoe deze toeslag moet worden gekwalificeerd voor de btw.
42. Naar mijn mening is het doorslaggevende element voor deze kwalificatie het in punt 30 van deze conclusie vermelde vereiste dat er een „rechtstreeks verband” bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. Hoe de grenzen van dit vereiste moeten worden afgebakend, is het onderwerp van een even uitgebreide als casuïstische rechtspraak.(16) Ik ben echter van mening dat het mogelijk is om uit deze rechtspraak enkele meer algemene criteria af te leiden op grond waarvan het Gerecht, of beter gezegd de verwijzende rechter(17), kan bepalen of er in casu een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de toeslag en de desbetreffende dienst.
43. Gelet op deze overwegingen zal ik de relevantie onderzoeken van de criteria in verband met respectievelijk de daadwerkelijke verrichting van een dienst (1), het bedrag van de ontvangen vergoeding (2) en de reden en het doel van de betalingen (3).
1. Daadwerkelijke verrichting van een dienst
44. Ik ben van mening dat op basis van de relevante rechtspraak op dit gebied twee mogelijke situaties kunnen worden onderscheiden.
45. Ten eerste is er de situatie waarbij betalingen losstaan van de verrichting van een dienst, waardoor er geen sprake is van een belastbare handeling. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan een vergoeding die wordt betaald ter compensatie van een vertraagde betaling.(18) Een ander voorbeeld zijn landbouwsubsidies die worden uitbetaald om de productie te verminderen, zoals geanalyseerd in de arresten van 29 februari 1996, Mohr (C‑215/94, EU:C:1996:72, punten 21 en 22), en 18 december 1997, Landboden-Agrardienste (C‑384/95, EU:C:1997:627, punten 23 en 24), waarbij er geen verbruikbaar voordeel is. Ik ben geneigd te oordelen dat de heffing van een toeristenbelasting door een gemeente ook tot deze categorie kan behoren, mits een dergelijke belasting niet wordt gebruikt voor de financiering van een individualiseerbare dienst, maar in het algemeen bijdraagt aan het functioneren van de gemeente(19).
46. Ten tweede is er de situatie waarbij er, zoals in casu, daadwerkelijk een verbruikbaar voordeel(20) is verleend aan een persoon(21). In dit geval is het in de regel vrij duidelijk dat betalingen die prima facie voor dit voordeel zijn verricht, moeten worden aangemerkt als een „tegenprestatie”. Er zijn echter tal van situaties waarin het niet vanzelfsprekend is om tot die constatering te komen. De onzekerheid omtrent de vaststelling van een „rechtstreeks verband” tussen de verrichte dienst en de door de dienstverrichter ontvangen betalingen is vaak het gevolg van het nationale rechtskader dat de relatie tussen de partijen regelt en het niet altijd mogelijk maakt om de reden en het doel van de betalingen ondubbelzinnig vast te stellen.(22)
47. In een dergelijk grijs gebied bevindt zich de rechtspraak die het Hof tot nog toe over het begrip „tegenprestatie” heeft ontwikkeld(23), met name in de arresten van 18 juli 2007, Société thermale d’Eugénie-les-Bains (C‑277/05, EU:C:2007:440), en 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37), die mij bijzonder relevant lijken voor de analyse van de onderhavige zaak. In het eerste arrest werden de voorschotten die waren betaald door een hotelgast die zijn verblijf had geannuleerd, aangemerkt als een „niet-belastbare forfaitaire schadevergoeding”. In het tweede arrest werd geoordeeld dat de „controlevergoeding” wegens onregelmatig parkeren op een parking een tegenprestatie was voor een verrichting van diensten.
