A BV heeft in 2014 t/m 2017 voorbelasting in aftrek gebracht. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst deze aftrek deels gecorrigeerd en naheffingsaanslagen omzetbelasting met vergrijpboeten en belastingrente opgelegd, omdat de aftrek niet kon worden onderbouwd met facturen. A BV kon voor deze posten uitsluitend grootboekkaarten overleggen. Voor het jaar 2014 was de naheffingstermijn vijf jaar, aflopend op 31 december 2019. De Belastingdienst heeft de naheffingsaanslag 2014 blijkens een verzendrapportage op 24 december 2019 ter post bezorgd, maar de dagtekening op het aanslagbiljet is 28 december 2019. A BV heeft deze aanslag pas in januari 2020 ontvangen.
In geschil is in de eerste plaats of de naheffingsaanslag over 2014 wel tijdig en op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, en daarmee of de Belastingdienst bevoegd was deze op te leggen. In de tweede plaats is in geschil of A BV recht heeft op de aftrek van voorbelasting zonder dat zij daarvoor facturen kan overleggen, maar waarbij zij de aftrek slechts baseert op grootboekkaarten. Tot slot is de rechtmatigheid van de aan A BV opgelegde vergrijpboeten in het geding.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de naheffingsaanslag over 2014 tijdig is vastgesteld. Nu de naheffingsaanslag 2014 op 24 december 2019 naar het juiste adres is verzonden, is de naheffingsaanslag op deze datum op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit brengt mee dat de daarna gelegen dagtekening van 28 december 2019 heeft te gelden als de datum waarop de naheffingsaanslag is vastgesteld. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat grootboekkaarten onvoldoende zijn om het recht op aftrek aannemelijk en verifieerbaar te maken; op grond van artikel 15 lid 1 sub a Wet OB is daarvoor een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur vereist. De correcties van de Belastingdienst blijven in stand. De vergrijpboeten worden daarentegen vernietigd, omdat partijen het er unaniem over eens zijn dat deze niet in stand kunnen blijven. Tevens stelt de rechtbank ambtshalve vast dat de redelijke termijn is overschreden.
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-06-2026
Datum publicatie
09-06-2026
Zaaknummer
BRE 24/1, BRE 24/2
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg – enkelvoudig
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen omzetbelasting, geen recht op hogere aftrek voorbelasting. Vergrijpboeten vernietigd. Gegrond.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026060905
NLF 2026/1134
V-N Vandaag 2026/1186
FutD 2026-1040
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/1 en 24/2
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 juni 2026 in de zaken tussen
[belanghebbende] BV, statutair gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende(gemachtigde: mr. M.C.J. Schoenmakers),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 december 2023 en 22 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de tijdvakken in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 44.975 (de naheffingsaanslag 2014). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2014 heeft de inspecteur € 9.049 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2014) en een vergrijpboete opgelegd van € 22.487 (de boetebeschikking 2014).
1.2.
De inspecteur heeft tevens een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor de tijdvakken in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2017 van € 19.581 (de naheffingsaanslag 2015-2017). Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag 2015-2017 heeft de inspecteur € 2.912 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking 2015-2017) en een vergrijpboete opgelegd van € 4.895 (de boetebeschikking 2015-2017).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag 2014 gegrond verklaard en daarbij de opgelegde vergrijpboete verminderd tot € 8.994. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag 2015-2017 heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Wel heeft de inspecteur de opgelegde vergrijpboete vanwege een overschrijding van de redelijke termijn gematigd tot € 3.916.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr.drs. [inspecteur 3] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd. De vergrijpboeten worden vernietigd in navolging van het eensluidende standpunt van partijen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft over de onderhavige tijdvakken aangiften omzetbelasting ingediend en daarin de volgende bedragen aan voorbelasting in aftrek gebracht:
Kwartaal
In aftrek gebrachte voorbelasting
2014
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 16.118
€ 18.240
€ 16.115
€ 19.154
2015
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 8.913
€ 280
€ 51
€ 194
2016
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 84
€ 13.241
€ 3.625
€ 1.516
2017
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 136
€ 21
€ 114
€ 77
3.1.
De inspecteur heeft een boekenonderzoek uitgevoerd. Tijdens het boekenonderzoek heeft belanghebbende facturen overgelegd ter zake van door belanghebbende betaalde managementvergoedingen waarop de onderstaande bedragen aan omzetbelasting worden vermeld:
Kwartaal
Omzetbelasting volgens facturen
2014
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 5.752
€ 6.300
€ 6.300
€ 6.300
2015
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
€ 3.150
–
–
–
2016
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
–
€ 4.200
€ 840
€ 481
2017
Kwartaal 1
Kwartaal 2
Kwartaal 3
Kwartaal 4
–
–
–
–
3.2.
