HvJ 03-10-2019 Cardpoint C-42/18

0
122
Geldautomaat

HvJ Cardpoint arrest

Diensten aan bank verstrekt i.v.m. exploitatie geldautomaten – Vrijstelling handelingen betreffende betalingen

Diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, vallen niet onder de btw-vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen.

DictumArrestConclusieVerzoek

Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag moet aldus worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, niet vallen onder de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

3 oktober 2019 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Belastingwetgeving – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Zesde richtlijn (77/388/EEG) – Vrijstellingen – Artikel 13, B, onder d), punt 3 – Handelingen betreffende betalingen – Diensten die door een vennootschap aan een bank worden verstrekt in verband met de exploitatie van geldautomaten”

In zaak C‑42/18,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissing van 28 september 2017, ingekomen bij het Hof op 24 januari 2018, in de procedure

Finanzamt Trier

tegen

Cardpoint GmbH, rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal (rapporteur), kamerpresident, F. Biltgen, J. Malenovský, C. G. Fernlund en L. S. Rossi, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Cardpoint GmbH, vertegenwoordigd door M. Robisch, Steuerberater, en J. Habla, Rechtsanwältin,

–        de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en R. Kanitz, vervolgens door R. Kanitz als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Jokubauskaitė en B.‑R. Killmann als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 mei 2019,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Finanzamt Trier (belastingdienst Trier, Duitsland) en Cardpoint GmbH, rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH, over de weigering van die belastingdienst om haar vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) toe te kennen voor diensten die zij aan een bank had verstrekt in verband met de exploitatie van geldautomaten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Zesde richtlijn

3        Artikel 13, B, onder d), van de Zesde richtlijn luidt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

d)      de volgende handelingen:

[…]

3.      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen;

[…]”

Btw-richtlijn

4        Met ingang van 1 januari 2007 is de Zesde richtlijn ingetrokken en vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”).

5        Artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn bepaalt:

„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

[…]

d)      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen”.

Duits recht

6        Overeenkomstig § 4, punt 8, onder d), van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) zijn vrijgesteld van btw:

„Handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekeningen-courant, betalingen, overmakingen en de inning van handelspapieren.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

7        Cardpoint verstrekte aan haar cliënt, een bank, diensten in verband met de exploitatie van geldautomaten. Deze vennootschap was verantwoordelijk voor het gebruiksklaar maken en houden van die automaten. Daartoe installeerde zij in die automaten hardware en bepaalde software die nodig was voor het naar behoren functioneren ervan. Daarnaast was zij belast met het vervoer van de door de bank ter beschikking gestelde bankbiljetten en de bevoorrading van de geldautomaten. Tot slot verstrekte zij advies over de dagelijkse exploitatie van de geldautomaten.

8        Volgens de verwijzende rechter verliep de opname van contanten als volgt. Zodra een rekeninghouder zijn bankkaart in een geldautomaat invoerde, las speciale software de gegevens van die kaart. Cardpoint controleerde die en verzocht Bank-Verlag GmbH om de gewenste geldopname goed te keuren. Bank-Verlag richtte dit verzoek aan het interbancaire netwerk, dat het op zijn beurt aan de bank stuurde die de betrokken bankkaart had uitgegeven. Deze bank controleerde het beschikbare tegoed van de rekeninghouder en stuurde via dezelfde keten een goedkeuring of afwijzing van de gewenste geldopname. In geval van goedkeuring voerde Cardpoint deze geldopname aan de automaat uit en creëerde zij een dataset over de geldopname. Zij stuurde deze dataset als boekingsinstructie door aan haar cliënt, dat wil zeggen, de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde. Deze bank voerde de datasets ongewijzigd in het systeem van de Deutsche Bundesbank (Duitse federale bank; hierna: „BBK”) in. Cardpoint stelde eveneens dagelijks een niet-wijzigbare lijst op van alle transacties van de betrokken dag, die ook aan de BBK werd gezonden. Door deze boekingen kon het vorderingsrecht van de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde jegens de bank van de rekeninghouder die het geld had opgenomen, evenals de kosten daarvan, worden vastgesteld.

9        Op 7 februari 2007 diende Cardpoint een gewijzigde btw-aangifte in voor het jaar 2005 en verzocht zij om wijziging van de opgelegde belastingaanslag, met het argument dat haar diensten in verband met de exploitatie van geldautomaten waren vrijgesteld.

10      Na de afwijzing van dit verzoek door de belastingdienst Trier heeft het Finanzgericht Rheinland-Pfalz (belastingrechter in eerste aanleg, Rijnland-Palts, Duitsland) het beroep van Cardpoint gegrond verklaard op grond dat de diensten van deze vennootschap als „handelingen betreffende betalingen” in de zin van de Zesde richtlijn moesten worden beschouwd en derhalve van btw waren vrijgesteld.

11      De belastingdienst Trier heeft beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter. Deze rechter heeft de behandeling van de zaak geschorst tot de uitspraak van het arrest van 26 mei 2016, Bookit (C‑607/14, EU:C:2016:355; hierna: „arrest Bookit”).

12      De verwijzende rechter vraagt zich af of de door Cardpoint verrichte diensten moeten worden gekwalificeerd als „technische en administratieve prestaties” in de zin van het arrest Bookit, die niet onder het begrip „handelingen betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn vallen. Volgens deze rechter gaat het hier om soortgelijke ondersteunende diensten als die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, aangezien de prestaties van Cardpoint beperkt zijn tot de technische uitvoering van de instructies van de bank.