48. Naar mijn mening wijst deze rechtspraak erop dat de omstandigheid dat een betaling – die, zoals in de onderhavige zaak, gedeeltelijk het karakter van een schadevergoeding lijkt te hebben – plaatsvindt in het kader van de verrichting van een dienst, een sterke aanwijzing vormt om deze aan te merken als „tegenprestatie”. Dit geldt des te meer omdat, zoals ik in punt 38 van deze conclusie heb vermeld, aan het criterium in verband met het bestaan van een rechtsbetrekking, te weten het over en weer uitwisselen van prestaties, een ruime betekenis moet worden gegeven.
49. In casu moet derhalve worden bepaald of een deel van de ontvangen vergoeding, namelijk de toeslag, niet kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”, ook al is er een dienst verricht. Dit zou het geval zijn indien deze toeslag moet worden aangemerkt als een „vergoeding die geen rechtstreeks verband houdt met de betrokken dienst”.
2. Bedrag van de ontvangen vergoeding
50. Wat betreft het bedrag van de betaling die in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter enig belang hecht aan het feit dat het bedrag van de toeslag het bedrag van de basisvergoeding ruimschoots overschrijdt. Deze rechter lijkt zich dus af te vragen of het bedrag van de te betalen prijs relevant is om te bepalen of er al dan niet sprake is van een tegenprestatie.
51. Om deze vragen te beantwoorden, lijkt het mij nuttig om eraan te herinneren dat het begrip „tegenprestatie”, dat in artikel 73 van richtlijn 2006/112 wordt gebruikt om de maatstaf van heffing te bepalen, eveneens van doorslaggevend belang is voor de vraag of er een dienst is verricht „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn. Bij gebreke van een tegenprestatie is er immers geen maatstaf van heffing en is het btw-stelsel niet van toepassing.(24)
52. Deze „tegenprestatie” is de subjectieve waarde: de daadwerkelijk ontvangen waarde en niet een overeenkomstig objectieve maatstaven vastgestelde waarde. Onder deze omstandigheden is, zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in wezen heeft opgemerkt(25), het bedrag ervan niet relevant. Dat dit bedrag gelijk is aan dan wel hoger of lager is dan de door de dienstverrichter gemaakte kosten, is namelijk niet van invloed op het rechtstreekse verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie.(26)
53. Het klopt dat het tot op zekere hoogte noodzakelijk kan zijn om rekening te houden met het bedrag dat een dienstverrichter heeft ontvangen. Dit is met name het geval wanneer de vergoeding zo beperkt is dat zij slechts een zeer klein deel van de gemaakte kosten dekt. Uit de rechtspraak die in de loop der tijd is ontwikkeld, en dan met name de arresten van 30 maart 2023, Gmina O. (C‑612/21, EU:C:2023:279), en Gmina L. (C‑616/21, EU:C:2023:280), blijkt mijns inziens echter dat de beoordeling van de toereikendheid van een vergoeding, anders dan zou kunnen worden afgeleid uit het eerste deel van de tweede zin van punt 49 van het arrest van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392)(27), geen deel uitmaakt van het onderzoek naar het bestaan van een tegenprestatie. Ik ben namelijk van mening dat het bedrag van de door de dienstverrichter ontvangen betalingen in werkelijkheid slechts relevant is voor de beoordeling of er sprake is van een economische activiteit(28).
54. Mijns inziens lijken deze overwegingen te suggereren dat er in casu geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de toeslag en het basisbedrag van de vergoeding, aangezien in werkelijkheid het totaalbedrag moet worden betaald aan de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten. In ieder geval is het hoge bedrag van de toeslag geen relevante factor om te bepalen of deze toeslag deel uitmaakt van de ontvangen tegenprestatie.
3. Reden en doel van de betalingen
55. De tweede zin van punt 49 van het arrest van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392), is ook om een andere reden interessant: in het tweede deel van deze zin(29) wordt gesuggereerd dat er mogelijk „factoren” zijn die, wanneer zij in aanmerking worden genomen bij het bepalen van het bedrag van de vergoeding van een dienst, afbreuk kunnen doen aan het rechtstreekse verband tussen beide elementen. Ik ben geneigd te oordelen dat deze formulering kan worden opgevat als een verwijzing naar het doel van de betalingen die de ontvanger van de dienst verschuldigd is, zoals dit kan worden afgeleid uit het toepasselijke nationale rechtskader.
