HvJ J-GmbH (Application sélective du taux réduit de TVA) arrest
Drie Duitse ondernemingen (J-GmbH, D en D GmbH & Co. KG) exploiteerden hotels en een pension waarbij zij de gasten kortstondige huisvesting aanboden, inclusief diverse nevenprestaties zoals ontbijt, parkeergelegenheid, wifi en wellnessfaciliteiten. De gasten betaalden voor het geheel een vaste totaalprijs, waarna de ondernemers het verlaagde btw-tarief van 7% toepasten op de volledige prestatie. De Duitse belastingdienst was het hier echter niet mee eens en stelde belastingaanslagen vast met correcties: op grond van de Duitse wetgeving werd het verlaagde tarief uitsluitend op de huisvesting toegepast, terwijl de nevenprestaties werden afgesplitst en belast tegen het normale btw-tarief van 19%.
In deze gevoegde zaken ging het om de vraag of een nationale regeling die verplicht tot de splitsing van belastbare handelingen, verenigbaar is met artikel 98 en bijlage III punt 12 van de Btw-richtlijn. De verwijzende rechter wees op mogelijke strijdigheid met eerdere rechtspraak van het HvJ, in het bijzonder het arrest Stadion Amsterdam (C-463/16), waaruit volgt dat één enkele economische prestatie tegen één uniform btw-tarief belast dient te worden. Daartegenover staat jurisprudentie, zoals in de arresten Commissie/Frankrijk (C-94/09) en The Escape Center (C-330/21), waaruit blijkt dat lidstaten het verlaagde tarief selectief mogen toepassen op specifieke aspecten van een dienstencategorie. De kernvraag was dan ook of de belastingdienst onzelfstandige nevenprestaties die niet rechtstreeks de huisvesting dienen, mocht uitsluiten van het verlaagde tarief, zelfs wanneer deze binnen een vaste totaalprijs vielen.
Het HvJ oordeelt dat de Btw-richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die dergelijke nevenprestaties (zoals ontbijt en wifi) uitsluit van het verlaagde btw-tarief, ook al worden deze vergoed tegen een vaste totaalprijs en vormen zij een nevenprestatie bij de kortstondige huisvesting. Het HvJ oordeelt dat de eenheidsregel uit het arrest Stadion Amsterdam enkel geldt wanneer een lidstaat géén gebruik heeft gemaakt van de beoordelingsvrijheid om het verlaagde tarief selectief toe te passen. Wanneer een lidstaat deze vrijheid wél benut, is het niet doorslaggevend of er vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument sprake is van één enkele handeling. Als voorwaarde geldt wel dat de splitsing is gebaseerd op concrete en specifieke aspecten van de dienstencategorie en dat het beginsel van fiscale neutraliteit (zie o.a. arrest Phantasialand, C-406/20) in acht wordt genomen, zodat afgesplitste hoteldiensten in concurrentie met zelfstandige aanbieders een gelijke btw-behandeling krijgen.
Artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III hierbij
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt, van de werkingssfeer van het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde dat op dergelijke huisvesting van toepassing is kunnen worden uitgesloten, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht, mits deze regeling voorziet in de toepassing van het verlaagde tarief op concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten in verband met accommodatie, en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen.
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Artikel 98 – Mogelijkheid voor de lidstaten om een verlaagd btw-tarief toe te passen op bepaalde leveringen van goederen en dienstverrichtingen – Kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen – Bijlage III, punt 12 – Verlaagd btw-tarief dat van toepassing is op accommodatie die wordt verstrekt door hotels en soortgelijke inrichtingen – Nevenprestaties bij de huisvesting – Nationale regeling die voorziet in een mechanisme van splitsing van de belastbare handelingen – Geen toepassing van het verlaagde btw-tarief op diensten die niet rechtstreeks de huisvesting dienen – Beginsel van fiscale neutraliteit ”
In de gevoegde zaken C‑409/24 tot en met C‑411/24
betreffende drie verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) bij beslissingen van 10 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 12 juni 2024, in de procedures
J-GmbH
tegen
Finanzamt K (C‑409/24),
en
D
tegen
Finanzamt F (C‑410/24),
en
D GmbH & Co. KG
tegen
Finanzamt A (C‑411/24),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi, N. Jääskinen, R. Frendo en A. Kornezov (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: T. Ćapeta,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Behre en M. Herold als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) (hierna: „btw-richtlijn”), en van bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn.
2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen tussen, in zaak C‑409/24, J-GmbH en het Finanzamt K (belastingdienst K, Duitsland), in zaak C‑410/24, D en het Finanzamt F (belastingdienst F, Duitsland) en, in zaak C‑411/24, D GmbH & Co. KG en het Finanzamt A (belastingdienst A, Duitsland) over de vaststelling van het normale of het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) dat van toepassing is op prestaties die door hotels en soortgelijke inrichtingen worden geleverd bij een kortstondige huisvesting.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn is het volgende bepaald:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
[…]c) de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.
4 Artikel 24, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
„Als ‚dienst’ wordt beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is.”
5 Artikel 96 van de btw-richtlijn bepaalt:
„De lidstaten passen een normaal btw-tarief toe, dat door elke lidstaat wordt vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing, dat voor goederenleveringen en voor diensten gelijk is.”
6 In artikel 98, lid 1, eerste alinea, en lid 2, eerste alinea, is het volgende bepaald:
„1. De lidstaten kunnen een of twee verlaagde tarieven toepassen.
2. De verlaagde tarieven zijn uitsluitend van toepassing op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren.”
7 Bijlage III bij de btw-richtlijn, waarin de lijst is opgenomen van de goederenleveringen en de diensten waarop de in artikel 98 van deze richtlijn bedoelde verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast, vermeldt in punt 12:
„door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken”.
Duits recht
8 § 1, lid 1, punt 1, van het Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting) van 21 februari 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 386), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „UStG”), bepaalt:
„De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen:
1. de leveringen en overige diensten die een ondernemer in het kader van zijn bedrijf op het nationale grondgebied onder bezwarende titel verricht. […]”
9 § 12 UStG bepaalt:
„(1) De belasting bedraagt 19 % van de maatstaf van heffing voor alle belastbare handelingen […].
(2) De belasting bedraagt 7 % voor de volgende handelingen:
[…]11. de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, evenals de kortstondige verhuur van percelen op kampeerterreinen. De eerste volzin geldt niet voor diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen, ook wanneer deze diensten samen met de prijs voor de verhuur worden betaald”.
10 Afdeling 12.16, lid 4, van de Umsatzsteuer-Anwendungserlass (instructie betreffende de toepassing van de btw) van 1 oktober 2010 (BStBl. 2010 I, blz. 846; hierna: „UStAE”), bepaalt dat de volgende diensten samen met de verstrekte accommodatie onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief: terbeschikkingstelling van gemeubileerde kamers die zijn uitgerust met andere voorzieningen (bijvoorbeeld televisie, radio, telefoon, kluisje); aansluiting op het elektriciteitsnet; terbeschikkingstelling van beddengoed, handdoeken en badjassen; schoonmaak van de gehuurde kamers; terbeschikkingstelling van toiletartikelen en schoenpoets- en naaigerei; telefonische wekdienst; terbeschikkingstelling van een schoenpoetsautomaat; onderbrenging van dieren in de gehuurde woon- en slaapruimten.
11 Afdeling 12.16, lid 5, UStAE bevat een niet-uitputtende lijst van diensten waarvoor het verlaagd btw-tarief niet geldt, ook niet wanneer het gaat om nevenprestaties bij kortstondige huisvesting als bedoeld in § 12, lid 2, punt 11, UStG. Op deze lijst staan de volgende diensten vermeld: terbeschikkingstelling van vergaderruimten; terbeschikkingstelling van ruimten voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; afzonderlijk overeengekomen terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen voor voertuigen; terbeschikkingstelling van mobilhomes, caravans, woonwagens, woonboten en jachten die niet vast zijn opgesteld of aangemeerd; vervoer in slaaprijtuigen van de spoorwegen; terbeschikkingstelling van hutten op schepen die voor vervoer worden gebruikt; bemiddeling bij het verstrekken van accommodatie; activiteiten van dierenpensions; gratis verleende voordelen (bijvoorbeeld eigen gebruik van vakantieappartementen).
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑409/24
12 J, een Duitse onderneming, exploiteerde een hotel en een restaurant met een parkeerterrein dat de gasten konden gebruiken zonder dat J daarvoor een vergoeding inde boven op die welke zij ontving voor de huisvesting.
13 In de huisvesting was naast de overnachting ook een ontbijt inbegrepen. De gasten konden evenwel van het ontbijt afzien, in welk geval de prijs van het ontbijt werd afgetrokken van het in rekening gebrachte totaalbedrag.
14 J ging ervan uit dat de overnachting, het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen één enkele prestatie vormde en paste dan ook het verlaagde btw-tarief van 7 % toe op het geheel van deze prestatie.
15 Na twee controles door belastingdienst K betreffende met name de periode van juni 2018 tot mei 2019, heeft deze laatste twee belastingaanslagen vastgesteld waarbij in essentie werd geoordeeld dat het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen krachtens § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG moesten worden losgekoppeld van de huisvesting en dienden te worden belast tegen het normale tarief van 19 %.
16 J heeft tegen deze aanslagen bezwaren ingediend, die bij besluit van 26 februari 2020 door belastingdienst K zijn verworpen.
17 Deze onderneming heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij het Sächsische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Saksen, Duitsland). Bij vonnis van 23 september 2020 heeft die rechter dat beroep verworpen op grond dat, in essentie, het ontbijt en de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen geen nevenprestaties zijn bij de huisvesting maar zelfstandige prestaties. Volgens deze rechter heeft belastingdienst K die prestaties, gesteld al dat zij kunnen worden aangemerkt als nevenprestaties bij de huisvesting, terecht daarvan losgekoppeld zoals het toepasselijke nationale recht vereist.
18 J heeft daarom tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland), de verwijzende rechter.
19 Deze rechter meent dat het Sächsische Finanzgericht terecht heeft geoordeeld dat het ontbijt – waarvan de gasten konden afzien, in welk geval de prijs daarvan werd afgetrokken van de prijs voor de huisvesting – een zelfstandige prestatie vormde die derhalve moest worden onderworpen aan het normale btw-tarief.
