Geen medische, sociaal-culturele of verhuurvrijstelling voor door low care hospice verrichte samengestelde prestatie (het faciliteren van verblijf, maaltijden en ondersteuning zonder zelf medische zorg te verlenen), maar belaste dienst met recht op aftrek van voorbelasting.
Stichting A exploiteert als ANBI zonder winstoogmerk een low care hospice op twee locaties. De stichting biedt kleinschalig verblijf, maaltijden en lichte ondersteuning door vrijwilligers en gedetacheerde coördinatoren aan terminale patiënten tegen een vergoeding van € 38 per dag. De medische en verpleegkundige zorg wordt niet door of namens het hospice verleend, maar rechtstreeks verzorgd door de eigen huisartsen en thuiszorgorganisaties van de bewoners. Eind 2019 is gestart met de bouw van een nieuwe vestiging, waarbij de in rekening gebrachte btw in aftrek is gebracht.
De vraag is of de stichting recht heeft op aftrek van voorbelasting voor de bouw van het hospice. Meer specifiek moet worden beoordeeld of de samengestelde prestatie van het hospice is belast met omzetbelasting dan wel is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b, c of f van de Wet OB. De stichting stelt primair dat sprake is van belaste kamerverhuur in het kader van het pensionbedrijf (artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 2º, Wet OB). De Belastingdienst verdedigt dat sprake is van een vrijgestelde zorgdienst (artikel 11, lid 1, onderdeel c of f, Wet OB) dan wel vrijgestelde verhuur van onroerende zaken (artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet OB).
Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het hoger beroep van de Belastingdienst ongegrond is en dat op de prestatie geen van de btw-vrijstellingen van toepassing is. Alle elementen vloeien samen tot één ondeelbare samengestelde prestatie: het faciliteren van zorg voor een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven in de laatste levensfase. De medische vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB geldt niet omdat de stichting geen medische verzorging verleent, maar algemene verzorging, huishoudelijke hulp en emotionele ondersteuning biedt (HvJ 21 maart 2013, PFC Clinic AB, ECLI:EU:C:2013:198; HvJ 10 september 2002, Kügler, ECLI:EU:C:2002:473; HvJ 1 december 2005, Ygeia, ECLI:EU:C:2005:734). Tevens is de stichting niet erkend als instelling van sociale aard; de ANBI-status vormt geen fiscale erkenning (HvJ 8 oktober 2020, E, ECLI:EU:C:2020:811; HvJ 6 november 2003, Christoph-Dornier, ECLI:EU:C:2003:595; HvJ 28 april 2022, Happy Education SRL, ECLI:EU:C:2022:314). De sociaal-culturele vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB in verbinding met Bijlage B, onderdeel b.13, UBOB mist eveneens toepassing omdat het hospice geen ziekenhuis of soortgelijke inrichting is. Tot slot is de verhuurvrijstelling niet van toepassing omdat het ter beschikking stellen van een kamer niet als hoofddienst kwalificeert.
Samenvatting + afbeelding: Gemini + redactie btwjurisprudentie.nl
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-05-2026
Datum publicatie
14-09-2026
Zaaknummer
BK-25/157 en BK-25/158
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:4635, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Art. 11, lid 1, onder b, c, en f, Wet OB: kwalificatie prestatie low care hospice; vrijstellingen niet van toepassing; recht op teruggaaf; naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2026/1853
Viditax (FutD) 2026091402
V-N Vandaag 2026/1906
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/157 en BK-25/158
Uitspraak van 27 mei 2026
in het geding tussen:
Stichting [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: R. Brouwer)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 februari 2025, nummers SGR 23/8135 en 23/8136.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is over de periode 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 4.500.
1.2.
Belanghebbende heeft over de periode 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2022 op aangifte een bedrag van € 22.184 aan omzetbelasting voldaan.
1.3.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de naheffingsaanslag en tegen de voldoening op aangifte afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 365 geheven. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“ De rechtbank:
– verklaart de beroepen gegrond;
– vernietigt de uitspraken op bezwaar;
– vernietigt de naheffingsaanslag;
– bepaalt dat eiseres recht heeft op teruggaaf van het bedrag aan omzetbelasting dat zij heeft voldaan voor het tijdvak 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2022 ter zake van de herziening van in aftrek gebrachte omzetbelasting;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.5.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 5 maart 2026 een nader stuk (met bijlage) ingediend.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 19 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende exploiteert een low care hospice in de gemeenten [vestigingsplaats 1] en [vestigingsplaats 2] en kwalificeert als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Zij heeft geen winstoogmerk en is geregistreerd als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Belanghebbende is geen toegelaten instelling als bedoeld in de Wet toelating zorginstellingen.