56. In dit verband wil ik er meteen op wijzen dat het niet van belang is of de aan de verrichter van een dienst te betalen bedragen in het nationale recht worden aangemerkt als vergoedingen, schadevergoedingen of boeten. De beoordeling of een vergoeding wordt betaald als tegenprestatie voor een dienst is een Unierechtelijke vraag.(30)
57. De juridische oorzaak, of beter gezegd de rechtsgrond, van de betalingen is daarentegen een factor waarmee rekening moet worden gehouden wanneer wordt bepaald of er sprake is van een tegenprestatie.(31) Hetzelfde geldt voor het nagestreefde doel, ook al is dit mijns inziens slechts een aanvullend aspect, dat op zichzelf niet doorslaggevend is. Bij de beoordeling van deze twee factoren moet bovendien rekening worden gehouden met de economische realiteit van de handeling.(32)
58. Het doel van de betalingen was een belangrijke factor in de redenering van het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Tolsma(33), waaruit is gebleken dat giften die voorbijgangers uit vrije wil geven aan een straatmuzikant geen tegenprestatie voor een dienst vormen. Dit doel was echter op zich niet doorslaggevend, wat wordt bevestigd in punt 17 van dat arrest, waarin wordt beklemtoond dat er geen rechtsbetrekking bestaat tussen de muzikant en zijn publiek(34).
59. Dit geldt naar mijn mening ook voor de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Société thermale d’Eugénie-les-Bains(35). Uit dat arrest volgt immers dat voorschotten volgens het in het hoofdgeding in die zaak van toepassing zijnde nationale recht niet integraal deel uitmaken van de tussen de klant en de hotelexploitant gesloten verblijfsovereenkomst. De hotelexploitant was verplicht om het verblijf te reserveren, ongeacht de betaling van de voorschotten, wat bevestigt dat deze voorschotten geen tegenprestatie voor een dienst vormden, maar een forfaitaire vergoeding.(36)
60. Een ander soortgelijk voorbeeld is de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia(37), waarin een bepaling van een overeenkomst voor bepaalde tijd aan de orde was volgens welke in het geval van vervroegde beëindiging de resterende maandelijkse abonnementsgelden moesten worden betaald. Het daarmee nagestreefde doel, namelijk de klant ervan weerhouden om de minimale contractduur niet na te leven, was niet van dien aard dat het gevolgen had voor de rechtsgrond van de betalingen. Deze betalingen vormden namelijk een contractueel vastgelegde minimumvergoeding, die als „tegenprestatie” moest worden aangemerkt.(38)
61. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Apcoa Parking Danmark(39), ten slotte, was het opleggen van een „controlevergoeding” aan een gebruiker van een parking niet mogelijk geweest zonder de terbeschikkingstelling van een parkeerplaats. Het Hof heeft bovendien beklemtoond dat voor het goed functioneren van een parking daadwerkelijk controle op onregelmatig parkeren vereist is en dat een gebruiker die zijn voertuig parkeert in strijd met de normale gebruiksvoorwaarden zich ertoe verbindt die vergoeding te betalen. In deze vergoeding waren de hogere exploitatiekosten meegerekend die door dergelijk gedrag werden veroorzaakt.(40)
62. Ik ben geneigd te oordelen dat de situatie in casu niet vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Société thermale d’Eugénie-les-Bains(41), maar met die welke aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Apcoa Parking Danmark(42). Zoals ik het verzoek om een prejudiciële beslissing begrijp, is de toeslag namelijk slechts het gevolg van een variatie in de methode voor de berekening van de vergoeding die voor de mededeling aan het publiek van beschermde werken moet worden betaald op basis van de wettelijke voorwaarden waarvan de gebruikers op de hoogte zijn gebracht. In voorkomend geval zou moeten worden geoordeeld dat indien vóór de mededeling geen licentie is verkregen, de toeslag integraal deel uitmaakt van deze vergoeding.