Op 15 november 2019 heeft de inspecteur een kennisgeving gestuurd met betrekking tot het opleggen van de naheffingsaanslag 2014. In deze kennisgeving heeft de inspecteur tevens vermeld een vergrijpboete op te zullen leggen.
3.3.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslag 2014 opgelegd met dagtekening 28 december 2019.
3.4.
Op 11 februari 2020 heeft de inspecteur het concept controlerapport verzonden naar belanghebbende. Hierin heeft de inspecteur onder meer vermeld een vergrijpboete op te zullen leggen bij de naheffingsaanslag 2015-2017.
3.5.
De naheffingsaanslag 2015-2017 heeft de inspecteur opgelegd op 28 mei 2020.
3.6.
De inspecteur heeft in de naheffingsaanslagen 2014 en 2015-2017 de door belanghebbende in aftrek gebrachte voorbelasting gecorrigeerd voor zover deze voorbelasting niet is onderbouwd met de in 3.1 genoemde facturen. De correcties bedragen in totaal € 44.975 (2014), € 6.288 (2015), € 12.945 (2016) en € 348 (2017).
3.7.
De inspecteur heeft een verzendrapportage overgelegd van de verzending van de naheffingsaanslag 2014.
Motivering
Bevoegdheid van de rechtbank
4. De statutaire zetel van belanghebbende is gelegen in [plaats 1] , zodat belanghebbende haar ‘woonplaats’ heeft in [plaats 1] .1 Belanghebbende houdt echter kantoor in [plaats 2] , waardoor belanghebbende voor aangelegenheden die dit kantoor betreffen mede haar woonplaats in [plaats 2] heeft. De rechtbank is daarom bevoegd om over de beroepen te oordelen.2
De bekendmaking van de naheffingsaanslag 2014
4.1.
Belanghebbende betwist dat de naheffingsaanslag 2014 tijdig is bekendgemaakt en dat deze binnen de naheffingstermijn is opgelegd. Belanghebbende voert hiertoe aan dat de naheffingsaanslag pas begin januari 2020 is ontvangen. Belanghebbende betwist de tijdige terpostbezorging van de naheffingsaanslag 2014 vanwege het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie. Tot slot heeft belanghebbende erop gewezen dat in de uitdraai van de naheffingsaanslag en de verzendadministratie niet wordt vermeld naar welk adres de naheffingsaanslag is verstuurd.
4.2.
De inspecteur betoogt onder verwijzing naar het in beroep overgelegde verzendrapport dat de naheffingsaanslag 2014 op dinsdag 24 december 2019 is aangeboden aan PostNL ter postverzending naar het kantooradres in [plaats 2] en dat de naheffingsaanslag dus tijdig is bekendgemaakt.
4.3.
De rechtbank overweegt dat de naheffingstermijn van vijf jaar liep tot en met 31 december 2019.3 De dagtekening van de naheffingsaanslag 2014 was 28 december 2019, zodat deze datum in beginsel heeft te gelden als het moment waarop de naheffingsaanslag is vastgesteld.4 Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 april 20145 volgt echter dat indien de naheffingsaanslag pas na de dagtekening van het aanslagbiljet op de voorgeschreven wijze wordt bekendgemaakt de datum van bekendmaking in de plaats komt van de dagtekening van het aanslagbiljet. Een naheffingsaanslag is dus niet vastgesteld binnen de daarvoor geldende termijn, indien het aanslagbiljet weliswaar voor het verstrijken van de termijn is gedagtekend, maar de naheffingsaanslag niet binnen de termijn op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De bekenmaking geschiedt door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.6
4.4.
De inspecteur heeft een verzendrapportage overgelegd waaruit volgt dat de naheffingsaanslag 2014 op 24 december 2019 aan PostNL is aangeboden ter postverzending. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslag 2014 op 24 december 2019 is verzonden.
4.5.
Met betrekking tot de adressering overweegt de rechtbank dat het adres in [plaats 2] in de verzendrapportage wordt genoemd als belanghebbendes adres. De inspecteur heeft ook voor andere stukken telkens het adres van belanghebbende in [plaats 2] gehanteerd. Hieruit kan worden opgemaakt dat het adres in [plaats 2] in het systeem van de Belastingdienst als belanghebbendes adres stond geregistreerd. Omdat er geen andere communicatie met belanghebbende heeft plaatsgevonden over de naheffingsaanslag 2014, belanghebbende zelf aangeeft de naheffingsaanslag in januari 2020 te hebben ontvangen en belanghebbende wel tijdig bezwaar heeft ingesteld, staat vast dat belanghebbende de naheffingsaanslag 2014 heeft ontvangen. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende destijds ook niet vermeld dat de naheffingsaanslag 2014 naar een verkeerd adres zou zijn verzonden. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat de naheffingsaanslag 2014 naar het adres in [plaats 2] is verzonden.