13      De in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie vertoont nog andere gelijkenissen met de situatie waarop dat arrest betrekking heeft. Zo verkrijgt Cardpoint de gegevens betreffende de bankkaart van de betrokken rekeninghouder en geeft zij deze gegevens door aan de bank die de kaart heeft uitgegeven. Cardpoint voert de gewenste geldopname pas uit na ontvangst van de goedkeuring van die bank. Deze vennootschap is dan ook niet verantwoordelijk voor de controle en goedkeuring van de individuele opdrachten.

14      Hoewel het hoofdgeding, anders dan de situatie in het arrest Bookit, geen betrekking heeft op de aan‑ en verkoop van bioscoopkaartjes, maar op prestaties inzake betalingen in contanten via geldautomaten, rechtvaardigt dit verschil daarom nog geen andere btw-behandeling, aangezien de prestatie in beide gevallen in wezen bestaat in het uitwisselen van informatie en het verlenen van technische en administratieve bijstand.

15      Tegen deze achtergrond vraagt de rechter zich af of in aanmerking dient te worden genomen dat er in het hoofdgeding, anders dan in de situatie van de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, naast de betalingshandeling geen sprake is van een afzonderlijke verkoopovereenkomst. Hij is evenwel van oordeel dat uit het arrest Bookit niet volgt dat de diensten van technische bijstand verschillend moeten worden behandeld naargelang van de transactie die wordt beoogd.

16      Bovendien is in beide situaties de tegenprestatie voor de dienst gemakkelijk vast te stellen, terwijl de vrijstelling voor financiële handelingen met name tot doel heeft eventuele moeilijkheden te verhelpen in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw.

17      In deze omstandigheden heeft het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Zijn de technische en administratieve prestaties die een dienstverrichter in verband met betalingen in contanten via een geldautomaat verricht voor de bank die de geldautomaat exploiteert, op grond van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de [Zesde richtlijn] vrijgesteld van belasting over de toegevoegde waarde, hoewel volgens het arrest [Bookit] soortgelijke technische en administratieve diensten die een dienstverrichter verleent in verband met kaartbetalingen voor de verkoop van bioscoopkaartjes, dat op grond van deze bepaling niet zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

18      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, vallen onder de van btw vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

19      Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat de vrijstellingen die voordien waren vastgesteld in artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn, dat in dit geval ratione temporis van toepassing is, in dezelfde bewoordingen zijn opgenomen in artikel 135, lid 1, onder d), van de btw-richtlijn. De rechtspraak van het Hof met betrekking tot deze laatste bepaling is dus relevant voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn.

20      Eveneens dient erop te worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 24 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de opname bij een geldautomaat een „betalingsdienst” in de zin van het Unierecht is. Het Hof heeft met betrekking tot „handelingen betreffende betalingen” in de zin van de Zesde richtlijn bovendien reeds geoordeeld dat de overwegingen inzake de in die richtlijn bedoelde handelingen betreffende overmakingen eveneens voor die handelingen gelden (zie in die zin arrest van 5 juni 1997, SDC, C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 50).

21      In het licht van deze overwegingen kan uit vaste rechtspraak worden afgeleid dat de betrokken diensten enkel als „handelingen betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn kunnen worden gekwalificeerd wanneer zij over het geheel genomen een afzonderlijk geheel vormen dat de kenmerkende en essentiële functies van een betaling vervult en derhalve tot een overmaking van geld leidt en juridische en financiële wijzigingen meebrengt. In dat verband moet de vrijgestelde dienst in de zin van de Zesde richtlijn worden onderscheiden van het verrichten van een eenvoudige materiële of technische dienst (zie in die zin arrest Bookit, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      De functionele aspecten zijn derhalve doorslaggevend om te bepalen of een handeling betalingen betreft in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn. De feitelijke of potentiële eigendomsoverdracht van de betrokken middelen als gevolg van de handeling in kwestie of het feit dat die handeling de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht vervult, is het criterium aan de hand waarvan een handeling die leidt tot een overmaking van geld en juridische en financiële wijzigingen meebrengt en die onder de vrijstelling van die bepaling valt, kan worden onderscheiden van een handeling zonder deze gevolgen, die derhalve niet onder die vrijstelling valt (zie in die zin arrest Bookit, punt 41, en arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Hoewel uit het feit dat de betrokken dienstverrichter zelf rechtstreeks een rekening kan debiteren en/of crediteren, of bedragen tussen de rekeningen van een en dezelfde rekeninghouder kan transfereren, in beginsel kan worden afgeleid dat aan deze voorwaarde is voldaan en dat de betrokken dienst is vrijgesteld, valt omgekeerd op basis van het enkele feit dat deze dienst een dergelijke taak niet rechtstreeks omvat, niet bij voorbaat uit te sluiten dat hij niettemin onder die vrijstelling valt, aangezien de in punt 21 van dit arrest in herinnering gebrachte uitlegging nog geen oordeel inhoudt over de wijze waarop betalingen worden uitgevoerd (zie naar analogie arrest Bookit, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      De gestelde vraag moet in het licht van deze overwegingen worden beantwoord.

25      In het onderhavige geval blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Cardpoint niet zelf de betrokken bankrekeningen debiteerde, maar de geldbedragen die aan de door haar onderhouden geldautomaten werden opgenomen, fysiek uitbetaalde. Bovendien keurde zij zelf geen transacties goed. Cardpoint had immers geen beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de transacties in kwestie, maar gaf via een keten van tussenpersonen gegevens door aan de bank die de voor de betrokken opname gebruikte bankkaart had uitgegeven en volgde de instructies van die bank op door de gevraagde contanten te verstrekken. Vervolgens creëerde zij een dataset over de betrokken geldopname die zij als boekingsinstructie doorstuurde aan haar cliënt, de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde.