2.2.
Volgens haar statuten heeft belanghebbende ten doel:
“a. het exploiteren van een low-care hospicehuis voor terminale zorg op meerdere locaties in de regio;
b. het bieden van logies en verteer voor de bewoners en hun gasten tegen een redelijke vergoeding;
c. het in het hospicehuis faciliteren van hospicezorg door derden; de medische zorg en de verpleging worden geleverd door de eigen huisarts en de eigen thuiszorg organisatie van de bewoners;
d. het organiseren van activiteiten door vrijwilligers voor de uitvoering van de vermelde doelen;
e. het ter beschikking stellen van bewonerskamers met badkamer en andere faciliteiten voor verblijf in het kader van de begeleiding en ondersteuning van mensen in de laatste levensfase;
f. het op verzoek verlenen van ondersteuning (geen medische zorg of verpleging) door vrijwilligers aan terminale patiënten en hun naaste(n);
g. het organiseren van een zorgvuldige en deskundige exploitatie en een zorgvuldig en deskundig beheer van alle middelen, alsmede onafhankelijk toezicht hierop;
h. het onderhouden van een goede samenwerking met het bestuur van de Stichting […] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , overeenkomstig jaarlijks te actualiseren werkafspraken;
i. het verrichten van al wat met het vorenstaande verband houdt, in de meest ruime zin.”
2.3.
Het doel van belanghebbende wordt op haar website als volgt omschreven:
“ [belanghebbende] faciliteert in haar vestigingen palliatieve terminale zorg die door de thuiszorgorganisaties en de huisartsen wordt verleend aan de bewoners. Hierbij wordt de definitie van palliatieve zorg zoals deze in het kwaliteitskader palliatieve zorg staat omschreven gehanteerd”.
2.4.
Belanghebbende biedt logies en verteer aan, aan mensen die ongeneeslijk ziek zijn en een doktersverklaring hebben waaruit blijkt dat zij niet langer dan drie maanden te leven hebben. Voor het verblijf betalen de gasten € 38 per dag.
2.5.
Het hospice in [vestigingsplaats 2] beschikt over vier gastenkamers. Het hospice in [vestigingsplaats 1] beschikt over zes gastenkamers. Deze kamers zijn volledig gestoffeerd en gemeubileerd en voorzien van een eigen badkamer, aanrechtblok, koelkast en terras. Ook is in elke kamer een telefoon, televisie en audio set aanwezig. Ook wordt draadloos internet beschikbaar gesteld.
2.6.
Beide vestigingen beschikken over een logeerkamer waar familieleden tegen vergoeding kunnen verblijven en gemeenschappelijke ruimten, waaronder:
– een woonkamer met eettafel;
– een open keuken waar maaltijden worden bereid;
– een waskamer met wasmachine en droger en mogelijkheden om de was te strijken;
– een vergaderkamer;
– een familiekamer waar in privacy gesprekken kunnen worden gevoerd (alleen in [vestigingsplaats 1] ).
2.7.
Belanghebbende heeft geen medewerkers in loondienst. De medische zorg aan de gasten wordt in beginsel door de eigen huisarts van de gast verleend en, als dat niet mogelijk is, door huisartsen uit de regio. De specialistische verpleegkundige zorg wordt verleend door een thuiszorgorganisatie naar keuze van de gast. De thuiszorgorganisatie stelt ook een zorgplan op voor de gast. Voor de nachtzorg heeft belanghebbende samenwerkingsovereenkomsten gesloten met enkele thuiszorgorganisaties, twee voor de vestiging in [vestigingsplaats 2] en één voor de vestiging in [vestigingsplaats 1] . Zij verlenen reguliere thuiszorg aan de gasten tussen 23:00 uur en 07:00 uur. Deze thuiszorgorganisaties verlenen hun diensten niet namens belanghebbende. Zij sturen belanghebbende geen facturen en er vinden geen betalingen plaats tussen belanghebbende en deze thuiszorgorganisaties. De thuiszorgorganisaties die de nachtzorg verlenen, declareren rechtstreeks bij de zorgverzekeraar.
2.8.