4.6.
Nu de naheffingsaanslag 2014 op 24 december 2019 naar het juiste adres is verzonden, is de naheffingsaanslag op deze datum op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dit brengt mee dat de daarna gelegen dagtekening van 28 december 2019 heeft te gelden als de datum waarop de naheffingsaanslag is vastgesteld. Dat belanghebbende de naheffingsaanslag pas in januari 2020 zou hebben ontvangen, is in dit geval niet van belang en doet niet af aan de tijdige bekendmaking. De rechtbank is daarom van oordeel dat de naheffingsaanslag binnen de naheffingstermijn is opgelegd en de inspecteur bevoegd was om de naheffingsaanslag op te leggen.
De naheffingsaanslagen 2014 en 2015-2017
4.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de voorbelasting terecht in aftrek is gebracht en verwijst hiertoe naar de overgelegde facturen. Belanghebbende stelt voorts dat aan belanghebbende niet kan worden tegengeworpen dat de inspecteur informatie heeft opgevraagd bij de verkeerde adviseur. Tot slot betoogt belanghebbende dat de omzetcorrectie van € 66.384 onjuist was.
4.8.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende impliceert en de inspecteur in eerste instantie had aangekondigd, geen omzetcorrectie van € 66.384 heeft doorgevoerd. De inspecteur heeft alleen correcties toegepast op de in aftrek gebrachte voorbelasting.
4.9.
Met betrekking tot de aftrek van voorbelasting stelt de rechtbank voorop dat de bewijslast rust op belanghebbende. Nu het aan belanghebbende is om het recht op aftrek van voorbelasting te onderbouwen en aannemelijk te maken, is de omstandigheid dat de inspecteur volgens belanghebbende informatie zou hebben opgevraagd bij de verkeerde adviseur niet van belang.
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat recht bestaat op aftrek van de in de overgelegde facturen opgenomen managementvergoedingen. In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting voor posten waarvoor geen facturen zijn overgelegd. Belanghebbende heeft verklaard de aftrek met betrekking tot deze posten alleen te kunnen onderbouwen met grootboekkaarten.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat deze stukken onvoldoende zijn om het recht op aftrek van voorbelasting aannemelijk te maken. Hiermee is de aftrek niet controleerbaar en verifieerbaar gemaakt. Ingevolge artikel 15, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan de ondernemer de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur in aftrek brengen. Voor zover de facturen ontbreken heeft belanghebbende geen recht op aftrek van voorbelasting. Dat betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslagen 2014 en 2015-2017 terecht en niet tot te hoge bedragen heeft opgelegd.
De belastingrente
4.12.
De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.
De vergrijpboeten
4.13.
Tussen partijen is niet in geschil dat beide vergrijpboeten moeten worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en zal de vergrijpboeten dus vernietigen.
Undue delay
4.14.
De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot de vergrijpboeten de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van een zaak in eerste feitelijke instantie is overschreden. Omdat de boeten worden vernietigd kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn niet worden verleend door vermindering van die boete. Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat de rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.7
Conclusie en gevolgen
5. De beroepen tegen de boetebeschikkingen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetebeschikking 2014 en de boetebeschikking 2015-2017 en vernietigt de boetebeschikking 2014 en de boetebeschikking 2015-2017. Voor het overige blijven de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen 2014 en 2015-2017 in stand.
5.1.
Omdat de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken. In de bezwaarfase is reeds een kostenvergoeding toegekend in verband met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag 2014. Omdat ook in de bezwaarfase sprake was van samenhangende zaken ziet de rechtbank geen aanleiding voor een aanvullende vergoeding voor de kosten van het bezwaar. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), een conclusie van repliek ingediend (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335.
Beslissing
De rechtbank:
– verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen gegrond;
– vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de boetebeschikking 2014 en de boetebeschikking 2015-2017;
– vernietigt de boetebeschikking 2014 en de boetebeschikking 2015-2017;
– verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
– bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
– veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
Rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
1Artikel 1:10, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2Artikel 8:7, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1:14 van het BW.
3Artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4Artikel 5, eerste lid, van de AWR.
5Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930.
6Artikel 8, eerste lid, van de Invorderingswet 1990.
7Hoge Raad 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337.