26      Hieruit volgt dat de diensten van Cardpoint kennelijk niet van dien aard zijn dat zij een geldoverdracht tot stand brengen noch de juridische en financiële wijzigingen meebrengen die kenmerkend zijn voor een „handeling betreffende betalingen” in de zin van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn. In tegenstelling tot de situatie in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, waren de diensten van Cardpoint weliswaar niet beperkt tot de uitwisseling van gegevens tussen de bank die de bankkaart had uitgegeven en de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde, en hielden zij eveneens de fysieke verstrekking van contanten in. De levering van bankbiljetten bij een opname uit een geldautomaat vormt evenwel geen eigendomsoverdracht van Cardpoint aan de gebruiker van die geldautomaat. Het was de bank die de bankkaart had uitgegeven, die de opname van contanten goedkeurde, het overeenkomstige bedrag van de bankrekening van de gebruiker van de betrokken geldautomaat debiteerde en de eigendom van het geld rechtstreeks aan deze gebruiker overdroeg.

27      Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie opmerkt, voerde bovendien uitsluitend de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde, de datasets in het systeem van de BBK in. Het gegevensbestand per dag, dat niet kon worden gewijzigd en alle handelingen van die dag omvatte, werd door Cardpoint gegenereerd en aan de BBK gezonden met het doel de BBK op de hoogte te brengen van de uitgevoerde goedgekeurde handelingen. Het kan dan ook niet worden geacht de kenmerkende en essentiële functies van een betaling te vervullen.

28      Aan de uitlegging volgens welke de diensten van Cardpoint kennelijk niet van dien aard zijn dat zij een geldoverdracht tot stand brengen die de juridische en financiële wijzigingen met zich meebrengt die kenmerkend zijn voor een handeling betreffende betalingen, wordt niet afgedaan door het feit dat de diensten van Cardpoint, met name wat het lezen en doorgeven van de gegevens en het leveren van de contanten betreft, onontbeerlijk waren voor de uitvoering van een vrijgestelde handeling betreffende betalingen. In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat btw-vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, zodat op grond van dat enkele feit niet tot de slotsom kan worden gekomen dat die diensten van btw zijn vrijgesteld indien niet is voldaan aan de andere criteria die in de punten 21 en 22 van het onderhavige arrest zijn genoemd (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, DPAS, C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 43).

29      Een dergelijke uitlegging van het begrip „handelingen betreffende betalingen” als bedoeld in artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn, vindt overigens steun in de doelstelling van die bepaling die, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, met name bestaat in het verhelpen van eventuele moeilijkheden bij de vaststelling van de tegenprestatie en derhalve van de maatstaf van heffing (zie in die zin arrest Bookit, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt immers dat zonder bijzondere moeilijkheden kan worden bepaald welke tegenprestatie Cardpoint voor haar diensten heeft ontvangen.

30      In het licht van de voorgaande overwegingen dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, niet vallen onder de van btw vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

Kosten

31      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag moet aldus worden uitgelegd dat diensten verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van die geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor de opname van contanten aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van de gevraagde contanten en het registreren van de opnamehandelingen, niet vallen onder de van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde handelingen betreffende betalingen als bedoeld in die bepaling.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.

ECLI:EU:C:2019:822

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

Y. BOT

van 2 mei 2019 (1)

Zaak C‑42/18

Finanzamt Trier

tegen

Cardpoint GmbH, rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH

[verzoek van het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Belastingwetgeving – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Zesde richtlijn (77/388/EEG) – Vrijstellingen – Artikel 13, B, onder d), punt 3 – Betalingen – Handelingen betreffende betalingen – Begrippen – Opname van contanten bij een geldautomaat – Dienst die door een vennootschap aan een bank wordt verstrekt in het kader van de outsourcing van de exploitatie van geldautomaten”

 

I.      Inleiding

1.        Naar aanleiding van de weigering van het Finanzamt Trier (belastingdienst Trier, Duitsland)(2)om Cardpoint GmbH(3) een belastingvrijstelling toe te kennen voor diensten die zij aan een bank had verleend in het kader van de exploitatie van geldautomaten, verzoekt het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) met zijn onderhavige prejudiciële verwijzing het Hof zich uit te spreken over de uitlegging van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG)(4).

2.        Krachtens deze bepaling zijn handelingen betreffende met name betalingen en overmakingen vrijgesteld van btw.

3.        Het Hof heeft deze bepaling weliswaar reeds uitgelegd, maar wordt nu gevraagd om dit in een specifieke context te doen. Het moet immers bepalen of diensten inzake de exploitatie van geldautomaten, die worden verricht voor de banken die deze automaten exploiteren, van btw kunnen worden vrijgesteld als handelingen betreffende betalingen. In een context van toenemende outsourcing van de exploitatie van geldautomaten door banken kan de door het Hof te geven uitlegging belangrijke gevolgen hebben voor dergelijke dienstverleners.

4.        In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat, wanneer een bank de exploitatie van geldautomaten outsourcet aan een derde onderneming, de activiteiten die deze laatste in dat kader verricht – die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van de geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software om de gegevens van de bankkaarten te lezen, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor het uitvoeren van de geldopname aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven en het registreren van de opnamehandelingen – niet onder de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn vallen.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Zesde richtlijn

5.        Artikel 2 van de Zesde richtlijn bepaalt:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.      de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

[…]”

6.        Titel X van deze richtlijn voorziet in btw-vrijstellingen die door de lidstaten moeten worden verleend. In dit kader luidt artikel 13, B, onder d), punten 3 en 4, van deze richtlijn als volgt:

„Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen:

[…]

d)      de volgende handelingen:

[…]

3.      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen;

4.      handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd; als zodanig worden beschouwd gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaliter niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben”.

