Rechtsgeldigheid naheffingsaanslagen omzetbelasting en eis van natte handtekening

Belanghebbende heeft voor diverse tijdvakken in 2021, 2022 en 2023 aangiften en een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend, maar de verschuldigde belasting niet voldaan. De Belastingdienst heeft hierop meerdere naheffingsaanslagen en verzuimboeten opgelegd. Tegen één van deze aanslagen heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. Belanghebbende betwist de belastingplicht met ‘soevereine’ argumenten; zo stelt zij dat zij geen contract heeft gesloten met de Belastingdienst, dat Nederland onderdeel is van Duitsland, en dat de Grondwet buiten werking is gesteld.

In geschil is of de Belastingdienst de naheffingsaanslagen en verzuimboeten terecht heeft opgelegd en of deze op een wettelijke grondslag berusten. Daarnaast voert belanghebbende in hoger beroep aan dat, wegens de afwezigheid van haar gemachtigde bij de rechtbank, de zaak om proceseconomische redenen getoetst moet worden aan artikel 3:303 BW (vereiste van voldoende belang). Tot slot stelt belanghebbende dat de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig is, omdat zij hiervan geen origineel exemplaar met een natte handtekening heeft ontvangen.

Gerechtshof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Belastingheffing is verankerd in de wet (artikel 104 Grondwet) en is geen vrije keuze waaraan men zich kan onttrekken door het ontbreken van een contract. Nu belanghebbende als ondernemer in de zin van de Wet OB kwalificeert en de aangegeven belasting niet heeft betaald, zijn de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten wegens betalingsverzuim terecht opgelegd. Het beroep op artikel 3:303 BW faalt wegens een volstrekt gebrek aan onderbouwing. Wat betreft de eis van een natte handtekening oordeelt het Hof dat artikel 8:79 Awb slechts voorschrijft dat de griffier een afschrift van de uitspraak ter beschikking stelt; het is niet vereist dat de rechtbank het originele exemplaar (de minuut) aan belanghebbende verstrekt.

Gerechtshof

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-02-2026
Datum publicatie
01-06-2026
Zaaknummer
BK-25/427 t/m BK-25/430
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Art. 8:79 Awb. Naheffingsaanslagen omzetbelasting en verzuimboeten terecht opgelegd. Niet noodzakelijk dat de Rechtbank ook de minuut van de uitspraak aan belanghebbende verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026060305
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/427 t/m BK-25/430

Uitspraak van 18 februari 2026
in het geding tussen:

[X] BV en [X-1] BV te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: A. Kieboom)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 april 2025, nummers SGR 23/6255, SGR 23/6256, SGR 23/6257 en SGR 23/6258.

Procesverloop
1.1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 7.182 (naheffingsaanslag 1). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een verzuimboete van € 215 opgelegd.

1.1.2.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 1.300 (naheffingsaanslag 2).

1.1.3.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 5.251 (naheffingsaanslag 3). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een verzuimboete van € 157 opgelegd.

1.1.4.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (naheffingsaanslag 4).

1.2.
De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen 1, 2 en 3 bij uitspraken op bezwaar afgewezen en de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten gehandhaafd.

1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar, alsmede tegen naheffingsaanslag 4, beroepen ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht van € 365 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:

“De rechtbank:

verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2023 tot en

met 30 juni 2023 niet-ontvankelijk;

verklaart de overige drie beroepen ongegrond.”

1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 579 geheven.

1.5.
Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgevonden. De griffier heeft partijen bij bericht van 29 september 2025 medegedeeld dat het Hof gelet op de feiten en omstandigheden van mening is dat uitspraak kan worden gedaan zonder mondelinge behandeling en gevraagd uiterlijk 13 oktober 2025 aan het Hof te berichten of zij gebruik willen maken van het recht op zitting te worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op 30 januari 2023 een aangifte omzetbelasting ingediend naar een bedrag van € 7.182 over het tijdvak 1 oktober 2022 tot en met 31 december 2022. Belanghebbende heeft de omzetbelasting niet voldaan. De Inspecteur heeft vervolgens naheffingsaanslag 1 opgelegd.

2.2.
Belanghebbende heeft op 28 maart 2023 een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend naar een bedrag van € 1.300 over het tijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021. Belanghebbende heeft de omzetbelasting niet voldaan. De Inspecteur heeft vervolgens naheffingsaanslag 2 opgelegd.

2.3.
Belanghebbende heeft op 26 april 2023 een aangifte omzetbelasting naar een bedrag van € € 5.251 ingediend over het tijdvak 1 januari 2023 tot en met 31 maart 2023. Belanghebbende heeft de omzetbelasting niet voldaan. De Inspecteur heeft vervolgens naheffingsaanslag 3 opgelegd.