20 Wat daarentegen de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen betreft, preciseert de verwijzende rechter dat deze een nevenprestatie bij de kortstondige huisvesting vormt aangezien de totaalprijs die de klanten betaalden niet varieerde naargelang zij al dan niet gebruikmaakten van het parkeerterrein van het hotel. Desalniettemin moest de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, aangezien deze niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting diende, krachtens § 12 lid 2, punt 11, tweede volzin UStG, worden losgekoppeld van die huisvesting die de hoofdprestatie vormde en mocht het verlaagde btw-tarief daar bijgevolg niet op worden toegepast.
21 Wat dit betreft, meent de verwijzende rechter dat de btw-richtlijn niet in de weg staat aan het door § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG opgelegde vereiste om prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan los te koppelen, aangezien deze richtlijn, zoals zij door het Hof wordt uitgelegd, de lidstaten in beginsel toestaat om het verlaagde btw-tarief binnen de in bijlage III bij die richtlijn genoemde categorieën goederenleveringen en diensten selectief toe te passen, zolang het beginsel van fiscale neutraliteit wordt nageleefd.
22 Volgens deze rechter volgt uit de arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253); 22 september 2022, The Escape Center (C‑330/21, EU:C:2022:719), en 8 februari 2024, Valentina Heights (C‑733/22, EU:C:2024:126), dat artikel 98 van de btw-richtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om de concrete en specifieke aspecten van de in deze bijlage III genoemde categorieën van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen en het verlaagde btw-tarief slechts daarop toe te passen, mits zij het beginsel van fiscale neutraliteit in acht nemen.
23 In het licht van de arresten van het Hof van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), betwijfelt de verwijzende rechter evenwel of het mechanisme van splitsing van de belastbare handelingen waarin § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voorziet, verenigbaar is met de vereisten van de btw-richtlijn. Hij preciseert in dat verband dat volgens een deel van de Duitse rechtsliteratuur nevenprestaties wat de btw betreft fiscaal op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de hoofdprestatie, zodat nevenprestaties niet kunnen worden losgekoppeld van de hoofdprestatie.
24 Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten – in casu (enkel) de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen – gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?”
Zaak C‑410/24
25 D exploiteerde in 2013 een pension. Zij bood haar gasten uitsluitend overnachtingen inclusief ontbijt aan tegen een vaste totaalprijs, ongeacht of de gasten er al dan niet voor kozen om ontbijt te nemen. Op de facturen werd deze prijs vermeld als zijnde inclusief belastingen.
26 In haar btw-aangifte voor 2013 heeft D zowel handelingen tegen het verlaagd btw-tarief van 7 % als handelingen tegen het normale tarief van 19 % aangegeven.
27 Op 19 december 2018 heeft D, verwijzend naar het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), de belastingdienst F verzocht om wijziging van het bedrag van de btw dat overeenkomstig deze aangifte was vastgesteld. Meer bepaald heeft D gevraagd dat alle diensten die zij had geleverd in het kader van de kortstondige huisvesting zouden worden belast tegen het verlaagde btw-tarief van 7 %, aangezien volgens haar in essentie uit dat arrest volgde dat één enkele prestatie tegen een eenvormig tarief moet worden belast.
28 Bij besluit van 8 februari 2019 heeft belastingdienst F dit verzoek afgewezen.
29 D heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij het Hessische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Hessen, Duitsland). Deze rechter heeft dit beroep afgewezen op grond dat, in essentie, het ontbijt dat D aanbood niet onderworpen was aan het verlaagde btw-tarief maar aan het normale tarief, aangezien het verlaagde tarief waarin § 12, lid 2, punt 11, eerste volzin, UStG voorziet slechts van toepassing is op kortstondige huisvesting, en dat de tweede volzin van deze bepaling vereist dat prestaties die niet rechtstreeks die huisvesting dienen daarvan worden losgekoppeld. Het feit dat in de betrokken zaak een vaste prijs was overeengekomen, deed daar volgens die rechter niet aan af.
30 D heeft tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof, ook in deze zaak de verwijzende rechter, waarbij zij in essentie betoogde dat het ontbijt een nevenprestatie was bij de kortstondige huisvesting aangezien in de vaste totaalprijs in beginsel ontbijt inbegrepen was, ongeacht of de gasten er al dan niet voor kozen om ontbijt te nemen.
31 De verwijzende rechter wijst erop dat in deze zaak, anders dan in zaak C‑409/24, het ontbijt een nevenprestatie was bij de kortstondige huisvesting aangezien de vaste totaalprijs die de gasten betaalden, behoudens een enkele uitzondering, niet varieerde naargelang zij al dan niet ontbijt namen. Desalniettemin vereist de inachtneming van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG, en van het beginsel van fiscale neutraliteit, dat het ontbijt wordt losgekoppeld van de kortstondige huisvesting en onderworpen aan het normale btw-tarief, ook al is het een nevenprestatie bij die huisvesting.
32 In die omstandigheden, en om dezelfde redenen als die welke in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, betwijfelt de verwijzende rechter of het vereiste van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG, volgens hetwelk prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan moeten worden losgekoppeld, in overeenstemming is met het Unierecht.
33 Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten – in casu ontbijtdiensten – gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?”
Zaak C‑411/24
34 In 2011 exploiteerde D, een Duitse onderneming, twee hotels die beschikken over een parkeerterrein en een lokaal draadloos netwerk (WLAN) (hierna: „wifi-netwerk”). Een van beide hotels beschikte daarnaast nog over fitness- en wellnessfaciliteiten. De gasten in deze hotels konden van deze faciliteiten gebruikmaken zonder dat dit afzonderlijk werd aangerekend.
35 D heeft bij belastingdienst A een btw-aangifte voor 2011 ingediend waarin zij ervan is uitgegaan dat diensten die zonder bijkomende kosten aan de hotelgasten werden aangeboden als nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting moesten worden onderworpen aan het verlaagde btw-tarief.
36 Belastingdienst A heeft deze zienswijze niet gevolgd en heeft een controle ter plaatse verricht, waarna deze belastingdienst bij besluit van 30 juli 2019 in essentie heeft vastgesteld dat de terbeschikkingstelling van respectievelijk een wifi-netwerk, parkeerplaatsen, en fitness- en wellnessfaciliteiten, handelingen uitmaakten die onderworpen waren aan het normale btw-tarief van 19 %.
37 D heeft tegen dit besluit beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Finanzgericht. Deze rechter heeft het beroep afgewezen op grond dat, in essentie, de in het vorige punt genoemde diensten onder bezwarende titel verrichte diensten waren in de zin van § 1, lid 1, punt 1, UStG, die overeenkomstig § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG niet konden worden onderworpen aan het verlaagde btw-tarief.
38 D heeft tegen dit vonnis beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof, ook in deze zaak de verwijzende rechter.
39 De verwijzende rechter meent in de eerste plaats dat het Finanzgericht terecht heeft geoordeeld dat D de betrokken diensten onder bezwarende titel had verricht. Het feit dat zij daarvoor geen vergoeding inde die losstond van de vergoeding voor de kortstondige huisvesting betekende volgens hem niet dat die diensten gratis waren verricht.
40 In de tweede plaats is deze rechter van oordeel dat de terbeschikkingstelling van respectievelijk een wifi-netwerk, parkeerplaatsen en fitness- en wellnessfaciliteiten, nevenprestaties waren bij de hoofdprestatie, namelijk de kortstondige huisvesting, en samen daarmee één enkele prestatie vormden.
41 Derhalve heeft deze rechter dezelfde twijfels als die welke in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet over de overeenstemming met het Unierecht van het vereiste van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG volgens hetwelk prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen daarvan moeten worden losgekoppeld.
42 Daarop heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van [de btw-richtlijn] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, [UStG], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten – in casu de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten alsook het draadloze lokale netwerk van het hotel (WLAN) – gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?”
Procedure bij het Hof
43 Bij beschikking van de president van het Hof van 15 juli 2024 zijn de zaken C‑409/24, C‑410/24 en C‑411/24 gevoegd voor de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
44 Met zijn vragen in elk van de drie gevoegde zaken, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt (hierna: „in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties”), van de werkingssfeer van het verlaagde btw-tarief kunnen worden uitgesloten dat op dergelijke huisvesting van toepassing is, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht.
45 Vooraf moet worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de prejudiciële vragen zijn gebaseerd op de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties, omdat zij nevenprestaties zijn bij de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn bedoelde accommodatie, binnen de werkingssfeer van deze laatste bepaling vallen, gelezen in samenhang met artikel 98 van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten een verlaagd btw-tarief mogen toepassen op „door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie-accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken”.
46 Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat prestaties die een nevenprestatie zijn bij een hoofdprestatie die onderworpen is aan een verlaagd btw-tarief, om die reden ook aan dat verlaagde tarief mogen worden onderworpen (zie in die zin arrest van 22 september 2022, The Escape Center, C‑330/21, EU:C:2022:719, punt 41).
47 Wat betreft de vraag of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties nevenprestaties zijn bij de in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen vaststelt, zij eraan herinnerd dat de nationale rechter volgens vaste rechtspraak vragen over de uitlegging van het Unierecht stelt binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en juridische kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Kreissparkasse Saarlouis, C‑66/19, EU:C:2020:242, punt 30).
48 Hoewel er voor de beantwoording van de prejudiciële vragen dus moet worden uitgegaan van de premisse dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties nevenprestaties zijn bij in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, zij er desalniettemin aan herinnerd dat er sprake is van „één enkele prestatie” wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert aan of verricht ten behoeve van een als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één niet te splitsen economische prestatie vormen zodat het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. Dat is ook het geval wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, waarbij een prestatie als bijkomend bij de hoofdprestatie moet worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om optimaal gebruik te kunnen maken van de hoofdprestatie (arrest van 22 september 2022, The Escape Center, C‑330/21, EU:C:2022:719, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Tegen deze achtergrond moet met betrekking tot de in de onderhavige zaken gestelde vraag of een lidstaat niettemin kan beslissen dat alleen de hoofdprestatie van één enkele, uit een hoofdprestatie en nevenprestaties bestaande handeling aan een verlaagd btw-tarief wordt onderworpen, worden opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 96 van de btw-richtlijn een normaal btw-tarief moeten toepassen dat voor goederenleveringen en voor diensten gelijk is.