63. Een andere aanwijzing in die zin zou kunnen zijn dat bij de berekening van de toeslag – vanuit het perspectief van de economische realiteit – rekening lijkt te zijn gehouden met de hogere kosten die de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten moet dragen, ten eerste vanwege de niet-nakoming door de gebruikers van de wettelijke verplichting om de vereiste licenties te verkrijgen en, ten tweede, om te waken over de naleving van deze verplichting.(43)
64. Uiteindelijk is het aan de verwijzende rechter om de aspecten te onderzoeken die het bestaan van een „rechtstreeks verband” tussen de verrichte dienst en de ontvangen „tegenprestatie”, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag, kunnen bevestigen. Het is aan die rechter om een beoordeling te maken van het nationale recht en de juridische en economische context van de handeling die plaatsvindt tussen de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten en de gebruiker die beschermde werken heeft medegedeeld zonder daarvoor vooraf de vereiste licentie te hebben verkregen.(44)
65. Gezien het voorgaande ben ik van mening dat artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 73 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de vergoeding die moet worden betaald voor de mededeling van beschermde werken aan het publiek, bestaande uit een basisvergoeding en een toeslag die wordt toegepast indien voorafgaand aan die mededeling geen licentie was verkregen, kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”. Het is aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen, met name in het licht van de rechtsgrond en het doel van deze vergoeding.
VI. Conclusie
66. Gelet op het voorgaande geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vragen van de Curte de Apel București te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder b) en c), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde
moeten aldus worden uitgelegd dat
de wettelijke verplichting om in ruil voor een vergoeding te dulden dat beschermde werken worden medegedeeld aan het publiek door een gebruiker die vooraf niet de daarvoor vereiste licentie heeft verkregen, moet worden aangemerkt als een ‚dienst onder bezwarende titel’.
2) Artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 73 van deze richtlijn,
moet aldus worden uitgelegd dat
de vergoeding die moet worden betaald voor de mededeling van beschermde werken aan het publiek, bestaande uit een basisvergoeding en een toeslag die wordt toegepast indien voorafgaand aan die mededeling geen licentie was verkregen, kan worden aangemerkt als ‚tegenprestatie’. Het is aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen, met name in het licht van de rechtsgrond en het doel van deze vergoeding.”
J. Martín y Pérez de Nanclares
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 december 2025.
ondertekeningen
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Zie de overwegingen in De Iustitia in verband met „verkoop” (vraag 77), opgenomen in Beltrán de Heredia, V., Francisco de Vitoria. Comentarios a la Secunda secundae de Santo Tomás, delen I-VI, Biblioteca de Teólogos Españoles, Salamanca, 1932‑1952. De economische filosofie van Francisco de Vitoria werd ontwikkeld tijdens academische lessen aan de universiteit van Salamanca in 1527‑1528 en 1535‑1536. Hoewel hij zelf geen van zijn lessen heeft gepubliceerd, kon zijn uitgebreide leer worden gereconstrueerd op basis van de notities van zijn leerlingen, die door Beltrán de Heredia zijn geïnventariseerd. Zie in dit verband van dezelfde auteur „Hacia un inventario analítico de manuscritos teológicos de la Escuela Salmantina, siglos XV‑XVII, conservados en España y en el extranjero”, Revista Española de Teología, 1943, blz. 59‑88.
3 Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
4 Ik wijs erop dat Credidam in zijn bij het Gerecht ingediende schriftelijke opmerkingen stelt dat er geen btw verschuldigd is.