Belanghebbende maakt verder gebruik van vrijwilligers. De taken van de vrijwilligers bestaan onder meer uit het optreden als gastheer of gastvrouw van het hospice, lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, het ondersteunen bij de lichamelijke verzorging van de gasten en het bieden van emotionele ondersteuning. Zij verrichten hun taken enkel in het hospice en niet tevens bij mensen thuis. Belanghebbende sluit met de vrijwilligers een vrijwilligersovereenkomst. Hierin is onder meer bepaald dat de vrijwilligers geen vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen.
2.9.
De vrijwilligers doen hun taken onder leiding van vier coördinatoren die in dienstbetrekking zijn bij het […] ziekenhuis. Zij worden door dat ziekenhuis tegen kostprijs gedetacheerd bij belanghebbende. Deze coördinatoren regelen de dagelijkse gang van zaken in het hospice. Zij dragen zorg voor de intake en de opname van de gasten, zijn het eerste aanspreekpunt voor de gasten en hun naasten, de vrijwilligers, de huisarts en de thuiszorg, dragen zorg voor een juiste uitvoering van de protocollen en zorgen ervoor dat de hospicezorg wordt uitgevoerd overeenkomstig het zorgplan. De coördinatoren verrichten geen zorgactiviteiten of medische handelingen.
2.10.
In het vierde kwartaal van 2019 is begonnen met de bouw van het hospice in [vestigingsplaats 1] . Deze vestiging is op 12 november 2020 in gebruik genomen. Ter zake van de bouw is aan belanghebbende omzetbelasting in rekening gebracht. Belanghebbende heeft in de aangiften vanaf het vierde kwartaal van 2019 verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting gedaan.
2.11.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de ingediende aangiften vragen gesteld. De verzoeken om teruggaaf voor het vierde kwartaal van 2019 en het eerste en tweede kwartaal van 2020 zijn aanvankelijk geweigerd. De teruggaven voor het derde en vierde kwartaal van 2020 zijn wel verleend.
2.12.
Bij brief van 10 maart 2021 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij zich op het standpunt stelt dat belanghebbende vrijgestelde prestaties verricht, dat hij daarom voornemens is om de verzoeken om teruggaaf over het vierde kwartaal van 2019 en het eerste en tweede kwartaal van 2020 te weigeren en over het derde en vierde kwartaal van 2020 naheffingsaanslagen op te leggen.
2.13.
Partijen hebben daarna diverse malen contact gehad. Uiteindelijk hebben zij op 3 oktober 2022 een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten. Conform de VSO is alsnog teruggaaf van omzetbelasting aan belanghebbende verleend over het vierde kwartaal van 2019, het eerste en tweede kwartaal van 2020, het eerste, tweede en derde kwartaal van 2021 en het eerste kwartaal van 2022. Ook zijn aan belanghebbende geen naheffingsaanslagen over het derde en vierde kwartaal van 2020 opgelegd.
2.14.
Belanghebbende heeft abusievelijk (want in strijd met de VSO) over het tijdvak 1 juli 2022 tot en met 30 september 2022 een aangifte omzetbelasting ingediend resulterend in een teruggaaf van € 4.500. De Inspecteur heeft de teruggaaf verleend. Bij de in geding zijnde naheffingsaanslag is deze teruggaaf gecorrigeerd.
2.15.
Belanghebbende heeft conform de afspraken in de VSO de herziening van in aftrek gebrachte omzetbelasting verwerkt in de aangifte voor het tijdvak 1 oktober 2022 tot en met
31 december 2022. Voor dit tijdvak heeft belanghebbende een bedrag van € 22.184 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling van het geschil
20. Uit de hiervoor opgesomde feiten volgt dat eiseres een samenstel van handelingen verricht. Zij stelt niet alleen gastenkamers ter beschikking, maar zij verstrekt ook maaltijden, zij zorgt ervoor dat te allen tijde vrijwilligers aanwezig zijn die desgewenst taken van de naasten/mantelzorgers over kunnen nemen en steun kunnen bieden en zij zorgt voor de coördinatie van de zorgverlening. De rechtbank volgt partijen dan ook in hun gezamenlijke standpunt dat sprake is van één samengestelde prestatie.