50 In afwijking van dit beginsel biedt artikel 98, lid 1, van deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om een of twee verlaagde btw-tarieven toe te toepassen. Volgens artikel 98, lid 2, eerste alinea, van de btw-richtlijn mogen de verlaagde btw-tarieven uitsluitend worden toegepast op de goederenleveringen en de diensten die tot de in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorieën behoren.
51 Wat dit betreft volgt uit vaste rechtspraak dat een lidstaat die gebruikmaakt van de door artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn geboden mogelijkheid om een verlaagd btw-tarief toe te passen op een in bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten, de toepassing van dit verlaagde btw-tarief kan beperken tot concrete en specifieke aspecten van deze categorie, mits die lidstaat het aan het gemeenschappelijke btw-stelsel inherente beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigt (zie in die zin arresten 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punt 28, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C‑145/18, EU:C:2019:668, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Deze mogelijkheid vindt met name haar rechtvaardiging in de overweging dat, aangezien dit tarief de uitzondering vormt op de toepassing van het door elke lidstaat vastgestelde normale btw-tarief, de beperking van de toepassing ervan tot concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten in overeenstemming is met het beginsel dat uitzonderingen of afwijkingen strikt moeten worden uitgelegd (arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punt 29, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C‑145/18, EU:C:2019:668, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Van de mogelijkheid tot selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief kan evenwel slechts worden gebruikgemaakt indien voldaan is aan de tweevoudige voorwaarde dat ten eerste voor de toepassing van het verlaagde tarief enkel concrete en specifieke aspecten van de betreffende categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking worden genomen, en dat ten tweede het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen (arrest van 8 februari 2024, Valentina Heights, C‑733/22, EU:C:2024:126, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze voorwaarden beogen te waarborgen dat de lidstaten alleen van deze mogelijkheid gebruikmaken in omstandigheden die de juiste en correcte toepassing van het gekozen verlaagde btw-tarief waarborgen en elke vorm van fraude, ontwijking en misbruik voorkomen (arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punt 30, en 5 september 2019, Regards Photographiques, C‑145/18, EU:C:2019:668, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Wat de eerste in het vorige punt van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde betreft, moet in casu worden nagegaan of de prestaties in verband met in hotels en soortgelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, waarvoor de Duitse regeling voorziet in de toepassing van een verlaagd btw-tarief, concrete en specifieke aspecten vormen van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten. Te dien einde moet worden onderzocht of het gaat om prestaties die als zodanig kunnen worden geïdentificeerd los van de overige prestaties van deze categorie (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punt 35, en 8 februari 2024, Valentina Heights, C‑733/22, EU:C:2024:126, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijke identificatie vooronderstelt dat in de nationale regeling objectieve, duidelijke en nauwkeurige criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan nauwkeurig kan worden bepaald op welke prestaties volgens deze regeling het verlaagde btw-tarief kan worden toegepast (zie in die zin arrest van 5 september 2019, Regards Photographiques, C‑145/18, EU:C:2019:668, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt uit de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissingen dat de Bondsrepubliek Duitsland, gebruikmakend van de haar krachtens artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, op basis van objectieve, duidelijke en nauwkeurige criteria heeft vastgesteld op welke concrete en specifieke diensten van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten het verlaagde btw-tarief van toepassing is.
56 Uit die aanwijzingen blijkt namelijk dat overeenkomstig § 12, lid 2, punt 11, UStG, dat is vastgesteld ter omzetting van artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, een verlaagd btw-tarief van 7 % van toepassing is op de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt en op de kortstondige verhuur van percelen op kampeerterreinen, met uitzondering van diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen, ook wanneer deze samen met de prijs voor de verhuur worden betaald.
57 Voorts blijkt daaruit dat in afdeling 12.16, lid 4, UStAE is bepaald welke diensten rechtstreeks verband houden met de kortstondige huisvesting en bijgevolg zijn onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 7 %, namelijk: terbeschikkingstelling van gemeubileerde kamers die zijn uitgerust met andere voorzieningen (bijvoorbeeld televisie, radio, telefoon, kluisje); aansluiting op het elektriciteitsnet; terbeschikkingstelling van beddengoed, handdoeken en badjassen; schoonmaak van de gehuurde kamers; terbeschikkingstelling van toiletartikelen en schoenpoets- en naaigerei; telefonische wekdienst; terbeschikkingstelling van een schoenpoetsautomaat, en onderbrenging van dieren in de gehuurde woon- en slaapruimten.
58 Afdeling 12.16, lid 5, UStAE blijkt daarnaast een niet-uitputtende opsomming te bevatten van de prestaties waarop het verlaagde btw-tarief van 7 % niet kan worden toegepast, zoals: terbeschikkingstelling van vergaderruimten; terbeschikkingstelling van ruimten voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; afzonderlijk overeengekomen terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen voor voertuigen; terbeschikkingstelling van niet vast opgestelde of aangemeerde mobilhomes, caravans, woonwagens, woonboten en jachten; vervoer in slaaprijtuigen van de spoorwegen; terbeschikkingstelling van hutten op schepen die voor vervoer worden gebruikt; bemiddeling bij het verstrekken van accommodatie; activiteiten van dierenpensions; gratis verleende voordelen (bijvoorbeeld eigen gebruik van vakantieappartementen).
59 Dergelijke gegevens maken het dus mogelijk de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, die aan het verlaagde btw-tarief zijn onderworpen, als zodanig te identificeren en te onderscheiden van andere prestaties in het kader van accommodatie die onder punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn vallen en die aan het normale btw-tarief zijn onderworpen. Die identificatie lijkt dan ook, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om het nationale recht uit te leggen, te voldoen aan de in punt 54 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten, zodat onder dit voorbehoud is voldaan aan de eerste voorwaarde, namelijk dat concrete en specifieke aspecten van de betreffende categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
60 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde prestaties, waarvan de prijzen inbegrepen zijn in een vaste totaalprijs voor de kortstondige huisvesting, in de ogen van de klanten nevenprestaties zijn bij die huisvesting.
61 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat wanneer een lidstaat met inachtneming van het beginsel van fiscale neutraliteit gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid en concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking heeft genomen, niet hoeft te worden onderzocht of de aldus afzonderlijk in aanmerking genomen prestaties en de nevenprestaties daarbij uit het oogpunt van de gemiddelde consument moeten worden beschouwd als één enkele handeling, aangezien die laatste omstandigheid niet van doorslaggevend belang is voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief op basis van algemene en objectieve criteria (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punten 33 en 34).
62 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de arresten van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), waaraan de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen refereert.
63 Het Hof heeft weliswaar in punt 36 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), geoordeeld dat één enkele prestatie moet worden belast tegen het enkele btw-tarief dat voor die prestatie geldt en dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement ervan, maar in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had de betrokken lidstaat geen gebruik gemaakt van de bij de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid om concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen met het oog op de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In die omstandigheden was het Hof van oordeel dat moest worden onderzocht of de in die zaak aan de orde zijnde prestaties uit het oogpunt van de gemiddelde consument één enkele prestatie vormden wanneer geen gebruik was gemaakt van deze beoordelingsvrijheid.
64 Bovendien heeft het Hof in punt 34 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), in herinnering gebracht dat, om te bepalen of de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief in overeenstemming is met artikel 96 en artikel 99, lid 1, van de btw-richtlijn, de vraag of een handeling die uit meerdere elementen bestaat, moet worden beschouwd als één enkele prestatie, niet van doorslaggevend belang was voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In punt 35 van dat arrest heeft het Hof tevens benadrukt dat de vraag die aan het Hof was gesteld, namelijk of één enkele prestatie die uit twee afzonderlijke elementen bestaat, waarvan het ene het hoofdelement en het andere het bijkomende element vormt, moet worden onderworpen aan het enkele btw-tarief dat voor het hoofdelement geldt, een ander probleem was dan dat van de omvang van die beoordelingsvrijheid, dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253).
65 In dat opzicht is er geen tegenstrijdigheid tussen het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253), die betrekking hebben op twee verschillende hypothesen. In de eerste hypothese gaat het over de vraag of nevenprestaties bij een hoofdprestatie moeten worden onderworpen aan het normale btw-tarief dat op deze hoofdprestatie van toepassing is wanneer de betrokken lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, die hem de mogelijkheid biedt om concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen. In de tweede hypothese gaat het over een situatie waarin de betrokken lidstaat van deze beoordelingsvrijheid gebruik heeft gemaakt.
66 Wat betreft de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), volstaat het op te merken dat deze, anders dan de onderhavige zaken, niet ging over de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief op een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, maar over de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder l), en artikel 135, lid 2, eerste alinea, onder c), van deze richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de vrijgestelde verhuur en verpachting van onroerende goederen en op de handelingen die van deze vrijstelling zijn uitgesloten. In die zaak diende het Hof zich dus uit te spreken over de btw-vrijstellingen en de uitzonderingen daarop, zoals voorzien in de btw-richtlijn zelf, en niet, zoals in de onderhavige zaken, over de omvang van de door deze richtlijn aan de lidstaten verleende beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief.
67 Wat betreft de tweede voorwaarde die in punt 53 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, die in essentie inhoudt dat een lidstaat die ervoor kiest het verlaagde btw-tarief selectief toe te passen op bepaalde concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, het beginsel van fiscale neutraliteit in acht moet nemen, zij erop gewezen dat dit beginsel eraan in de weg staat dat soortgelijke goederen of diensten, die met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de btw verschillend worden behandeld (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C‑406/20, EU:C:2021:720, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Om uit te maken of goederen of diensten soortgelijk zijn, moet volgens vaste rechtspraak voornamelijk rekening worden gehouden met het oogpunt van de gemiddelde consument. Goederenleveringen en diensten zijn soortgelijk wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen – waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is – en wanneer de verschillen die zij vertonen de beslissing van de gemiddelde consument om het ene of het andere goed dan wel de ene of de andere dienst te betrekken niet aanmerkelijk beïnvloeden (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C‑406/20, EU:C:2021:720, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 Met andere woorden, onderzocht moet worden of de betrokken goederen of diensten zich uit het oogpunt van de gemiddelde consument in een substitutierelatie bevinden. In dat geval kan de toepassing van verschillende btw-tarieven immers van invloed zijn op de keuze van de consument, hetgeen bijgevolg een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit zou opleveren (arrest van 9 september 2021, Phantasialand, C‑406/20, EU:C:2021:720, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Bovendien zij eraan herinnerd dat de werkingssfeer van een verlaagd btw-tarief bij ontbreken van een ondubbelzinnige bepaling immers niet op grond van dit beginsel kan worden uitgebreid (arrest van 9 maart 2017, Oxycure Belgium, C‑573/15, EU:C:2017:189, punt 31).