5 Zie met name het arrest UCMR, punten 34 en 35.
6 Zie voor een eerste overzicht van dit arrest Simon, D., „Fiscalité – Gestion collective des droits d’auteur”, Revue Europe, 2021, nr. 3, commentaar nr. 101, en voor een diepgaande analyse Finken, B., „Nutzung von Urheberrechten unter Einschaltung einer Verwertungsgesellschaft als Dienstleistungskommission. Anmerkungen zu EuGH v. 21.1.2021 – C‑501/19, UCMR-ADA”, Mehrwertsteuerrecht, 2024, nr. 10, blz. 414‑417, alsook, meer in het algemeen, Aliaga Agullo, E., „Impuesto sobre el Valor Añadido y derecho de participación de los creadores visuales (‚Droit de Suite’)”, Revista española de derecho financiero, 2023, nr. 199, blz. 37‑77.
7 Arrest UCMR, punten 30‑37 en 39.
8 Arrest UCMR, punten 30-37 en 39.
9 De wijze van berekening van deze vergoeding en de omstandigheid dat het bedrag ervan bij gebreke van een licentie wordt verdrievoudigd, worden in de hoofdstukken B.2 en C van deze conclusie behandeld.
10 Zie wat betreft artikel 25 van richtlijn 2006/112, arrest van 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571, punt 34).
11 Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:332, punt 39).
12 Zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571, punten 39 en 40) voor wat betreft de rechtsbetrekking tussen de houders van auteursrechten en de organisatie voor het collectief beheer van deze rechten, zoals bepaald in wet nr. 8/1996. Zie in dit verband eveneens Pollaud-Dulian, F., „TVA, droit d’auteur et gestion collective, un point sur la jurisprudence de la CJUE”, Revue trimestrielle de droit commercial, 2024, nr. 3, blz. 642‑647.
13 Arresten van 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 39); 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392, punt 42), en 15 april 2021, Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA (C‑846/19, EU:C:2021:277, punt 39). Zie eveneens de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:332, punt 40): „De btw is geen rechtsverkeerbelasting, laat staan een contractbelasting”.
14 Zie in die zin arresten van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392, punten 46 en 49), en 15 april 2021, Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA (C‑846/19, EU:C:2021:277, punt 43).
15 Arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen (C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 28‑33). Zie echter arrest van 14 juli 2005, British American Tobacco en Newman Shipping (C‑435/03, EU:C:2005:464, punt 42): „[D]iefstal van goederen [vormt] geen ‚levering van goederen onder bezwarende titel’”. Voor een diepgaandere analyse van het vraagstuk omtrent onrechtmatig verbruik, zie Beretta, G., „Taxable and Non-Taxable Transactions”, in Kofler, G., e.a. (red.), Recent Developments in Value Added Tax 2023, Linde, Wenen, 2024, blz. 113‑162 (blz. 131‑136).
16 Voor een overzicht en een analyse van de relevante rechtspraak op dit gebied, zie Tumpel, J., „Mehrwertsteuer und Schadenersatz. Neue Entwicklungen in Rechtsprechung und Praxis”, in Kirchmayr, S., Mayr, G., Hirschler, K. (red.), Schriftenreihe zum Konzern- und Unternehmenssteuerrecht, Linde, Wenen, 2023, blz. 45‑55 en blz. 72‑81.
17 Arrest van 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 34).
18 Arrest van 1 juli 1982, BAZ Bausystem (222/81, EU:C:1982:256, punt 8). Zie daarentegen arrest van 27 oktober 1993, Muys’ en De Winter’s Bouw‑ en Aannemingsbedrijf (C‑281/91, EU:C:1993:855, punt 18), voor de belasting op rente die wordt betaald aan een leverancier om deze ertoe aan te zetten uitstel van betaling toe te staan.
19 Zie arrest van 13 juli 2023, Gemeinde A (C‑344/22, EU:C:2023:580, punten 33‑39), waarin echter een individualiseerbare dienst is vastgesteld, alsook het commentaar bij dat arrest van Pezet, F., „Quand le contribuable n’en a pas pour son argent, une taxe, même affectée, n’emporte pas qualification d’une contrepartie”, Droit fiscal, 2023, nr. 37, commentaar nr. 285.