B.      Duits recht

7.        Volgens § 4, punt 8, onder d), van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) zijn „handelingen, en de bemiddeling daarbij, betreffende deposito’s, rekeningen-courant, betalingen en overmakingen en de inning van handelseffecten” vrijgesteld van btw.

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

8.        Op grond van haar contractuele verplichtingen met een bank verrichtte Cardpoint diensten inzake de exploitatie van geldautomaten. Meer in het bijzonder installeerde Cardpoint op de overeengekomen plaatsen gebruiksklare geldautomaten met soft‑ en hardware en voorzien van het logo van de bank die de automaten exploiteerde, en was zij verantwoordelijk voor de goede werking ervan. Hiertoe was zij belast met het vervoer van de door deze bank ter beschikking gestelde bankbiljetten en met de bevoorrading van de automaten. Het was voorts haar taak in de betrokken automaten de hard‑ en software te installeren die nodig was voor het naar behoren functioneren ervan. Tot slot verstrekte zij advies over de dagelijkse exploitatie van de geldautomaten.

9.        Telkens als de geldautomaten werden gebruikt voor het opnemen van geld en zodra de bankkaart in de automaat werd ingevoerd, las speciale software bepaalde gegevens van die kaart. Cardpoint controleerde allereerst deze gegevens en verzond een elektronisch verzoek tot goedkeuring van de door de kaarthouder gewenste handeling aan Bank-Verlag GmbH.(5) Bank-Verlag richtte dit verzoek vervolgens aan het interbancaire netwerk, dat het op zijn beurt aan de bank stuurde die de betrokken bankkaart had uitgegeven. Deze bank controleerde het beschikbare tegoed van de rekeninghouder en stuurde via dezelfde keten een goedkeuring of afwijzing van de gewenste geldopname. Wanneer het antwoord eenmaal was ontvangen, genereerde Cardpoint een dataset over de geldopname en voerde zij, in geval van goedkeuring, de gewenste handeling uit, waarbij zij nogmaals een dataset over de geldopname creëerde. Deze dataset werd ten slotte doorgestuurd als boekingsinstructie aan haar opdrachtgever, dat wil zeggen, de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde. Deze bank voerde de datasets ongewijzigd in het systeem van de Deutsche Bundesbank (Duitse federale bank)(6) in. Cardpoint stelde eveneens dagelijks een niet-wijzigbare lijst op van alle transacties van de betrokken dag, die ook aan de BBK werd gezonden.

10.      Aangezien alleen de banken houder kunnen zijn van vereveningsrekeningen bij de BBK, voerden zij zelf de dataset in het systeem van laatstgenoemde in. Door deze boeking kon het vorderingsrecht van de bank die de betrokken geldautomaat exploiteerde jegens de bank van de rekeninghouder die de handeling had verricht, evenals de kosten daarvan, met bindende kracht worden vastgesteld. Bovendien werd door de invoering van de gegevens de verrekening van het opgenomen bedrag, verhoogd met eventuele kosten voor het gebruik van de geldautomaat, tussen de bank die de geldautomaat exploiteerde en de bank die de bankkaart aan de klant had uitgegeven, onmiddellijk boekhoudkundig verwerkt.

11.      Aangezien Cardpoint van mening was dat de verrichte diensten moesten worden vrijgesteld van btw, diende zij op 7 februari 2007 een gewijzigde btw-aangifte in voor het jaar 2005 en verzocht zij om wijziging van de opgelegde belastingaanslag.

12.      Dit verzoek is door de belastingdienst afgewezen, maar het Finanzgericht Rheinland-Pfalz (belastingrechter in eerste aanleg Rijnland-Palts, Duitsland) heeft het door Cardpoint tegen die afwijzing ingestelde beroep gegrond verklaard.

13.      De belastingdienst heeft beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter, en deze procedure is geschorst tot uitspraak werd gedaan in het arrest Bookit.

14.      De verwijzende rechter constateert dat volgens dit arrest de vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen niet van toepassing is op diensten op het gebied van de „verwerking van debet‑ of kredietkaartbetalingen”, die worden verleend door een belastingplichtige dienstverrichter wanneer een persoon via die dienstverrichter – die handelt in naam en voor rekening van een andere entiteit – een bioscoopkaartje koopt en dat kaartje betaalt met een debet‑ of kredietkaart. De verwijzende rechter vraagt zich af of hetzelfde geldt voor de door Cardpoint verrichte diensten.

15.      Volgens de verwijzende rechter zijn de door Cardpoint verrichte diensten technische en administratieve prestaties die het mogelijk maken om contanten uit geldautomaten op te nemen, aangezien zij soortgelijke ondersteunende prestaties vormen als die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, en Cardpoint de in een autorisatiecode vervatte instructies gewoon technisch uitvoert.

16.      Dienaangaande benadrukt de verwijzende rechter de gelijkenissen die de situatie in het hoofdgeding vertoont met die welke heeft geleid tot het arrest Bookit. Zo verkrijgt Cardpoint de gegevens betreffende de bankkaart van de betrokken rekeninghouder en geeft zij deze gegevens door aan de bank die de kaart heeft uitgegeven. Verder is Cardpoint niet verantwoordelijk voor de controle op en de goedkeuring van de individuele opdrachten, aangezien zij de gewenste geldopname pas uitvoert na ontvangst van de goedkeuring van de bank die de kaart heeft uitgegeven.

17.      De verwijzende rechter merkt evenwel op dat het arrest Bookit betrekking had op aan‑ en verkooptransacties, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om prestaties inzake betalingen in contanten via geldautomaten. Dat verschil rechtvaardigt echter niet dat de door Cardpoint verrichte prestaties voor de btw anders worden behandeld, aangezien de prestatie in beide gevallen in wezen bestaat in het uitwisselen van informatie en het verlenen van technische en administratieve bijstand.