71 Bijgevolg staat het bij het onderzoek van de tweede in punt 53 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde aan de verwijzende rechter om na te gaan of diensten als die welke in de hoofdgedingen aan de orde zijn, namelijk ontbijt en/of de terbeschikkingstelling van en toegang tot parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken die een hotel of een soortgelijke inrichting aanbiedt bij accommodatie die wordt verstrekt, afzonderlijk beschouwd in de ogen van die gemiddelde consument vergelijkbaar zijn met diensten die autonoom door een andere marktdeelnemer worden aangeboden, zodat zij zich in een substitutierelatie bevinden.
72 In geval van een dergelijke substitutierelatie zou het feit dat het verlaagde btw-tarief van 7 % niet selectief wordt toegepast op het ontbijt en/of de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken, en dat deze diensten aan een normaal btw-tarief worden onderworpen, hoewel zij nevenprestaties zijn bij de kortstondige huisvesting en inbegrepen zijn in een vaste totaalprijs, geen afbreuk doen aan het beginsel van fiscale neutraliteit, mits deze diensten, die autonoom door een andere marktdeelnemer worden aangeboden, eveneens aan het normale btw-tarief worden onderworpen.
73 Wat dit betreft is de verwijzende rechter van oordeel dat het uit § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voortvloeiende splitsingsvereiste niet in strijd is met het beginsel van fiscale neutraliteit, aangezien het tot gevolg heeft dat eenzelfde prestatie tegen hetzelfde tarief wordt belast, ook wanneer deze een nevenprestatie is bij de kortstondige huisvesting. Volgens deze rechter kan een hotel, om het beginsel van fiscale neutraliteit in acht te nemen bijvoorbeeld geen ontbijt aanbieden en/of parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten en wifi-netwerken ter beschikking stellen tegen een tarief dat gunstiger is dan het tarief voor dezelfde diensten die in de onmiddellijke nabijheid worden aangeboden door een andere marktdeelnemer, zoals een restaurateur of een exploitant van een parkeergarage of een sauna.
74 In die omstandigheden en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties met betrekking tot de in de punten 71 en 72 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen, moet worden geoordeeld dat een nationale regeling die, hoewel zij concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten aanwijst waarop een verlaagd btw-tarief kan worden toegepast, de mogelijkheid biedt om diensten die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting dienen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, daarvan los te koppelen en op deze diensten het normale btw-tarief van 19 % toe te passen, ook al gaat het om nevenprestaties bij die huisvesting, niet onverenigbaar lijkt te zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit.
75 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 98, leden 1 en 2, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met bijlage III, punt 12, bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt, van de werkingssfeer van het verlaagde btw-tarief dat op dergelijke huisvesting van toepassing is kunnen worden uitgesloten, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht, mits deze regeling voorziet in de toepassing van het verlaagde tarief op concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten in verband met accommodatie, en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen.
Kosten
76 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III hierbij
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan prestaties die niet rechtstreeks de kortstondige huisvesting in hotels en soortgelijke inrichtingen dienen, zoals de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness- en wellnessfaciliteiten, toegang tot het wifi-netwerk van het hotel en een ontbijt, van de werkingssfeer van het verlaagde tarief van de belasting over de toegevoegde waarde dat op dergelijke huisvesting van toepassing is kunnen worden uitgesloten, ook al kunnen zij als nevenprestaties bij die huisvesting worden beschouwd omdat zij worden vergoed tegen een vaste totaalprijs die wordt betaald voor alle prestaties die in het kader van die huisvesting worden verricht, mits deze regeling voorziet in de toepassing van het verlaagde tarief op concrete en specifieke aspecten van de in punt 12 van bijlage III bij die richtlijn genoemde categorie van diensten in verband met accommodatie, en het beginsel van fiscale neutraliteit in acht wordt genomen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
T. ĆAPETA
van 25 september 2025 (1)
Gevoegde zaken C‑409/24–C‑411/24
J‑GmbH
tegen
Finanzamt K (C‑409/24)
en
D
tegen
Finanzamt F (C‑410/24)
en
D GmbH & Co. KG
tegen
Finanzamt A (C‑411/24)
[verzoek van het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]„ Prejudiciële verwijzing – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Richtlijn 2006/112/EG – Door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie – Verlaagd btw‑tarief – Nevenprestaties bij het verstrekken van accommodatie ”
I. Inleiding
1. Moeten ontbijt of andere nevenprestaties die worden geleverd door hotels en dergelijke inrichtingen die kortdurende accommodatie verstrekken, afzonderlijk worden belast van de verstrekking van accommodatie, of kunnen zij, als nevenprestaties, tegen hetzelfde, lagere tarief worden belast als de hoofdprestatie?
2. Dat is in wezen waar het om gaat in de drie gevoegde verzoeken om een prejudiciële beslissing die zijn ingediend bij het Hof door de Elfde kamer van het Bundesfinanzhof (hoogste federale rechter in belastingzaken, Duitsland).
II. Achtergrond van de hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
3. In die drie zaken, naar aanleiding waarvan drie verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn ingediend, rijst de vraag of § 12, lid 2, punt 11, van het Duitse Umsatzsteuergesetz (wet op de omzetbelasting; hierna: „UStG”)(2) verenigbaar is met richtlijn 2006/112/EG.(3)
4. Met deze bepaling heeft de Duitse wetgever een verlaagd belastingtarief vastgesteld, in de zin van artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn, voor diensten die zijn opgenomen in bijlage III bij die richtlijn, in het bijzonder voor de diensten die vermeld staan in punt 12 van die bijlage.
5. De eerste volzin van § 12, lid 2, punt 11, UStG stelt een verlaagd belastingtarief vast voor het verstrekken van kortdurende accommodatie en kampeerterreinen. De tweede volzin beperkt echter de toepassing van dat verlaagde tarief tot het verstrekken van accommodatie met het oog op verhuur. § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG bepaalt dat „[d]e eerste volzin […] niet geldt voor diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen, ook wanneer deze diensten samen met de prijs voor de verhuur worden betaald”.
6. Het Bundesfinanzhof wenst in essentie te vernemen of de btw‑richtlijn in de weg staat aan een nationale bepaling die de toepassing van het verlaagde tarief voor kortdurende accommodatie beperkt tot de hoofdprestatie en uitsluit dat onzelfstandige nevenprestaties dat verlaagde tarief genieten.
7. De feiten in de drie procedures die aanleiding hebben gegeven tot de huidige zaken, zijn als volgt.
Zaak C‑409/24
8. J‑GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, exploiteerde een hotel en restaurant. Naast accommodatie konden hotelgasten ook ontbijt krijgen dat apart in rekening werd gebracht voor 4,50 EUR indien een gast alleen voor overnachting koos. Bovendien beschikten het hotel en het restaurant over een eigen parking, waarvan gratis gebruik kon worden gemaakt.
9. Sinds juni 2018 heeft verzoekster in het hoofdgeding op de overnachting, het ontbijt en de parkeerplaats als één enkele prestatie het verlaagde btw‑tarief van 7 % toegepast.
10. Na twee controles ter plaatse bij verzoekster met betrekking tot het tijdvak april tot en met juni 2018 en het tijdvak juli 2018 tot en met mei 2019 kwamen de belastingcontroleurs en het Finanzamt K (belastingdienst K, Duitsland) tot de conclusie dat op het ontbijt en de parkeerplaats het standaard btw‑tarief van 19 % diende te worden toegepast, omdat het volgens hen ging om afzonderlijke, zelfstandige diensten die geen nevenprestaties vormen bij de accommodatie. Die vaststelling leidde tot hogere belastingaanslagen voor het hotel.
11. Het beroep dat J‑GmbH hiertegen instelde bij het Sächsische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Saksen, Duitsland), werd verworpen. Die rechter deelde het standpunt van de belastingdienst K dat een ontbijt en een parkeerplaats zelfstandige prestaties zijn. Zelfs indien zij als nevenprestaties dienden te worden aangemerkt, konden zij nog steeds niet in aanmerking komen voor de verlaagde belasting overeenkomstig § 12, lid 2, punt 11, UStG.
12. J‑GmbH heeft vervolgens beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof en betoogd dat de betrokken nationale regeling die de splitsing van handelingen voor belastingdoeleinden voorschrijft, in strijd is met het Unierecht. Verzoekster in het hoofdgeding is van mening dat het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam(4), kunstmatige splitsing in hoofd‑ en nevenprestaties verbiedt, en blijft derhalve bij haar standpunt dat ontbijt en parkeren tegen het verlaagde tarief van 7 % moeten worden belast.
13. De belastingdienst K heeft zijn standpunt gehandhaafd en aangevoerd dat ontbijt en parkeren zelfstandige diensten zijn en dat het door de hoteleigenaar aangehaalde arrest van het Hof in casu niet van toepassing is. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de belastingdienst K naar een ander arrest van het Hof verwezen, namelijk het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk(5), waarin volgens hem werd erkend dat nationale splitsingsvoorschriften toegelaten zijn.
14. De behandeling van de zaak werd geschorst in afwachting van een arrest van het Hof in de zaak Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines). Na het arrest van het Hof in die zaak van 4 mei 2023(6) was J‑GmbH van mening dat haar standpunt was bevestigd, aangezien het Hof de kunstmatige splitsing van afzonderlijke prestaties heeft afgewezen. De belastingdienst K stelt echter dat het arrest Finanzamt X niet relevant is en dat zijn uitlegging van het nationale recht, die de splitsing van diensten toestaat, nog steeds geldig is onder het Unierecht.