21. Vaststaat dat het hier gaat om een low-care hospice, ook wel een bijna-thuis-huis waar de zorg zoveel mogelijk verloopt zoals thuis in een huiselijke omgeving. Met dat doel stelt eiseres gastenkamers ter beschikking. Gasten betalen voor hun verblijf aan eiseres een vergoeding van € 38 per dag. Eiseres verricht zelf geen medische of verpleegkundige handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt voor de modale consument de tijdelijke verhuur van de gastenkamers dan ook de hoofddienst. De diensten van de vrijwilligers en coördinatoren en de verstrekking van maaltijden zijn bijkomende diensten die zijn bedoeld om de hoofddienst voor de afnemer geschikter te maken. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat niet iedere gast evenveel behoefte heeft aan de zorg door vrijwilligers en dat de kosten van de vrijwilligers zeer beperkt zijn en met name opleidingskosten betreffen. Deze bijkomende diensten volgen het fiscale regime van de hoofddienst. De nachtzorg wordt verleend door derden en is geen dienst die door of namens eiseres wordt verleend.
22. Nu de tijdelijke verhuur van de gastenkamers de hoofddienst is, is reeds daarom de medische vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter c, van de Wet niet van toepassing.
23. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en letter b, ten tweede, van de Wet is de verhuur (de verpachting daaronder begrepen) van onroerende zaken vrijgesteld van omzetbelasting met uitzondering van de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden.
24. De hoofddienst, zijnde de tijdelijke verhuur van de gastenkamers, kan worden aangemerkt als verhuur in het kader van het pensionbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. De dienst is daarom niet vrijgesteld, maar de uitzondering van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Wet OB is op de vrijstelling van verhuur van toepassing.
25. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht voor de bouw van het hospice. Meer specifiek is in geschil of de prestatie van belanghebbende belast is dan wel is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b, c of f, Wet OB.
4.2.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een samengestelde prestatie verricht. Het Hof volgt partijen hierin.
5.2.
Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de hoofddienst bestaat uit de terbeschikkingstelling van een volledig gemeubileerde en gestoffeerde kamer om daar kort te verblijven. De diensten van de vrijwilligers en de coördinatoren zijn bijkomend van aard en bedoeld om de hoofddienst voor de afnemer aantrekkelijker te maken. Deze diensten delen daarom het fiscale lot van de hoofddienst. De hoofddienst kwalificeert als verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf houden en is daarom op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel b, onder 2º, Wet OB belast met btw. Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van een dienst ‘sui generis’ die is belast tegen het algemene tarief.
5.3.
De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van zorg met verblijf. Het primaire doel van belanghebbende is de ondersteuning en begeleiding van patiënten en hun naasten. Vanuit de afnemer bezien, is het kenmerkende element van de samengestelde prestatie het ondersteunen/ontzorgen van de gast en het verlenen, faciliteren, organiseren en coördineren van palliatieve zorg. Deze prestatie is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB. Subsidiair stelt de Inspecteur dat de prestatie is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB in verbinding met artikel 7, lid 1 en Bijlage B, onderdeel b.13, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB). Meer subsidiair stelt de Inspecteur dat sprake is sprake is van de verhuur van een onroerende zaak waarop de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet OB van toepassing is.
5.4.
Voor aanmelding in het hospice dienen bewoners te beschikken over een doktersverklaring waaruit volgt dat de bewoner minder dan drie maanden te leven heeft (zie 2.4). Belanghebbende stelt aan de bewoners een kamer ter beschikking, verstrekt eten en drinken en ondersteunt de bewoners. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit het (door de vrijwilligers) optreden als gastheer of gastvrouw van het hospice, lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, het ondersteunen bij de lichamelijke verzorging van de bewoners en het bieden van emotionele ondersteuning (zie 2.8). De medische zorg wordt niet door of namens belanghebbende, maar door derden verricht (zie 2.7).
Naar het oordeel van het Hof is het ter beschikking stellen van een kamer voor de bewoners niet de hoofddienst en geldt dat evenmin voor de andere elementen van de prestatie. Het gaat de bewoners om een verblijf in een hospice waarvan zij weten dat daar aan hen de benodigde zorg kan worden verleend en waar ontzorging en ondersteuning plaatsvindt, zodat de laatste levensfase zo comfortabel mogelijk kan verlopen, ook voor hun naasten. Dit vindt bevestiging in de doelstelling van belanghebbende, zoals op haar website omschreven. Daaruit volgt namelijk dat belanghebbende in haar vestigingen palliatieve terminale zorg faciliteert die door de thuiszorgorganisaties en de huisartsen wordt verleend aan de bewoners (zie 2.3). Alle elementen (het ter beschikking stellen van een kamer, de verstrekking van eten en drinken en de ondersteuning) verliezen vanuit het oogpunt van de modale consument hun zelfstandigheid en smelten als het ware samen tot een nieuwe ondeelbare prestatie aan de gast: het faciliteren van zorg om een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven te bieden aan gasten in hun laatste levensfase (de hospiceprestatie).