2.4.
Belanghebbende heeft tegen naheffingsaanslag 4 geen bezwaar gemaakt.

Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“6. Met betrekking tot de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep bij een bestuursrechter in te stellen ex artikel 8:1 van de Awb, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken. Eiseres heeft tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 geen bezwaar gemaakt. Aangezien eiseres niet op de zitting is verschenen, heeft de rechtbank haar ook niet kunnen vragen of zij instemt met prorogatie. Het beroep dat gericht is tegen die naheffingsaanslag is daarom niet-ontvankelijk verklaard.

7. Met betrekking tot de overige naheffingsaanslagen en de verzuimboetes overweegt de rechtbank het volgende.

8. In artikel 104 van de Grondwet is bepaald dat belastingen worden geheven uit kracht van een wet. Belastingen hebben dus altijd een wettelijke grondslag. In een rechtsstaat is iedereen gebonden aan het recht. In Nederland krijgt dus niemand de keuze of hij de wet wil volgen of niet. Dat betekent dat belastingheffing en belastingbetaling geen kwestie zijn van een vrije keuze. Eiseres kan zich dan ook niet aan haar belastingplicht onttrekken door te stellen dat zij geen contract heeft gesloten met de belastingdienst.

9. Ingevolge artikel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) wordt omzetbelasting geheven ter zake van leveringen van goederen en diensten, welke in Nederland door een als zodanig handelende ondernemer onder bezwarende titel worden verricht.

10. Nu eiseres is aan te merken als ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet OB is zij ter zake van de door haar in Nederland verrichte diensten in beginsel omzetbelasting verschuldigd. Eiseres heeft ook aangiften voor de omzetbelasting ingediend. Zij heeft evenwel de in die aangiften vermelde omzetbelasting niet betaald. In dat geval kan op de voet van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de verschuldigde belasting worden nageheven. De naheffingsaanslagen zijn dan ook terecht aan haar opgelegd.

11. Aangezien eiseres de volgens de aangiften verschuldigde belasting niet volledig heeft voldaan, zijn op grond van artikel 67c van de Awr de verzuimboetes terecht opgelegd. Dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of van een pleitbaar standpunt op grond waarvan de boetes zouden moeten komen te vervallen, is gesteld noch gebleken.

12. Al hetgeen eiseres overigens heeft gesteld, doet aan hetgeen hiervoor is overwogen niet af daar die stellingen berusten op onjuiste feiten of verkeerde aannames. Anders dan eiseres stelt, is Nederland geen onderdeel van Duitsland en ook is in 1953 en 1983 de Nederlandse grondwet niet buiten werking gesteld. Wel heeft in die jaren een herziening van de Grondwet plaatsgevonden, maar dat brengt niet mee dat de Grondwet buiten werking wordt gesteld of anderszins niet meer geldig zou zijn. Het Ministerie van Financiën, de belastingdienst en de FIOD zijn, anders dan eiseres kennelijk veronderstelt, geen ondernemingen en om die reden niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De belastingdienst is bevoegd om belastingen te heffen en te innen en de belastinginspecteur is in dat kader bevoegd om aanslagen op te leggen. De gewijzigde rechtspositie van rijksambtenaren is in dat kader volstrekt irrelevant en heeft derhalve geen gevolgen voor de heffingsbevoegdheid van de inspecteur (of de inningsbevoegdheid van de ontvanger).

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 april 2023 tot en met 30 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard en zijn de overige drie beroepen ongegrond verklaard.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten terecht heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of het opleggen van de naheffingsaanslagen is gebaseerd op een wettelijke grondslag.

4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en de verzuimboeten.

4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen ten aanzien van de naheffingsaanslagen, verzuimboeten en al hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd. In hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne en voegt daaraan het volgende toe.

5.2.
Belanghebbende stelt in hoger beroep dat haar gemachtigde niet bij de zitting van de Rechtbank aanwezig kon zijn en dat daardoor vanwege proceseconomische redenen aan artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden getoetst. Uit artikel 3:303 BW volgt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt is het voor het Hof volstrekt onduidelijk wat belanghebbende hiermee heeft beoogd te stellen. Belanghebbendes standpunt kan reeds daarom niet slagen.

5.3.
Belanghebbende stelt voorts dat de uitspraak van de Rechtbank niet rechtsgeldig is, omdat zij geen origineel exemplaar hiervan met een natte handtekening heeft ontvangen. Op grond van artikel 8:79, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht geldt dat de griffier binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen stelt, hetgeen de Rechtbank heeft gedaan. Het is niet noodzakelijk dat de Rechtbank het originele exemplaar aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbendes standpunt faalt.

Slotsom

5.4.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten
6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.

De griffier, de voorzitter,

T.S.K.L. Tjon W. de Wit

De beslissing is op 18 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. – de naam en het adres van de indiener;

b. – de dagtekening;

c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. – de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

ECLI:NL:GHDHA:2026:1026

Scroll naar boven