20 Zie punt 35 van deze conclusie waarin ik eraan heb herinnerd dat de btw een verbruiksbelasting is.
21 Zie arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 43), en 28 november 2024, rhtb (C‑622/23, EU:C:2024:994, punt 25).
22 Zie in dit verband Lamouroux, G., „Les indemnités dues en raison de la résiliation unilatérale d’un contrat d’entreprise sont-elles soumises à la TVA?”, Revue de droit fiscal, 2025, nr. 9, blz. 44‑49–44‑53 (blz. 44‑51–44‑52).
23 Zie, voor zaken waarin er sprake was van een „tegenprestatie”: 1) voor de prijs van een dienst wanneer de ontvanger van de dienst heeft afgezien van de daadwerkelijke verrichting ervan door het contract vroegtijdig op te zeggen, arresten van 22 november 2018, MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 50, 51, 61 en 62); 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punten 70‑76), en 11 juni 2020, Vodafone Portugal (C‑43/19, EU:C:2020:465, punten 33‑40); 2) voor de prijs van een niet-gebruikt vliegticket, arrest van 23 december 2015, Air France-KLM en Hop!Brit-Air (C‑250/14 en C‑289/14, EU:C:2015:841, punten 28, 30 en 34); 3) voor betalingen met betrekking tot elektriciteitsdiefstal, arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen (C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 28‑33); 4) voor subsidies voor zorg verstrekt aan inwoners van een opvangfaciliteit voor ouderen, arrest van 27 maart 2014, Le Rayon d’Or (C‑151/13, EU:C:2014:185, punt 32), en 5) voor honoraria ontvangen door een advocaat van een in het ongelijk gestelde partij wannneer deze advocaat zijn cliënt kosteloos heeft vertegenwoordigd, arrest van 23 oktober 2025, Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:816, punten 33 en 35). Zie daarentegen voor zaken waarin werd geoordeeld dat er geen sprake was van een „tegenprestatie”: 1) voor de prijs voor de winnaar van een paardenrace, arrest van 10 november 2016, Baštová (C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 36‑39), en 2) in het geval van forfaitaire subsidies voor een openbare vervoersdienst, arrest van 8 mei 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Diensten van openbaar vervoer) (C‑615/23, EU:C:2025:320, punten 23‑30).
24 Zie in die zin arresten van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats (154/80, EU:C:1981:38, punt 11), en 1 april 1982, Hong-Kong Trade Development Council (89/81, EU:C:1982:121, punten 10 en 11).
25 Conclusie in de zaak Hotel Scandic Gåsabäck (C‑412/03, EU:C:2004:746, punt 35).
26 Dit is vaste rechtspraak. Zie arresten van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats (154/80, EU:C:1981:38, punt 13); 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 45), en 1 augustus 2025, Határ Diszkont (C‑427/23, EU:C:2025:596, punt 92).
27 Dit deel van de tekst luidt als volgt: „Inzonderheid moet [de verwijzende] rechter zich ervan vergewissen dat de door verzoeksters in het hoofdgeding aangerekende vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoed […].”
28 Arresten van 30 maart 2023, Gmina O. (C‑612/21, EU:C:2023:279, punten 31, 32, 38 en 40), en Gmina L. (C‑616/21, EU:C:2023:280, punten 37, 40, 46 en 49).
29 Dit deel van de tekst luidt als volgt: „Inzonderheid moet [de verwijzende] rechter zich ervan vergewissen dat […] de hoogte [van de vergoeding] niet is bepaald op basis van eventuele andere factoren die in voorkomend geval kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de diensten en de tegenprestatie ervan.”
30 Arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Zie reeds in die zin Deboissy, F., „Indemnités contractuelles et TVA: suite”, Revue trimestrielle de droit commercial, 2001, nr. 16, blz. 807‑808. Zie eveneens Beiser, R., „Entgelt oder Schadenersatz in der Umsatzsteuer?”, Österreichisches Recht der Wirtschaft, 2025, nr. 168, blz. 214‑217 (blz. 217), waarin in essentie wordt gesteld dat het Hof het begrip „tegenprestatie” in de zin van artikel 73 van richtlijn 2006/112 koppelt aan het nationaal burgerlijk recht.