15. Hoewel het Bundesfinanzhof het eens is met het Sächsische Finanzgericht dat ontbijt een zelfstandige prestatie vormt die uitgesloten is van het voordeel van het verlaagde tarief waarin § 12, lid 2, punt 11, UStG voorziet, is de verwijzende rechter niettemin van oordeel dat het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen een nevenprestatie is bij het verstrekken van accommodatie, aangezien de eerste prestatie onlosmakelijk verbonden is met de tweede.
Zaak C‑410/24
16. In 2013 exploiteerde D, verzoekster in het hoofdgeding, een pension en bood gasten overnachting inclusief ontbijt aan tegen een vaste totaalprijs. De gasten konden het ontbijt niet afbestellen. Verzoekster stelde facturen op voor de geleverde diensten waarop brutobedragen voor de overnachting inclusief ontbijt waren aangegeven. Belastingtarieven of belastingbedragen werden niet vermeld.
17. In de bij het Finanzamt F (belastingdienst F, Duitsland) ingediende btw‑aangifte voor dat jaar gaf verzoekster beide prestaties aan, de ene tegen een btw‑tarief van 7 %, de andere tegen het standaard btw‑tarief van 19 %.
18. Overeenkomstig het arrest Stadion Amsterdam verzocht D bij schrijven van 19 december 2018 om wijziging van de btw‑aanslag overeenkomstig § 164, lid 2, van de Abgabenordnung (belastingwetboek) op grond dat alle in verband met het pension gegenereerde inkomsten moeten worden onderworpen aan het verlaagde btw‑tarief van 7 %.
19. De belastingdienst F heeft het verzoek tot wijziging bij besluit van 8 februari 2019 afgewezen. Nadat het bezwaar tegen voornoemd besluit werd afgewezen, heeft D beroep ingesteld tegen die afwijzing.
20. In eerste aanleg heeft het Hessische Finanzgericht (belastingrechter in eerste aanleg van de deelstaat Hessen, Duitsland) het beroep verworpen op grond dat op het door D verstrekte ontbijt niet het verlaagde btw‑tarief, maar wel het standaard btw‑tarief overeenkomstig § 12, lid 1, UStG moest worden toegepast.(7)
21. In haar beroep in Revision bij het Bundesfinanzhof stelt verzoekster dat ontbijt een onzelfstandige nevenprestatie bij het verstrekken van accommodatie is. Ook gasten die het ontbijt niet hebben genuttigd, hebben – op één uitzondering na – de volledige prijs betaald.(8) Volgens verzoekster is het splitsingsvereiste van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG – in het licht van het arrest Stadion Amsterdam – onrechtmatig, aangezien een één geheel vormende prestatie aan een uniform btw‑tarief moet worden onderworpen dat gebaseerd is op de hoofdprestatie. Uit artikel 98 van de btw‑richtlijn, dat voorziet in de mogelijkheid om verlaagde btw‑tarieven toe te passen, volgt niets anders.
22. De belastingdienst F verzoekt het beroep in Revision ongegrond te verklaren.
23. Die belastingdienst verwerpt het betoog van verzoekster en voert aan dat het Hof in het arrest Finanzamt X niet over een nationaal wettelijk splitsingsvereiste behoefde te beslissen, aangezien § 4, punt 12, eerste alinea, onder a), gelezen in samenhang met § 4, punt 12, tweede alinea, UStG, geen dergelijk vereiste stelt. § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voorziet echter wel in een dergelijk vereiste. Voornoemd arrest kan derhalve niet naar analogie worden toegepast op het verlaagde btw‑tarief in de zin van § 12, lid 2, punt 11, UStG. Daar het wettelijk vastgelegde splitsingsvereiste in de zin van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG voorrang geniet boven het beginsel van eenheid van de prestatie, is het niet relevant of de litigieuze ontbijtdienst als nevenprestatie of als zelfstandige prestatie moet worden beschouwd.
Zaak C‑411/24
24. D GmbH & Co. KG exploiteerde in 2011 hotels A en B. Beide hotels beschikten over een parking met parkeerplaatsen voor motorvoertuigen. Van die parkeerplaatsen konden overnachtingsgasten net als het publiek in het algemeen gebruikmaken zonder dat hiervoor afzonderlijk kosten in rekening werden gebracht. Bovendien stelde verzoekster in beide hotels naast accommodatie en parking WLAN ter beschikking en een van de hotels beschikte over fitness‑ en wellnessfaciliteiten. Voor geen van deze diensten werd een afzonderlijke vergoeding gevraagd.
25. In haar btw‑aangifte voor dat jaar gaf verzoekster leveringen en andere diensten aan tegen het standaard btw‑tarief van 19 % en leveringen en andere diensten tegen het verlaagde btw‑tarief van 7 %. Volgens verzoekster was de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen als nevenprestatie bij de accommodatiedienst aan het verlaagde btw‑tarief onderworpen.
26. Finanzamt A (belastingdienst A, Duitsland) was het niet met die opvatting eens en stelde bijgevolg een btw‑aanslag voor 2011 vast onder voorbehoud van controle.
27. D GmbH & Co. KG tekende bezwaar aan en verzocht om belastingheffing overeenkomstig haar aangifte. Haars inziens moet de kosteloze terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen worden beschouwd als een nevenprestatie bij de accommodatiedienst die net als laatstgenoemde aan het verlaagde btw‑tarief is onderworpen.
28. Na een controle ter plaatse bij verzoekster in 2011 kwam de controleur tot de conclusie dat op de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, alsook de terbeschikkingstelling van WLAN en fitness‑ en wellnessfaciliteiten het standaard btw‑tarief diende te worden toegepast.
29. De belastingdienst A volgde de opvatting van de controleur en stelde op 21 november 2018 een gewijzigde btw‑aanslag voor het litigieuze jaar vast. Ook tegen die gewijzigde aanslag heeft verzoekster bezwaar aangetekend. Bij besluit van 30 juli 2019 verklaarde de belastingdienst A dit bezwaar ongegrond.
30. Het bevoegde Finanzgericht verwierp het door verzoekster ingestelde beroep met een vergelijkbare motivering als die van het Hessische Finanzgericht in zaak C‑410/24.
31. In haar beroep in Revision bij het Bundesfinanzhof voert D GmbH & Co. KG verschillende schendingen van materieel recht aan. Zij voert ten eerste aan dat het Finanzgericht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de terbeschikkingstelling van WLAN, parkeerplaatsen en fitness‑ en wellnessfaciliteiten te beschouwen als een levering onder bezwarende titel in de zin van § 1, lid 1, punt 1, UStG. Ten tweede is het Finanzgericht voorbijgegaan aan het feit dat de nevenprestaties rechtstreeks de verhuur dienen in de zin van § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG. Ten derde heeft het Finanzgericht het in het Unierecht erkende beginsel van de eenheid van de prestaties niet in aanmerking genomen.
32. D GmbH & Co. erkent weliswaar dat het Hof in het arrest Commissie/Frankrijk heeft verklaard dat de lidstaten het recht hebben om overeenkomstig artikel 98 van de btw‑richtlijn slechts bepaalde concrete en specifieke aspecten van een categorie van bijlage III bij die richtlijn aan een verlaagd btw‑tarief te onderwerpen, maar betoogt dat door die rechtspraak het beginsel van de eenheid van de prestatie, dat voortvloeit uit artikel 2 van die richtlijn, niet wordt ingeperkt. Ook uit het arrest Stadion Amsterdam volgt dat de gemiddelde consument ervan uit zal gaan dat alle nevenprestaties verband houden met de verhuur van de hotelkamer als de duidelijk dominante hoofdprestatie. Dat betekent volgens de rechtspraak van het Hof dat ook die nevenprestaties aan het voor de verhuur van de hotelkamer geldende verlaagde btw‑tarief moeten worden onderworpen.
33. D GmbH & Co. KG verzoekt om die reden om vernietiging van het vonnis in eerste aanleg en nietigverklaring van het besluit van 30 juli 2019 tot afwijzing van haar bezwaar en van de gewijzigde btw‑aanslagen voor 2011.
34. De belastingdienst A verzoekt het beroep in Revision ongegrond te verklaren.
35. De dienst verdedigt het bestreden vonnis in eerste aanleg. Hij voert onder meer aan dat de terbeschikkingstelling van WLAN, parkeerplaatsen en fitness‑ en wellnessfaciliteiten niet kan worden beschouwd als een dienst die rechtstreeks de verhuur dient. Het gaat hierbij om diensten die – in lijn met de bedoeling van de Duitse wetgever die in het splitsingsvereiste tot uitdrukking komt – niet aan het verlaagde btw‑tarief zijn onderworpen.
36. De behandeling van het hoofdgeding werd eveneens geschorst vanwege de procedure bij het Hof in de zaak Finanzamt X.
37. Nadat in die zaak arrest is gewezen ziet D GmbH & Co. KG haar rechtsopvatting bevestigd. Dit houdt met betrekking tot de onderhavige zaak in dat de nevenprestaties waar het in casu om gaat eveneens moeten worden onderworpen aan het verlaagde btw‑tarief in de zin van § 12, lid 2, punt 11, UStG.
38. De belastingdienst A betoogt daarentegen dat het arrest Finanzamt X niet kan worden toegepast op de situatie die in casu aan de orde is om dezelfde redenen als die welke de belastingdienst F in zaak C‑410/24 heeft aangevoerd.
Motivering van de verwijzende rechter om deze drie zaken naar het Hof te verwijzen
39. Het Bundesfinanzhof was – zoals deze rechter in de verwijzingsbeslissing heeft uiteengezet – aanvankelijk van oordeel dat het zogenoemde „splitsingsvereiste” als bedoeld in § 12 lid 2, punt 11, UStG verenigbaar is met het Unierecht. Volgens artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn mogen lidstaten namelijk een verlaagd btw‑tarief toepassen op concrete en specifieke aspecten van een categorie van diensten genoemd in bijlage III bij die richtlijn, op voorwaarde dat zij het beginsel van fiscale neutraliteit in het gemeenschappelijke btw‑stelsel in acht nemen.