18.      De verwijzende rechter vraagt zich dus af of het van belang is dat in het arrest Bookit een afzonderlijk contract voor de verkoop van bioscoopkaartjes aan de orde was, wat niet het geval is in de onderhavige zaak.

19.      De verwijzende rechter noemt ten slotte twee omstandigheden die volgens hem tegen vrijstelling van belasting pleiten. Evenals in het arrest Bookit is de tegenprestatie voor de dienst gemakkelijk vast te stellen. Bovendien kunnen de diensten van Cardpoint worden aangemerkt als prestaties van technische bijstand, aangezien haar activiteiten slechts het uitwisselen van informatie betreffen, samen met het uitvoeren van een door de bank gegeven goedkeuringsbeslissing. Cardpoint beperkt zich immers tot het genereren van datasets die zij in het banksysteem als boekingsinstructie overdraagt.

20.      In deze context heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Zijn de technische en administratieve prestaties die een dienstverrichter in verband met betalingen in contanten via een geldautomaat verricht voor de bank die de geldautomaat exploiteert, op grond van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de [Zesde richtlijn] vrijgesteld van [btw], hoewel volgens het arrest [Bookit] soortgelijke technische en administratieve diensten die een dienstverrichter verleent in verband met kaartbetalingen voor de verkoop van bioscoopkaartjes, dat op grond van deze bepaling niet zijn?”

IV.    Mijn analyse

21.      De verwijzende rechter verzoekt het Hof in wezen vast te stellen of de activiteiten van Cardpoint, die bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software, het verzenden van een goedkeuringsverzoek voor het uitvoeren van de geldopname aan de bank die de voor deze opname gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van het geld en het registreren van de opnamehandelingen, onder het begrip „handelingen betreffende betalingen” vallen die op grond van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn van btw zijn vrijgesteld.

22.      Blijkens de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de verwijzingsbeslissing vraagt de rechter in het hoofdgeding zich af of de uitlegging die door het Hof is gegeven in het arrest Bookit, kan worden toegepast op het onderhavige geval. Volgens die uitlegging is de vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen niet van toepassing op een dienst bestaande in de „verwerking van debet‑ of kredietkaartbetalingen”, die wordt verleend door een belastingplichtige dienstverrichter wanneer een persoon via die dienstverrichter – die handelt in naam en voor rekening van een andere entiteit – een bioscoopkaartje koopt en dat kaartje betaalt met een debet‑ of kredietkaart.

23.      Alvorens te bepalen of de uit het arrest Bookit voortvloeiende oplossing kan worden toegepast op de diensten die door Cardpoint worden verricht voor banken die geldautomaten exploiteren, moeten verschillende inleidende overwegingen worden geformuleerd.

24.      In de eerste plaats wijs ik erop dat diensten die het mogelijk maken contanten van een betaalrekening op te nemen, betalingsdiensten in de zin van het Unierecht(7) zijn en dat een opname bij een geldautomaat dus een betaling is.

25.      In de tweede plaats herinner ik eraan dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de overwegingen die van toepassing zijn op het begrip „handelingen betreffende overmakingen” ook gelden voor het begrip „handelingen betreffende betalingen”(8), zodat zij met het oog op de vrijstelling van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn op dezelfde wijze worden behandeld(9).

26.      In de derde plaats merk ik op dat de btw-vrijstellingen van artikel 13 van de Zesde richtlijn volgens vaste rechtspraak autonome begrippen van het Unierecht vormen, die tot doel hebben verschillen in de toepassing van het btw-stelsel tussen de lidstaten te voorkomen(10) en dat de bewoordingen die worden gebruikt ter omschrijving van deze vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, daar zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat btw wordt geheven over elke dienst die onder bezwarende titel door een belastingplichtige wordt verricht(11).

27.      Wat betreft de toepasbaarheid van de uit het arrest Bookit voortvloeiende oplossing op de activiteiten van Cardpoint die in het hoofdgeding aan de orde zijn, dient de aandacht te worden gevestigd op het criterium dat het Hof in dat arrest heeft toegepast om een onderscheid te maken tussen van btw vrijgestelde prestaties en daarvan niet vrijgestelde prestaties.

28.      In dit verband ben ik net als Cardpoint van mening dat het Hof in dat arrest niet is afgeweken van zijn eerdere rechtspraak.

29.      Het Hof heeft vastgesteld dat de in die zaak aan de orde zijnde dienst van verwerking van kaartbetalingen niet kon worden vrijgesteld, aangezien de verrichte diensten, op zich of tezamen, niet konden worden beschouwd als een handeling die een kenmerkende en essentiële functie van een betaling of overmaking in de zin van het Unierecht vervult.(12)

30.      Daartoe heeft het Hof in het bijzonder opgemerkt dat de verrichter van deze dienst de betrokken rekeningen niet rechtstreeks zelf debiteerde of crediteerde, dat hij geen boekingen op deze rekeningen verrichtte en dat hij geen opdracht gaf tot een dergelijke debitering of creditering. Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat deze dienstverrichter niet verantwoordelijk was voor de uitvoering van de juridische en financiële wijzigingen die kenmerkend zijn voor het bestaan van een vrijgestelde overmaking of betaling.(13)

31.      Ook wijs ik erop dat het Hof deze benadering in zijn meest recente rechtspraak heeft bevestigd.

32.      In het arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592), heeft het Hof eraan herinnerd dat de functionele aspecten beslissend zijn om uit te maken of een handeling onder de vrijstelling voor handelingen betreffende overmakingen of betalingen valt. Zo zal een dienst alleen als een „handeling betreffende overmakingen” of een „handeling betreffende betalingen” kunnen worden aangemerkt indien hij de kenmerkende en essentiële functies van dergelijke overmakingen of betalingen vervult, in die zin dat die dienst tot gevolg heeft dat geld wordt overgedragen en de juridische en financiële wijzigingen meebrengt die kenmerkend zijn voor de overdracht van een geldsom.(14)