32 Arrest van 22 november 2018, MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 41‑45).
33 Arrest van 3 maart 1994 (C‑16/93, EU:C:1994:80, punten 16‑19).
34 Voor een bindende uitlegging, zie arrest van 23 oktober 2025, Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:816, punt 30). Zie eveneens von Streit, G., Streit, T., „Entgelt oder Schadensersatz? Oder: Die Mehrwertsteuer auf dem Weg zur Verkehrssteuer? Eine Darstellung am Beispiel von Zahlungen bei Auflösung und Nichterfüllung von Verträgen”, UmsatzsteuerRundschau, 2020, nr. 4, blz. 525‑535 (blz. 526), waarin wordt gesteld dat er in de zaak Tolsma geen sprake was van een dienstverrichting.
35 Arrest van 18 juli 2007 (C‑277/05, EU:C:2007:440, punten 19‑32).
36 Zie de bindende uitlegging van dat arrest in punt 24 van het arrest van 28 november 2024, rhtb (C‑622/23, EU:C:2024:994). Zie wat betreft de vraag of er een onderscheid moet worden gemaakt tussen voorschotten en een „reserveringsgarantie” en of deze garantie moet worden aangemerkt als een „tegenprestatie voor een dienst”, Bédier, J.‑L., „La somme prélevée par l’hôtelier lorsque le client n’honore pas une réservation est soumise à la TVA”, Revue de droit fiscal, 2024, nr. 45, blz. 370‑23–370‑27 (blz. 370‑27).
37 Arrest van 22 november 2018 (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 61 en 62).
38 Zie voor een vergelijkbaar voorbeeld arrest van 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punten 75 en 76).
39 Zie arrest van 20 januari 2022 (C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 33 en 34) en de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in die zaak (EU:C:2021:449, punt 61).
40 Zie de kritiek van Dodos, P., „EuGH: Kontrollgebühren bei Verstoß gegen Parkplatz-Nutzungsbedingungen als steuerbares Entgelt”, Mehrwertsteuerrecht, 2022, nr. 6, blz. 240‑244 (blz. 243 en 244).
41 Arrest van 18 juli 2007 (C‑277/05, EU:C:2007:440).
42 Arrest van 20 januari 2022 (C‑90/20, EU:C:2022:37).
43 Ik wijs erop dat het dossier waarover het Gerecht beschikt, geen informatie hieromtrent bevat.
44 Zie wat betreft de bevoegdheid van de nationale rechter om zijn eigen recht uit te leggen, arresten van 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punt 47), en 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 34), waarnaar reeds werd verwezen in punt 42 van deze conclusie.
European flag
Publicatieblad
van de Europese Unie
NL
C-serie
C/2025/742
10.2.2025
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Bucureşti (Roemenië) op 22 november 2024 – Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam) / Cristian General Serv SRL
(Zaak T-643/24, Credidam)
(C/2025/742)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Bucureşti
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam)
Verwerende partij: Cristian General Serv SRL
Prejudiciële vragen
1)
În interpretarea prevederilor art. 2 alin. 1 lit. c), art. 24 alin. 1 și art. 25 lit. a) din Directiva 2006/112/CE, titularii de drepturi conexe realizează o prestare de servicii cu titlu oneros atunci când utilizatorul face comunicarea publică a operelor protejate în lipsa unei licențe în acest sens?
2)
Răspunsul la prima întrebare depinde de împrejurarea că, potrivit dreptului intern, titularul unui astfel de drept conex nu are posibilitatea de a se opune utilizărilor, având dreptul doar la remunerația unică echitabilă, sau de modul de calcul utilizat în determinarea sumelor cuvenite?
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/742/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)