40. Volgens het aanvankelijke standpunt van de verwijzende rechter moeten op grond van § 12, lid 2, punt 11, UStG prestaties die niet rechtstreeks verband houden met de overnachting – zoals het gratis ter beschikking stellen van parkeerplaatsen (zaken C‑409/24 en C‑411/24), ontbijt (C‑410/24), en WLAN en fitness‑ en wellnessfaciliteiten (zaak C‑411/24) – afzonderlijk en tegen het standaardtarief worden belast. Dit standpunt was gebaseerd op de veronderstelling dat lidstaten van de Unie de vrijheid hebben om verlaagde btw‑tarieven selectief toe te passen op specifieke aspecten van de categorieën diensten in bijlage III bij de btw-richtlijn, mits de fiscale neutraliteit behouden blijft. De verwijzende rechter was van oordeel dat dit „splitsingsvereiste” juist mededingingsverstoringen voorkomt, doordat het ervoor zorgt dat nevenprestaties van een hotel tegen hetzelfde tarief worden belast als wanneer deze door zelfstandige ondernemingen worden aangeboden (bijvoorbeeld een exploitant van een parking).
41. De verwijzende rechter zet evenwel uiteen dat recente rechtspraak van het Hof bij hem twijfel heeft doen rijzen over de juistheid van dat standpunt. Hoewel het Bundesfinanzhof aanvankelijk van oordeel was dat arresten zoals Commissie/Frankrijk, Stadion Amsterdam en Finanzamt X niet fundamenteel afbreuk deden aan de toelaatbaarheid van selectieve verlaagde tarieven, heeft een specifieke passage in punt 33 van het arrest Stadion Amsterdam daarover aanzienlijke twijfel doen ontstaan. In dat punt wordt in overweging gegeven dat één enkele prestatie die bestaat uit zowel een hoofdelement als een bijkomend element – waarvoor verschillende btw‑tarieven zouden gelden indien zij afzonderlijk werden verricht – moet worden belast tegen het btw‑tarief dat voor dat hoofdelement geldt. Het Bundesfinanzhof vreest nu dat dit zou kunnen betekenen dat verschillende btw‑tarieven voor onderdelen van één enkele prestatie op grond van het Unierecht verboden zijn – wat zou inhouden dat ook nevenprestaties onder het verlaagde tarief vallen wanneer zij deel uitmaken van één enkele prestatie van accommodatie, waarmee het nationale splitsingsvereiste buiten werking zou worden gesteld.
42. Het Bundesfinanzhof wijst er verder op dat binnen Duitsland de meningen verschillen. Sommige belastingrechters en auteurs ondersteunen de aanvankelijke opvatting van het Bundesfinanzhof over de verenigbaarheid van het splitsingsvereiste met het Unierecht, terwijl steeds meer belastingrechters en auteurs het standpunt huldigen dat het verlaagde tarief ook moet gelden voor nevenprestaties bij accommodatiediensten op basis van het beginsel van „één enkele prestatie”. Gezien deze diepgaande en onopgeloste twijfels – en het feit dat het arrest Finanzamt X deze twijfels niet definitief heeft weggenomen in de specifieke context van in hotels verrichte nevenprestaties – heeft het Bundesfinanzhof besloten het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de vraag of het in de betrokken nationale regeling opgelegde splitsingsvereiste toelaatbaar is in het licht van het Unierecht.
43. Om zijn twijfels weg te nemen heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaken geschorst en drie vrijwel identieke prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd, die zijn samengevoegd in één vraag:
„Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG, juncto bijlage III, punt 12, bij die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, UStG, uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon‑ en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden, zoals
– (enkel) de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen (zaak C‑409/24];
– de terbeschikkingstelling van ontbijt [zaak C‑410/24];
– de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, fitness‑ en wellnessfaciliteiten en WLAN (draadloos lokaal netwerk) [zaak C‑411/24]?”
44. Overeenkomstig punt 18 van de van het Hof afkomstige „Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures”(9), waarin nationale rechters worden uitgenodigd om beknopt te vermelden hoe de prejudiciële vragen huns inziens zouden moeten worden beantwoord, geeft het Bundesfinanzhof in zijn verwijzingsbeslissingen aan dat het van oordeel is dat een nationale regeling zoals de UStG – die in § 12, lid 2, punt 11, voorschrijft dat nevenprestaties bij accommodatiediensten afzonderlijk worden belast – verenigbaar is met het Unierecht, zelfs wanneer deze prestaties samen met de accommodatie één enkele prestatie vormen.
45. De verwijzende rechter baseert zijn standpunt op zijn uitlegging van specifieke arresten van het Hof, te weten de arresten van 22 september 2022, The Escape Center (C‑330/21, EU:C:2022:719; hierna: „arrest The Escape Center”), en 8 februari 2024, Valentina Heights (C‑733/22, EU:C:2024:126; hierna: „arrest Valentina Heights”). Hoewel in het arrest The Escape Center werd erkend dat coaching gekoppeld aan sportfaciliteiten deel kan uitmaken van een enkele dienst waarop een verlaagd tarief van toepassing is, benadrukt het Bundesfinanzhof dat in datzelfde arrest, onder verwijzing naar eerdere arresten zoals de arresten Commissie/Frankrijk en Phantasialand(10), opnieuw werd bevestigd dat lidstaten het verlaagde btw‑tarief mogen beperken tot „concrete en specifieke aspecten” van een categorie van prestaties, zolang het beginsel van fiscale neutraliteit wordt nageleefd.
46. Het Bundesfinanzhof legt dit uit als volgt: zelfs wanneer er sprake is van één enkele prestatie, blijft selectieve toepassing van het verlaagde tarief toegestaan, mits dit de concurrentie niet verstoort. Volgens die rechter bevordert het splitsingsvereiste in § 12, lid 2, punt 11, UStG juist de mededinging, door te voorkomen dat hotels diensten zoals ontbijt of parkeren tegen een lager btw‑tarief kunnen aanbieden dan een concurrerend zelfstandig restaurant of parkeergelegenheid. Het Bundesfinanzhof vindt verdere ondersteuning voor zijn standpunt in het arrest Valentina Heights, waarin opnieuw werd bevestigd dat lidstaten verlaagde tarieven selectief mogen toepassen, mits deze toepassing gericht is op concrete en specifieke aspecten van een categorie van prestaties en in overeenstemming is met het beginsel van fiscale neutraliteit.
Procedure bij het Hof
47. Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de president van het Hof de drie zaken (C‑409/24, C‑410/24 en C‑411/24) gevoegd.
48. De Duitse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
49. Hoewel de Duitse regering een met redenen omkleed verzoek om een pleitzitting had ingediend overeenkomstig artikel 76, lid 1, van het Reglement voor procesvoering van het Hof, achtte het Hof zich op basis van het dossier voldoende geïnformeerd en besloot het overeenkomstig artikel 76 van dat Reglement geen pleitzitting te houden.
III. Analyse
50. Met zijn vragen, die in wezen identiek zijn in de drie zaken, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III daarbij, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan accommodatieverstrekkende inrichtingen verplicht zijn om diensten te belasten tegen het normale tarief, en afzonderlijk van de kortdurende accommodatie – waarop een verlaagd tarief van toepassing is – zelfs indien die diensten een onzelfstandige nevenprestatie vormen bij de kortdurende accommodatie.
51. Allereerst moet worden opgemerkt dat de btw‑richtlijn slechts twee soorten prestaties erkent: levering van goederen en verlening van diensten. Artikel 24 van die richtlijn is van toepassing op de laatstgenoemde.
52. Wat betreft de verlening van diensten bepaalt artikel 98 van de btw‑richtlijn dat de lidstaten het recht hebben om een verlaagd tarief toe te passen op specifieke diensten die zijn opgenomen in bijlage III bij die richtlijn. Punt 12 van die bijlage voorziet in die mogelijkheid voor „door hotels en dergelijke inrichtingen verstrekte accommodatie, met inbegrip van het verstrekken van vakantie‑accommodatie en de verhuur van percelen op kampeerterreinen en in caravanparken”.
53. § 12, lid 2, punt 11, UStG, eerste volzin, bevat dezelfde bepalingen. De tweede volzin van die bepaling, die in alle drie de zaken ter discussie staat, beperkt echter de toepassing van het verlaagde tarief tot uitsluitend accommodatie. Andere prestaties die niet rechtstreeks de verhuur dienen, moeten afzonderlijk worden belast, zelfs als deze prestaties als onderdeel van één gehele vergoeding voor de accommodatie worden betaald.
54. De bij de verwijzende rechter aanhangige zaken betreffen verschillende nevenprestaties die verband houden met kortdurende accommodatie, zoals ontbijt, parkeren, toegang tot fitness‑ en wellnessfaciliteiten en de terbeschikkingstelling van WLAN.
55. Ik wil enkele opmerkingen vooraf maken over deze prestaties en de reikwijdte van de btw‑richtlijn (A), alvorens in te gaan op de vraag van de verwijzende rechter (B).
A. Voorafgaande opmerkingen
56. Het is de vraag of alle omstandigheden in de drie procedures bij de verwijzende rechter daadwerkelijk belastbare handelingen in de zin van de btw‑richtlijn kunnen uitmaken.
57. Enerzijds kan worden gesteld dat de vergoeding voor die nevenprestaties is opgenomen in de algemene vergoeding voor het verstrekken van accommodatie.
58. Volgens vaste rechtspraak is het feit dat één prijs in rekening wordt gebracht of dat afzonderlijke vergoedingen zijn overeengekomen, namelijk niet bepalend voor het antwoord op de vraag of moet worden geconcludeerd dat er sprake is van twee of meer onderscheiden en onafhankelijke handelingen dan wel van één enkele economische handeling.(11)
59. Anderzijds heeft de verwijzende rechter evenwel vastgesteld dat parkeerplaatsen (zaak C‑409/24 en C‑411/24), toegang tot fitness‑ en wellnessfaciliteiten en WLAN (C‑411/24) kosteloos werden aangeboden („kostenfrei” of „kostenlos” in de Duitse taal).
60. Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van de btw‑richtlijn betreft een belastbare handeling enkel „diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht”.