33.      Voorts heeft het Hof in herinnering gebracht dat, teneinde de vrijgestelde prestaties in de zin van de btw-richtlijn te onderscheiden van eenvoudige materiële, technische of administratieve diensten, in het bijzonder de omvang van de aansprakelijkheid van de betrokken dienstverrichter dient te worden onderzocht en met name dient te worden nagegaan of die aansprakelijkheid beperkt is tot de technische aspecten dan wel zich uitstrekt tot de kenmerkende en essentiële functies van de handelingen.(15)

34.      Om te bepalen welke diensten van btw zijn vrijgesteld als handelingen betreffende overmakingen of betalingen, is voor het Hof in concreto allereerst de aard van de verrichte dienst van belang, in die zin dat de dienst, om te worden vrijgesteld, een financiële handeling moet zijn.(16) De dienst moet dus worden beoordeeld aan de hand van een functioneel criterium om te bepalen of hij de kenmerkende en essentiële functies van dergelijke overmakingen of betalingen vervult, doordat hij tot gevolg heeft dat geld wordt overgedragen en leidt tot juridische en financiële wijzigingen die de overdracht concretiseren. Wat de andere in aanmerking te nemen factoren betreft, kan het Hof ook de omvang onderzoeken van de op de dienstverrichter rustende aansprakelijkheid.

35.      In het licht van de eerdere rechtspraak ben ik van mening dat het Hof geen redenen heeft om met betrekking tot de door Cardpoint verrichte diensten af te wijken van de in het arrest Bookit gekozen oplossing.(17)

36.      Wat het functionele criterium betreft, wijs ik er om te beginnen op dat Cardpoint zelf in haar opmerkingen heeft erkend dat, overeenkomstig het arrest Bookit, het lezen van de gegevens op de bankkaart van de gebruiker van de geldautomaat, het verzenden en controleren ervan, alsmede het uitvoeren van de door de kaarthouder gewenste handeling na ontvangst van het goedkeuringsbericht van de bank die de kaart heeft uitgegeven, niet onder de vrijstelling kunnen vallen.

37.      Ik deel die mening. Al deze activiteiten, net als het vervoeren van geld, het bevoorraden van de geldautomaten, het installeren en onderhouden van de nodige software voor de geldautomaten, alsmede de door Cardpoint verstrekte adviezen over de exploitatie van deze automaten, hebben immers kennelijk niet tot gevolg dat een geldsom wordt overgedragen en dat juridische en financiële wijzigingen plaatsvinden die deze overdracht concretiseren of kenmerken.

38.      Meer in het algemeen ben ik van mening dat die analyse geldt voor alle activiteiten, op zich of samen bezien, die Cardpoint in het kader van de exploitatie van een geldautomaat verricht, aangezien zij als „materiële, technische of administratieve diensten” moeten worden aangemerkt.

39.      Zo blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens, die in de punten 8 tot en met 10 van deze conclusie zijn weergegeven, dat de door Cardpoint verrichte dienst, zoals de Duitse regering heeft opgemerkt, niet rechtstreeks inhoudt dat zij zelf een rekening debiteert of crediteert, of boekingen verricht in de rekeningen van de houder van de bankkaart die voor de opname wordt gebruikt.(18) Cardpoint verzendt immers de gegevens met betrekking tot de kaart van de gebruiker alsook het verzoek om toestemming voor de door laatstgenoemde gewenste opname, maar voert de handeling – in die zin dat de bankbiljetten concreet worden verstrekt – slechts uit indien het verzoek wordt ingewilligd.

40.      Bovendien gebeurt het invoeren van de datasets in het systeem van de BBK alleen door de bank die de geldautomaat exploiteert. Het gegevensbestand per dag, dat niet kan worden gewijzigd en dat alle handelingen van die dag omvat, wordt door Cardpoint gegenereerd en aan de BBK gezonden met het doel de BBK op de hoogte te brengen van de uitgevoerde toegestane handelingen. Het kan dus niet worden geacht de kenmerkende en essentiële functies van een betaling te vervullen.

41.      Gelet op deze overwegingen ben ik van mening dat de door Cardpoint verrichte dienst geen handeling is die tot gevolg heeft dat gelden worden overgedragen en die tot juridische en financiële wijzigingen leidt, maar een materiële, technische of administratieve dienst vormt, aangezien die dienst niet tot gevolg heeft dat de eigendom van de betrokken gelden daadwerkelijk of potentieel wordt overgedragen, of dat de kenmerkende en essentiële functies van een dergelijke overdracht worden vervuld.

42.      Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door de argumenten inzake de specifieke aard van de activiteiten van Cardpoint.

43.      Dit geldt bijvoorbeeld voor het argument dat Cardpoint zorgt voor de fysieke verstrekking van de bankbiljetten en de uitbetaling van de contanten aan de gebruiker van de geldautomaat.

44.      Zoals de Duitse regering heeft onderstreept, is het immers van de bank – en niet van Cardpoint – dat de eigendom van het geld op de gebruiker van de geldautomaat overgaat.

45.      Met de Duitse regering ben ik van mening dat alleen de juridische eigendom van het geld in aanmerking moet worden genomen, en niet het fysieke bezit ervan. Hoewel niet kan worden betwist dat de door Cardpoint verrichte dienst tot gevolg heeft dat de bankbiljetten fysiek worden overgedragen, is de overdracht van de juridische eigendom van het geld afhankelijk van de toestemming van de bank die de kaart heeft uitgegeven, en vervolgens van de boekhoudkundige verwerking van de handeling. Vastgesteld moet echter worden dat Cardpoint in dit verband niet meer doet dan het betalingsverzoek van de klant doorsturen en de betaling technisch uitvoeren.