Is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB van toepassing?
5.5.
Ingevolge artikel 132, lid 1, aanhef en sub b, van de BTW-richtlijn 2006 (Btw-richtlijn) zijn van omzetbelasting vrijgesteld ziekenhuisverpleging en medische verzorging, alsmede de handelingen die daarmede nauw samenhangen. Voorts is ingevolge artikel 132, lid 1, aanhef en sub c, van de Btw-richtlijn van omzetbelasting vrijgesteld medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat. De wetgever heeft beoogd aan deze richtlijnbepalingen uitvoering te geven in onder meer artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel c en f, Wet OB in samenhang gelezen met artikel 7, lid 1, UBOB en de daarbij behorende bijlage B, onderdeel b.13, alsmede in artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel g, onder 1º, Wet OB (HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1374).
5.6.
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) volgt dat voor de toepassing van artikel 132, lid 1, sub b en c, van de Btw-richtlijn onder het begrip ‘medische verzorging’ wordt verstaan de verlening van diensten die de diagnose, de behandeling en voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen van de mens tot doel hebben (HvJ 21 maart 2013, PFC Clinic AB, ECLI:EU:C:2013:198, punt 25). Werkzaamheden die verband houden met algemene verzorging en huishoudelijk hulp vallen niet onder dit begrip (HvJ 10 september 2002, Kügler, ECLI:EU:C:2002:473, punt 40). Diensten die het comfort en het welzijn van ziekenhuispatiënten kunnen verbeteren, kunnen in de regel niet in aanmerking komen voor de vrijstelling van artikel 132, lid 1, sub b, van de Btw-richtlijn. Dit kan slechts anders zijn wanneer deze prestaties onontbeerlijk zijn voor het bereiken van de therapeutische doelstellingen van de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging in het kader waarvan deze prestaties werden verstrekt (HvJ 1 december 2005, Ygeia, ECLI:EU:C:2005:734, punten 29 tot en met 35).
5.7.
Het Hof overweegt als volgt. De hospiceprestatie omvat geen medische zorg, maar algemene verzorging, huishoudelijke hulp en emotionele ondersteuning van de gasten en hun naasten. Werkzaamheden die verband houden met algemene verzorging en huishoudelijk hulp vallen niet onder het begrip medische verzorging (zie 5.6). Dat belanghebbende ook zorgdraagt voor het verschonen van bewoners, toezicht houdt op hun lichamelijke toestand en geestelijke ondersteuning verleent, maakt niet dat de hospiceprestatie als zodanig de diagnose, de behandeling en voor zoveel mogelijk, de genezing van ziekten of gezondheidsproblemen van de mens tot doel heeft. De dienstverlening door belanghebbende kan dan ook niet als medische verzorging worden beschouwd.
5.8.
De Inspecteur voert verder het volgende aan. De wetgever heeft in artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel c, Wet OB eveneens uitvoering gegeven aan artikel 132, lid 1, aanhef en sub g, van de Btw-richtlijn. Deze bepaling kan ook algemene verzorging omvatten, zoals belanghebbende die aanbiedt. Uit de omstandigheden kan blijken dat er in wezen sprake is van erkenning als instelling van sociale aard zoals bedoeld in de richtlijnbepaling. Van belang is dat belanghebbende is aangewezen als ANBI en dat zij tot de verbouwing van het nieuwe pand ervan uitging dat de activiteiten waren vrijgesteld. Verder is een nadere uitwerking van welke instellingen artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB kunnen toepassen opgenomen in het Besluit van 6 september 2017, nr. BLKB 2017-7334 (Staatscourant 2017, nr. 53035) (het Besluit). Door te kiezen voor deze vormgeving van de erkenning is voldoende kenbaar gemaakt welke instellingen (en onder welke voorwaarden) in aanmerking kunnen komen voor de vrijstelling, aldus de Inspecteur.
5.9.
Ingevolge artikel 132, lid 1, aanhef en onderdeel g, van de Btw-richtlijn zijn van omzetbelasting vrijgesteld diensten en goederenleveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, waaronder begrepen die welke worden verricht door bejaardentehuizen, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als instellingen van sociale aard worden erkend. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat in beginsel in het nationale recht moet worden bepaald volgens welke regels dergelijke organisaties worden erkend, waarbij de lidstaten over beoordelingsbevoegdheid beschikken (HvJ 8 oktober 2020, E, ECLI:EU:C:2020:811, punt 43). De erkenning hoeft niet volgens een formele procedure te geschieden en hoeft niet te volgen uit nationale fiscale bepalingen (HvJ 6 november 2003, Christoph-Dornier, ECLI:EU:C:2003:595, punt 67). De kwaliteit van de specifieke werkzaamheden moet door middel van een erkenning van de dienstverrichter zijn gewaarborgd (vgl. HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:472, r.o. 5.4.3).