61. Daarom kunnen, onder voorbehoud van definitieve verificatie door de verwijzende rechter, de betrokken handelingen in zaken C‑409/24 en C‑411/24, ongeacht of deze wel of niet als nevenprestatie worden beschouwd, niet als dienstverrichtingen in de zin van de btw‑richtlijn worden aangemerkt indien zij niet onder bezwarende titel worden verricht.(12)
62. Met andere woorden, wanneer nevenprestaties bij het verstrekken van accommodatie kosteloos worden aangeboden, rijst de vraag naar het toepasselijke btw‑tarief niet, aangezien deze handelingen dan niet belastbaar zijn, omdat zij niet onder bezwarende titel plaatsvinden.
63. Bijgevolg zal ik de vragen van de verwijzende rechter beantwoorden op basis van zaak C‑410/24, die betrekking heeft op de verstrekking van ontbijt, waarvoor de vergoeding duidelijk is vastgesteld.
B. Beoordeling van de vraag
64. De omstandigheden in zaak C‑410/24 illustreren waarom bij de verwijzende rechter twijfel is gerezen: de accommodatie‑inrichting werkt op basis van all‑inclusive – accommodatie en ontbijt – waarbij het niet mogelijk is af te zien van de betaling van het ontbijt, hoewel dit wel apart wordt vermeld.
65. Het gevolg van de betrokken Duitse regeling is dat, ook al zou een consument een overnachting met ontbijt kunnen beschouwen als één geheel, de prestaties waaruit deze bestaat voor btw‑doeleinden worden gesplitst. De Duitse wetgever heeft er dus voor gekozen om het verlaagde btw‑tarief alleen toe te passen op de kortdurende accommodatie (de overnachting), en niet op nevenprestaties (het ontbijt).
66. Verzoeksters in de zaken bij de verwijzende rechter stellen dat ook de levering van nevenprestaties bij kortdurende accommodatie onder het verlaagde tarief moet vallen.
67. De Commissie is eveneens van mening dat nevenprestaties bij accommodatie, aangezien zij bijkomstig zijn, tegen hetzelfde tarief moeten worden belast als de hoofdprestatie.
68. De belangrijkste reden voor een dergelijk argument is dat contractuele regelingen, zoals het ontbijt in zaak C‑410/24, niet optioneel zijn.
69. De Duitse regering is daarentegen van mening dat de btw‑richtlijn zich niet verzet tegen de in de nationale wet vastgelegde verplichting om deze diensten voor btw‑doeleinden te splitsen, ook al is het boeken van een kamer inclusief ontbijt de enige beschikbare optie voor klanten.
70. Om te beginnen moet worden herinnerd aan het beginsel in de btw‑richtlijn, zoals vastgesteld in de tweede alinea van artikel 1, lid 2, en in artikel 2 van die richtlijn, namelijk dat elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.(13)
71. Deze regel kent evenwel bepaalde uitzonderingen, zoals enkele samengestelde prestaties en onzelfstandige nevenprestaties.(14) Zoals alle uitzonderingen moeten ook deze uitzonderingen strikt worden uitgelegd.(15)
72. Hoewel het klopt dat de lidstaten, wanneer zij bepalen welke specifieke prestaties in aanmerking komen voor het verlaagde btw‑tarief, rekening moeten houden met de uitzonderingen op het beginsel van afzonderlijke belasting van elke prestatie, moet de vraag of een bepaalde prestatie als een nevenprestatie wordt beschouwd en dus niet van de hoofdprestatie mag worden gescheiden voor belastingdoeleinden, van geval tot geval worden beoordeeld.(16)
73. In het specifieke geval waar het hier om gaat, ben ik van mening dat de btw‑richtlijn niet in de weg staat aan een nationale regeling zoals § 12, lid 2, punt 11, UStG.
74. In het arrest Commissie/Frankrijk(17) heeft het Hof geoordeeld dat het de lidstaten is toegestaan om verlaagde tarieven in te voeren, mits aan twee voorwaarden is voldaan: ten eerste moeten zij zich daarbij beperken tot concrete en specifieke onderdelen van de betrokken categorie van prestaties, en ten tweede moeten zij het beginsel van fiscale neutraliteit eerbiedigen.(18) Latere rechtspraak, waaronder – zoals ik zal toelichten – het arrest Stadion Amsterdam, laat deze voorwaarden en de bevoegdheid van lidstaten om het verlaagde tarief alleen op een deel van de samengestelde prestatie toe te passen, onverlet.
75. Ik ben van mening dat de betrokken Duitse regeling aan beide voorwaarden voldoet en dus niet in strijd is met artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn.
76. In de eerste plaats is het in de Duitse wetgeving opgenomen splitsingsvereiste in overeenstemming met de betekenis en reikwijdte van artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn.
77. Die bepaling stelt lidstaten in staat om te kiezen voor een verlaagd btw‑tarief voor bepaalde soorten prestaties en zij kunnen dit doen om verschillende redenen.
78. Het is duidelijk dat de reden voor het verlaagde tarief voor de sector van kortdurende accommodatie in het ondersteunen van het toerisme ligt.(19)
79. Aangezien personen die reizen ook moeten eten, zou ervan uit kunnen worden gegaan dat een verlaagd btw‑tarief op ontbijt eveneens voordelig zou kunnen zijn voor de bevordering van deze economische sector. De Duitse wetgever heeft er echter niet voor gekozen om een verlaagd btw‑tarief toe te passen op de verstrekking van ontbijt. Op grond van bijlage III bij de btw‑richtlijn (punt 12 bis van die bijlage) mogen lidstaten een verlaagd tarief toepassen op de levering van voedsel. Een aantal lidstaten past inderdaad een verlaagd tarief toe op de levering van voedsel, zoals ontbijt.(20) Dat was op dat moment echter niet het geval in Duitsland.(21)
80. Overigens kan het gebruik van fitness‑ en wellnessfaciliteiten eveneens in aanmerking komen voor een verlaagd tarief, maar slechts weinig lidstaten lijken in dat opzicht gebruik te hebben gemaakt van die discretionaire bevoegdheid.(22)
81. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat theoretisch gezien al de verschillende prestaties in de hoofdgedingen in aanmerking zouden kunnen komen voor een verlaagd tarief, en dat dergelijke verlaagde tarieven het toerisme ten goede kunnen komen.
82. De Duitse wetgever heeft echter duidelijk ervoor gekozen om het verlaagde tarief enkel op accommodatie toe te passen, ook al werd erkend dat daarbij nevenprestaties worden aangeboden, en dat er soms één enkele prijs aan de klant wordt berekend voor zowel de accommodatie als de nevenprestatie. De Duitse wetgever heeft dus gebruik gemaakt van zijn beoordelingsruimte om het verlaagde btw‑tarief toe te passen op enkel concrete en specifieke aspecten van de categorie leveringen van kortdurende accommodatie.
83. Het arrest Stadion Amsterdam doet niets af aan de conclusie dat het ontbijt voor btw‑doeleinden als een afzonderlijke prestatie kan worden beschouwd, zelfs als het een nevenprestatie is bij de accommodatie. Die zaak betrof de btw‑behandeling van het „World of Ajax”‑tourpakket, dat een rondleiding door het hoofdstadion in Amsterdam en gratis toegang tot het AFC Ajax museum omvatte. De rechtsvraag waar het om ging was of deze twee onderdelen voor btw‑doeleinden als één ondeelbare prestatie moesten worden behandeld, dan wel als twee afzonderlijke prestaties met verschillende btw‑tarieven. De stadionexploitant, Stadion Amsterdam, had het verlaagde btw‑tarief toegepast op het volledige pakket, maar de Nederlandse belastingdienst was van mening dat alleen het museumbezoek in aanmerking kwam voor het verlaagde tarief.
84. Het Hof heeft stilgestaan bij zijn vaste rechtspraak inzake samengestelde prestaties die inhoudt dat een handeling die bestaat uit verschillende elementen niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald.(23) Vervolgens is het Hof ingegaan op de vraag of de twee diensten zo nauw met elkaar verbonden waren dat zij uit het oogpunt van een gemiddelde consument één enkele, economisch ondeelbare prestatie vormden. Het Hof heeft verklaard dat een consument de rondleiding in het stadion en het museumbezoek als één pakket beschouwt, waarbij het museumbezoek een natuurlijk en integraal onderdeel vormt van de totale ervaring. Het Hof kwam derhalve tot de slotsom dat de handeling één enkele levering van diensten betrof.(24)
85. In het onderhavige geval kan niet worden gesteld dat accommodatie en ontbijt een ondeelbare levering vormen.(25) Veel hotels bieden deze twee diensten immers afzonderlijk aan. Ook al kan een accommodatie die geen mogelijkheid biedt om af te zien van het ontbijt in de ogen van een consument als een enkele dienst worden beschouwd, dat is geen voldoende reden om de nationale wetgever te beletten het verlaagde tarief te beperken tot een identificeerbare en afzonderlijke levering. In tegenstelling tot in de onderhavige zaak had de nationale wetgever in het arrest Stadion Amsterdam niet de bevoegdheid om de btw‑verlaging te beperken tot één enkel onderdeel van een samengestelde prestatie.(26)
86. In het arrest Finanzamt X, dat ook door de partijen in de hoofdgedingen werd genoemd, diende het Hof zich te buigen over de btw‑vrijstellingen die rechtstreeks voortvloeien uit de btw‑richtlijn, en niet over verlaagde tarieven die door de lidstaten op bepaalde diensten worden toegepast op basis van de beoordelingsvrijheid die de btw‑richtlijn toelaat, zoals in de onderhavige zaak. Toch ging het in die zaak ook om de vraag of een samengestelde maar economisch gezien één enkele handeling bestaande uit enerzijds de vrijgestelde diensten die als hoofdprestatie golden, en anderzijds nevenprestaties die – op grond van een uitzondering op de btw‑vrijstelling – belaste prestaties waren, voor btw‑doeleinden gesplitst moest worden. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat de nevenprestaties onlosmakelijk verbonden waren met de hoofdprestatie, en dat in een dergelijk geval de nevenprestatie dezelfde fiscale behandeling moet krijgen als de hoofdprestatie.(27)
87. In de onderhavige zaak is, zoals reeds aangegeven, de nevenprestatie niet onlosmakelijk verbonden met de hoofdprestatie. Bovendien ligt de beslissing over welke prestatie aan een verlaagd btw‑tarief moet worden onderworpen bij de lidstaten, in tegenstelling tot de btw‑vrijstelling, die geharmoniseerd is via de btw‑richtlijn en geen keuzemogelijkheid aan de lidstaten laat.