46.      Het maakt in dit verband geen verschil dat de activiteiten van Cardpoint in het kader van de exploitatie van geldautomaten voor banken, in hun geheel worden beschouwd. Het is juist dat de banken die geldautomaten exploiteren, de exploitatie ervan in grote mate hebben geoutsourcet en dat Cardpoint een bijzonder uitgebreide dienst verricht.

47.      Niettemin ben ik van mening dat de ratio legis van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn geen kwantitatieve benadering vereist, maar een functionele en kwalitatieve benadering, die is gebaseerd op de aard van de prestaties. Met andere woorden is het feit dat Cardpoint haar dienst in de vorm van een pakket aanbiedt, irrelevant indien geen van de binnen dat pakket verrichte activiteiten tot gevolg heeft dat gelden worden overgedragen en dat juridische en financiële wijzigingen plaatsvinden die de overdracht concretiseren of kenmerken.

48.      Ook al ben ik het met Cardpoint eens dat sommige van haar activiteiten onontbeerlijk zijn voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde betalingshandelingen(19), dit volstaat niet om de door haar verrichte dienst vrij te stellen van btw.

49.      Het Hof heeft immers reeds overwogen dat, gelet op de strikte uitlegging van de btw-vrijstellingen, uit het enkele feit dat een dienst onontbeerlijk is om een vrijgestelde handeling te verrichten, niet kan worden afgeleid dat die dienst van btw is vrijgesteld.(20)

50.      De omstandigheid dat Cardpoint als tussenpersoon optreedt in het kader van de outsourcing door een bank van de exploitatie van geldautomaten, volstaat overigens niet om toepassing naar analogie te rechtvaardigen van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 148 van de btw-richtlijn, waarin het Hof zich heeft uitgesproken voor de mogelijke toepassing van de in die bepaling bedoelde vrijstelling op diensten die worden verricht door tussenpersonen die in eigen naam handelen of door onderaannemers.(21)

51.      Ik ben immers van mening dat een redenering naar analogie op de enkele grond dat Cardpoint een dienst verricht in het kader van de outsourcing van de exploitatie van geldautomaten, niet mogelijk is wegens de specifieke kenmerken en doelstellingen van elke btw-vrijstelling.

52.      Het argument van Cardpoint dat zij verantwoordelijk is voor de operationele staat van de geldautomaten en derhalve alle mogelijke storingen moet oplossen, zoals ontoereikende of te hoge uitbetalingen, schade veroorzaakt door criminele activiteiten van derden, slechte montage van de geldautomaten of onjuiste boekingsopdrachten, kan mij evenmin overtuigen.

53.      In dit verband moet de omvang van de aansprakelijkheid van de dienstverrichter worden onderzocht, met name de vraag of deze aansprakelijkheid beperkt is tot de technische aspecten dan wel zich uitstrekt tot de kenmerkende en essentiële functies van de handelingen.(22)

54.      Hoewel de door Cardpoint aangevoerde elementen aantonen dat zij jegens de bank die de geldautomaat exploiteert, aansprakelijk is voor de slechte werking ervan, tonen die elementen bovenal aan dat Cardpoint op geen enkele wijze aansprakelijk is voor de juridische en financiële wijzigingen waarmee een betalingshandeling gepaard gaat.

55.      Daar de verstrekking van gelden aan de gebruiker van een dergelijke geldautomaat geen essentiële en kenmerkende functie van een betaling is, kan met name de omstandigheid dat Cardpoint jegens de bank die de geldautomaat exploiteert, aansprakelijk is in geval van ontoereikende of te hoge uitbetalingen, niet tot gevolg hebben dat haar aansprakelijkheid wordt uitgebreid tot de kenmerkende en essentiële functies van de betalingshandeling.

56.      Kort gezegd kunnen de diensten van Cardpoint niet van btw worden vrijgesteld op grond van artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn, aangezien het daarbij enkel om technische en administratieve diensten gaat.

57.      Tot slot wijs ik erop dat de doelstellingen van de in deze bepaling bedoelde vrijstelling, namelijk het verhelpen van moeilijkheden in verband met de vaststelling van de maatstaf van heffing en het bedrag van de aftrekbare btw en het voorkomen van een verhoging van de kostprijs van het consumentenkrediet(23), mijn analyse niet ontkrachten.

58.      Aangezien de maatstaf van heffing voor de door Cardpoint verrichte dienst gemakkelijk kan worden bepaald, met name op basis van de voor de dienst opgestelde facturen, kan het eerste doel niet rechtvaardigen dat die dienst van btw wordt vrijgesteld.

59.      Aangezien de tweede doelstelling in de onderhavige zaak niet relevant is, kan zij evenmin de vrijstelling van de door Cardpoint verleende dienst rechtvaardigen. Cardpoint is in dit verband van mening dat ingeval de kaarthouder een ongedekt bedrag van zijn rekening opneemt, dat onmiddellijk leidt tot een kredietrelatie tussen laatstgenoemde en de bank die de kaart heeft uitgegeven, en dat dit consumentenkrediet juist niet aan btw kan worden onderworpen.

60.      Wanneer een bank een opname toestaat ondanks het ontbreken van voldoende gelden op de betrokken bankrekening, is de rekeninghouder weliswaar de facto geld verschuldigd aan de bank, doch deze situatie vormt geen consumentenkrediet, maar een mogelijkheid om gedurende korte tijd het rekeningsaldo te overschrijden.(24)

61.      Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat de in artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn bedoelde vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen, niet van toepassing is op diensten zoals die welke door Cardpoint worden verricht in het kader van de outsourcing van de exploitatie van geldautomaten door banken.