5.10.
Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet als instelling van sociale aard erkend als bedoeld in artikel 132, lid 1, aanhef en sub g, van de Btw-richtlijn. Dat belanghebbende is aangemerkt als ANBI is geen erkenning als instelling voor de toepassing van de vrijstelling (vgl. HvJ 28 april 2022, Happy Education SRL, ECLI:EU:C:2022:314, punt 35). Het Hof acht het niet van belang dat belanghebbende tot aan de verbouwing van het nieuwe pand ervan uitging dat haar activiteiten waren vrijgesteld. Uit die handelwijze van belanghebbende zelf kan namelijk niet worden afgeleid dat zij door de nationale autoriteit als instelling van sociale aard is erkend. Dat de staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van besluitgever heeft meegedeeld dat onder meer ook de diensten door verzorgingsflats onder voorwaarden kunnen worden vrijgesteld, kan – nog daargelaten of de hospiceprestatie vergelijkbaar is met deze diensten en onder het toepassingsbereik van dat besluit valt – niet aan belanghebbende worden tegengeworpen.
5.11.
Gelet op het vorenstaande is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB niet van toepassing op de hospiceprestatie.
Is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB in verbinding met artikel 7, lid 1 en Bijlage B, onderdeel b.13, UBOB van toepassing?
5.12.
Op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet OB zijn van omzetbelasting vrijgesteld de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits (i) de ondernemer geen winst beoogt, en (ii) niet een verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen. Met deze bepaling heeft de Nederlandse wetgever artikel 132, lid 1, sub g, van de Btw-richtlijn ten uitvoer gelegd, dat de lidstaten verplicht vrijstelling te verlenen voor leveringen en diensten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid. De wetgever heeft bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling gebruik gemaakt van de bevoegdheid die artikel 133 van de Btw-richtlijn de lidstaten biedt aan de toepassing van die vrijstelling een of meer van de in dat artikel vermelde voorwaarden te stellen.
5.13.
De aanwijzing van leveringen en diensten als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel f, Wet OB heeft plaatsgevonden bij artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1 Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.”
5.14.
In bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“b. De leveringen en diensten als bedoeld in artikel 7 van het besluit, die als zodanig worden verricht door de hierna genoemde instellingen:
(…)
13. ziekenhuizen, poliklinieken, psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen, voor zover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de wet;”
5.15.
Naar het oordeel van het Hof is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel f, Wet OB in verbinding met artikel 7, lid 1 en Bijlage B, onderdeel b.13, UBOB niet van toepassing op de hospiceprestatie. Deze tabelpost ziet op diensten die als zodanig worden verricht door ziekenhuizen, poliklinieken, psychiatrische inrichtingen en dergelijke inrichtingen, voor zover de diensten niet reeds kunnen worden gerangschikt onder artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB. Belanghebbende is geen ziekenhuis, polikliniek of psychiatrische inrichting of een dergelijke inrichting. Hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat zij ook geen dienst verricht die is vrijgesteld op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel c, Wet OB. De hospiceprestatie valt niet onder het toepassingsbereik van Bijlage B, onderdeel b.13, UBOB.
Is de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel b, Wet OB van toepassing?
5.16.
Artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel b, Wet OB bepaalt dat de verhuur van onroerende zaken onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden van de belasting is vrijgesteld. In artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel b, onder 2º, Wet OB is een uitzondering opgenomen voor de verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 135, lid 2, sub a, van de Btw-richtlijn.
5.17.
Het Hof heeft onder 5.4 geoordeeld dat het ter beschikking stellen van een kamer niet de hoofddienst van de samengestelde prestatie vormt. Daarmee is voor de heffing van omzetbelasting geen sprake van de verhuur van een onroerende zaak en valt de prestatie niet onder het toepassingsbereik van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel b, Wet OB en de voormelde uitzondering.
Slotsom
5.21.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten.
6.2.
Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage vast op € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)).
6.3.
Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 596.
Beslissing
Het Gerechtshof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.868, en
– gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 596.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, W. de Wit en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. – de naam en het adres van de indiener;
b. – de dagtekening;
c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. – de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.