88. De betrokken Duitse regeling specificeert duidelijk voor welk specifiek aspect van een samengestelde prestatie een verlaagd btw‑tarief wordt toegepast. Accommodatie kan duidelijk worden gescheiden en geïdentificeerd ten opzichte van andere nevenprestaties, zoals ontbijt, toegang tot fitness‑ en wellnessfaciliteiten, WLAN of parkeren. Bovendien zijn die nevenprestaties niet onmisbaar of onlosmakelijk verbonden met het verstrekken van accommodatie. Zelfs als consumenten het gehele pakket als één enkele prestatie zouden kunnen beschouwen, verhindert dit niet dat nationale wetgeving, zoals in de onderhavige zaak, erop aandringt dat die prestaties voor btw‑doeleinden afzonderlijk worden behandeld.
89. In de tweede plaats is de betrokken Duitse regeling in overeenstemming met het beginsel van fiscale neutraliteit.
90. Dat fundamentele beginsel binnen het btw‑stelsel verhindert met name dat marktdeelnemers voor dezelfde handelingen verschillend worden behandeld met betrekking tot de inning van btw.(28)
91. In dat opzicht ben ik het eens met de verwijzende rechter dat de voorgestelde oplossing de fiscale neutraliteit bevordert. Zij voorkomt dat inrichtingen die accommodatie verstrekken een ongerechtvaardigd voordeel krijgen ten opzichte van andere exploitanten die vergelijkbare diensten aanbieden, zoals cafés, brasserieën, parkings, fitness‑ en wellnessfaciliteiten, internetcafés, enz. Indien ontbijt tegen hetzelfde verlaagde tarief zou worden belast als hotelaccommodatie, zouden andere inrichtingen die diezelfde dienst aanbieden, in een nadelige positie worden geplaatst, aangezien het ontbijt dat zij aanbieden aan het standaardtarief onderworpen is.
92. De betrokken Duitse wetgeving voldoet dus ook aan de tweede voorwaarde voor de invoering van het verlaagde btw‑tarief, aangezien zij in overeenstemming is met het beginsel van fiscale neutraliteit.
93. Om bovenstaande redenen ben ik van mening dat artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III hierbij, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan inrichtingen die accommodatie verstrekken verplicht zijn om prestaties zoals ontbijt afzonderlijk van de kortdurende accommodatie, die onder een verlaagd tarief valt, tegen het standaardtarief te belasten, zelfs indien het bij die prestaties gaat om nevenprestaties bij de kortdurende accommodatie.
IV. Conclusie
94. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt:
„Artikel 98, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met punt 12 van bijlage III hierbij,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale bepaling op grond waarvan inrichtingen die accommodatie verstrekken verplicht zijn om prestaties zoals ontbijt afzonderlijk van de kortdurende accommodatie, die onder een verlaagd tarief valt, tegen het standaardtarief te belasten, zelfs indien het bij die prestaties gaat om nevenprestaties bij de kortdurende accommodatie.”
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 Wet van 21 februari 2005 (BGBl. 2005 I, blz. 386).
3 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1; hierna: „btw‑richtlijn”), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is.
4 C‑463/16, EU:C:2018:22 (hierna: „arrest Stadion Amsterdam”).
5 C‑94/09, EU:C:2010:253 (hierna: „arrest Commissie/Frankrijk”).
6 C‑516/21, EU:C:2023:372 (hierna: „arrest Finanzamt X”).
7 Om dit te doen heeft die rechter het standpunt ingenomen dat het verlaagde belastingtarief zoals vastgelegd in de eerste volzin van § 12, lid 2, punt 11, UStG beperkt is tot verhuur‑ of accommodatiediensten. De tweede volzin van die bepaling bevat een vereiste om, voor fiscale doeleinden, leveringen die niet rechtstreeks de verhuurdoeleinden dienen, afzonderlijk te specificeren („splitsingsvereiste”). Volgens die rechter wordt het beginsel dat een (onzelfstandige) nevenprestatie hetzelfde belastingregime volgt als de hoofdprestatie, door dit splitsingsvereiste opzijgezet. Dit is in overeenstemming met het Unierecht, aangezien lidstaten op grond van artikel 98, leden 1 en 2, van de btw‑richtlijn een verlaagd btw‑tarief mogen toepassen op (alleen) concrete en specifieke aspecten van een categorie van leveringen zoals uiteengezet in bijlage III bij de btw‑richtlijn, op voorwaarde dat het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke btw‑stelsel, in acht wordt genomen. Het feit dat in de betrokken zaak een all‑inprijs is overeengekomen, doet hieraan niet af.
8 In de verwijzingsbeslissing wordt tweemaal naar die uitzondering verwezen zonder dat daar nadere uitleg bij wordt gegeven.
9 PB C, C/2024/6008, blz. 1.
10 Arrest van 9 september 2021 (C‑406/20, EU:C:2021:720).
11 Zie dienaangaande arresten van 25 februari 1999, CPP (C‑349/96, EU:C:1999:93, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 26 mei 2016, Bookit (C‑607/14, EU:C:2016:355, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
12 Dat was inderdaad het argument dat D GmbH & Co. KG in haar beroep in Revision bij het Bundesfinanzhof in het hoofdgeding in zaak C‑411/24 naar voren heeft gebracht.
13 Zie recentelijk arrest van 1 augustus 2025, Határ Diszkont (C‑427/23, EU:C:2025:596, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 Deze uitzonderingen zijn uitvoerig toegelicht in de conclusie van advocaat‑generaal Kokott in de zaak Frenetikexito (C‑581/19, EU:C:2020:855, punten 21 e.v.).
15 Zie dienaangaande het arrest Commissie/Frankrijk, punt 29, alsmede arresten van 9 november 2017, AZ (C‑499/16, EU:C:2017:846, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 5 september 2019, Regards Photographiques (C‑145/18, EU:C:2019:668, punt 43).
16 Arrest Commissie/Frankrijk, punten 32 en 33.
17 In dat arrest had de aan de orde zijnde nationale regeling betrekking op een verlaagd btw‑tarief voor bepaalde uitvaartdiensten, namelijk het vervoer van overledenen. De Commissie was van mening dat alle diensten en leveringen van goederen door begrafenisondernemers, zoals het beheer van uitvaartcentra, het balsemen, het organiseren van begrafenissen en dergelijke, samen met het vervoer van overledenen, één enkele samengestelde handeling vormden voor de toepassing van de btw die bijgevolg onderworpen moet zijn aan één enkel belastingtarief. Het Hof heeft het beroep wegens niet‑nakoming van de Commissie uiteindelijk echter verworpen en geoordeeld dat de Franse Republiek geen inbreuk had gemaakt op de btw‑richtlijn, omdat de betrokken diensten, zoals het vervoer van de overledene, konden worden beschouwd als een afzonderlijke prestatie die los stond van de totale begrafenisdienst. Dit gold ondanks het feit dat begrafenisdiensten in de ogen van de consument als één enkele prestatie konden worden beschouwd.
18 Arrest Commissie/Frankijk, punt 30.
19 Tosi, L., en Bagarotto, E.‑M., „Access Fees to Cultural Heritage Cities: Way to Promote Sustainable Tourism?” World Tax Journal, 2021, 283‑307, blz. 290 (erkennend dat hoewel de meeste lidstaten van deze discretionaire bevoegdheid gebruik hebben gemaakt, deze overweging nog steeds geldt om elk comparatief voordeel te vermijden).
20 Europese Commissie, Btw‑tarieven toegepast in de lidstaten van de Europese Unie, situatie op 1 januari 2020, taxud.c.1(2020), blz. 5.
21 De Bondsrepubliek Duitsland lijkt dit verlaagde tarief niet toe te passen op de verstrekking van maaltijden in restaurants, behalve gedurende de Covid‑19‑pandemie, hoewel de Duitse regering thans overweegt om het verlaagde tarief vanaf 1 januari 2026 te handhaven: https://www.vatcalc.com/germany/germany‑rolls‑over‑hospitality‑vat‑rate‑cut‑to‑7‑into‑2023/.
22 Europese Commissie, op. cit., blz. 5.
23 Arrest Stadion Amsterdam, punt 22.
24 Arrest Stadion Amsterdam, punten 23‑25. Uiteindelijk heeft het Hof geoordeeld dat, aangezien de rondleiding door het stadion het belangrijkste onderdeel van het „World of Ajax”‑tourpakket was en het museumbezoek een bijkomstig onderdeel, het volledige pakket onderworpen moest worden aan het btw‑tarief dat van toepassing is op de hoofdprestatie.
25 Zie dienaangaande ook punt 21 en voetnoot 8 van deze conclusie.
26 Zie dienaangaande arrest Stadion Amsterdam, punt 35.
27 Arrest Finanzamt X, punt 38.
28 Zie recentelijk arrest van 1 augustus 2025, Galerie Karsten Greve (C‑433/24, EU:C:2025:600, punten 35 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 12 juni 2024 – J-GmbH / Finanzamt K
(Zaak C-409/24, J-GmbH)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij en verzoekende partij tot Revision: J-GmbH
Verwerende partij en verwerende partij in Revision: Finanzamt K
Prejudiciële vraag
Moeten artikel 24, lid 1, en artikel 98, leden 1 en 2, juncto bijlage III, categorie 12, van richtlijn 2006/112/EG1 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling als § 12, lid 2, punt 11, tweede volzin, van het Umsatzsteuergesetz [(Duitse wet op de omzetbelasting)], uit hoofde waarvan een lidstaat die voorziet in belastingverlaging voor de verhuur van woon- en slaapruimte die een ondernemer voor kortstondige huisvesting van derden beschikbaar stelt, middels een nationaal splitsingsvereiste diensten die niet rechtstreeks de verhuur dienen en die samen met de verhuurprijs worden betaald, ook van die belastingverlaging mag uitzonderen indien het bij die diensten – in casu (enkel) de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen – gaat om onzelfstandige nevenprestaties bij de kortstondige huisvesting van derden?
____________
1 Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).