V.      Conclusie

62.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:

„Artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen niet van toepassing is op diensten zoals aan de orde in het hoofdgeding, die door een dienstverrichter worden verleend aan een bank die geldautomaten exploiteert en bestaan in het gebruiksklaar maken en houden van de geldautomaten, het bevoorraden ervan, het erin installeren van hard‑ en software, het verzenden van een verzoek om goedkeuring van de geldopname aan de bank die de gebruikte bankkaart heeft uitgegeven, het verstrekken van het geld en het registreren van de opnamehandelingen.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Hierna: „belastingdienst”.


3      Als rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH.


4      Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”). Ik merk nu al op dat artikel 13, B, onder d), punt 3, van de Zesde richtlijn is vervangen door artikel 135, lid 1, onder d), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw-richtlijn”), op grond waarvan de lidstaten vrijstelling verlenen voor handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito’s, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen, en dat artikel 135, lid 1, onder b) tot en met g), van de btw-richtlijn de vrijstellingen die voorheen in artikel 13, B, onder d), respectievelijk punten 1 tot en met 6, van de Zesde richtlijn waren vastgesteld, zonder substantiële wijzigingen overneemt. In die omstandigheden ben ik van mening dat de rechtspraak met betrekking tot die eerste bepaling relevant is voor de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn (voor de tegenovergestelde benadering, zie arrest van 26 mei 2016, Bookit, C‑607/14, EU:C:2016:355, hierna: „arrest Bookit”, punt 32; zie eveneens mijn conclusie in de zaak A, C‑33/16, EU:C:2016:929, punt 30).


5      Bank-Verlag trad in deze context op als een tussenpersoon tussen de bank die de geldautomaat exploiteerde en de bank die de voor de geldopname gebruikte bankkaart had uitgegeven.


6      Hierna: „BBK”.


7      Overeenkomstig de door de Uniewetgever opgestelde definities in bijlage 1 bij richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35). Er is geen enkele reden waarom het begrip „betalingsdienst” voor de btw anders zou moeten worden opgevat en deze opvatting wordt waarschijnlijk gedeeld door de Duitse regering die van mening is dat betalingshandelingen „gekenmerkt worden door de overdracht van betaalmiddelen”.


8      Zie arrest van 5 juni 1997, SDC (C‑2/95, EU:C:1997:278, punt 50).


9      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 37).


10      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


11      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


12      Zie arrest Bookit (punt 46).


13      Zie arrest Bookit (punten 44‑51).


14      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punten 33, 34 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


15      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof eist derhalve niet dat de handelingen door een bepaald type instelling of rechtspersoon worden verricht.


17      Ik wijs er hier op dat er in de zaak die heeft geleid tot het arrest Bookit, weliswaar een afzonderlijke overeenkomst voor de verkoop van bioscoopkaartjes was – waarop de verwijzende rechter heeft gewezen –, maar dat het ontbreken van een dergelijke afzonderlijke overeenkomst in casu irrelevant is, aangezien het Hof in zijn oordeel in dat arrest geen rekening heeft gehouden met deze feitelijke omstandigheid.


18      Het Hof heeft in punt 42 van het arrest Bookit weliswaar aangegeven dat een dergelijke omstandigheid niet zonder meer de mogelijkheid uitsluit dat de dienst onder de betrokken vrijstelling valt. Uit dit punt van het arrest Bookit volgt echter ook dat het feit dat de betrokken dienstverrichter rechtstreeks zelf een rekening debiteert en/of crediteert, of boekingen in de rekeningen van een en dezelfde rekeninghouder verricht, het in beginsel mogelijk maakt aan te nemen dat aan deze voorwaarde is voldaan en te concluderen dat de betrokken dienst is vrijgesteld.


19      Het lezen van gegevens door Cardpoint en het verzenden ervan, alsmede het genereren van de datasets, zijn voorafgaande en noodzakelijke fasen voor de vrijgestelde dienst, aangezien zij tot een opname van contanten van een betalingsrekening leiden.


20      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


21      Arresten van 3 september 2015, Fast Bunkering Klaipėda (C‑526/13, EU:C:2015:536), en 4 mei 2017, A (C‑33/16, EU:C:2017:339).


22      Zie arrest van 25 juli 2018, DPAS (C‑5/17, EU:C:2018:592, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


23      Zie arrest Bookit (punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


24      In dit verband wijs ik erop dat deze richtlijn, op grond van artikel 2, lid 2, onder e), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66), niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die in de vorm van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die binnen een maand moeten worden afgelost.

ECLI:EU:C:2019:360

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 24 januari 2018 – Finanzamt Trier / Cardpoint GmbH, als rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH

(Zaak C-42/18)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker tot „Revision”: Finanzamt Trier

Verweerster in „Revision”: Cardpoint GmbH, als rechtsopvolgster van Moneybox Deutschland GmbH

Prejudiciële vraag

Zijn technische en administratieve handelingen in verband met de opname van contanten aan geldautomaten die een dienstverlener verricht voor een bank die geldautomaten exploiteert, vrijgesteld van belasting overeenkomstig artikel 13, B, onder d), punt 3, van richtlijn 77/388/EEG1 , terwijl volgens het arrest van het Hof van 26 mei 2016 in de zaak Bookit (EU:C:2016:355) vergelijkbare technische en administratieve handelingen die een dienstlener verricht in verband met kaartbetalingen in het kader van de verkoop van bioscoopkaartjes ingevolge deze bepaling niet van belasting zijn vrijgesteld?

____________

1 Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).