Gerecht Trading 4 arrest
Tussen januari 2016 en januari 2017 levert de in Letland geregistreerde vennootschap AS „Trading 4” aardolieproducten onder de accijnsschorsingsregeling aan in Estland en het Verenigd Koninkrijk gevestigde tussenhandelaren. Deze tussenhandelaren zijn niet in Letland voor btw-doeleinden geregistreerd en verkopen de goederen op dezelfde dag door aan hun afnemers in andere EU-lidstaten. De goederen worden rechtstreeks vanaf Trading 4 in Letland naar de eindafnemers vervoerd, waardoor sprake is van een ketentransactie met één enkel intracommunautair vervoer. Trading 4 past op haar leveringen het btw-nultarief toe. Na een controle stelt de Letse Belastingdienst op 7 juni 2019 echter dat geen sprake is van een vrijgestelde intracommunautaire levering, maar van belastbare binnenlandse leveringen, omdat de eigendom aan de tussenhandelaren zou zijn overgegaan vóór het vervoer.
De vraag is of de leveringen van Trading 4 aan de tussenhandelaren vrijgestelde intracommunautaire leveringen zijn. Trading 4 betoogt dat onder de accijnsschorsingsregeling de beschikkingsmacht pas bij ontvangst in het accijnsentrepot in de bestemminglidstaat overgaat en dat heffing in Letland het neutraliteitsbeginsel schendt. De Letse Belastingdienst stelt daarentegen dat de beschikkingsmacht al in Letland is overgegaan en het vervoer daarom niet aan de eerste levering kan worden toegereken. De verwijzende rechter vraagt zich af of het feit dat accijnsgoederen onder schorsing worden geleverd, de eindafnemer in de derde lidstaat de btw verschuldigd is (artikel 141 en 197, lid 1, btw-richtlijn) en het fysieke vervoer naar de derde lidstaat vaststaat, op zichzelf volstaat om de eerste levering vrij te stellen van btw.
Het Gerecht beslist dat deze drie omstandigheden op zichzelf geen grond vormen voor btw-vrijstelling van de eerste levering. Bij een keten van leveringen met één enkel intracommunautair vervoer kan het vervoer slechts aan één levering worden toegereken, wat afhangt van een algehele beoordeling van het tijdstip waarop de beschikkingsmacht als eigenaar op de afnemer is overgegaan (HvJ 26 juli 2017, Toridas, C-386/16, ECLI:EU:C:2017:599; HvJ 23 april 2020, Herst, C-401/18, ECLI:EU:C:2020:295). Dat goederen onder de accijnsschorsingsregeling worden vervoerd of wanneer het elektronisch administratief document wordt ondertekend, is niet doorslaggevend voor het overgangsmoment van de beschikkingsmacht (HvJ 19 december 2018, AREX CZ, C-414/17, ECLI:EU:C:2018:1027; HvJ 20 juni 2018, Enteco Baltic, C-108/17, ECLI:EU:C:2018:473). Evenmin is de btw-verlegging bij een driehoekstransactie van invloed op de toerekening van het vervoer (HvJ 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C-247/21, ECLI:EU:C:2022:966).
Samenvatting + afbeelding: Gemini + redactie btwjurisprudentie.nl
Artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27 juni 2016, gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn
moet aldus worden uitgelegd dat
de omstandigheden dat, ten eerste, een levering van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling wordt verricht, ten tweede, in het kader van een driehoekstransactie vaststaat dat de in een derde lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige tot voldoening van de btw is gehouden, en, ten derde, wordt aangetoond dat de goederen de eerste lidstaat daadwerkelijk hebben verlaten en in de derde lidstaat zijn geleverd, op zichzelf geen grond vormen om een levering die door een in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige aan een in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde tussenhandelaar wordt verricht vrij te stellen van btw.
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters)
9 september 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Gemeenschappelijk stelsel voor de belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Vrijstellingen voor intracommunautaire handelingen – Vrijstelling voor leveringen van goederen – Artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG – Vrijstellingen voor intracommunautaire verwervingen van goederen – Artikel 141 van richtlijn 2006/112 – Keten van leveringen met één enkel intracommunautair vervoer – Driehoekstransactie – Toerekening van het vervoer – Vervoer onder de accijnsschorsingsregeling – Overdracht van de macht om over de goederen te beschikken aan de afnemer ”
In zaak T‑614/25,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland) bij beslissing van 25 augustus 2025, ingekomen bij het Hof op 25 augustus 2025, in de procedure
AS „Trading 4”
tegen
Valsts ieņēmumu dienests,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
samengesteld als volgt: N. Półtorak (rapporteur), president, G. Hesse, G. Steinfatt, D. Petrlík en I. Dimitrakopoulos, rechters,
advocaat-generaal: M. Brkan,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 25 augustus 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,
gezien de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder a), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Letse regering, vertegenwoordigd door K. Pommere en S. Zellis als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Březinová, L. Halajová, en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Björkland, M. Herold en V. Hitrovs als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 138, lid 1, artikel 141 en artikel 197, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27 juni 2016 (PB 2016, L 177, blz. 9) (hierna: „btw-richtlijn”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AS „Trading 4”, een vennootschap naar Lets recht, en de Valsts ieņēmumu dienests (belastingdienst, Letland) over de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde (btw) voor leveringen van accijnsgoederen, in het kader van een keten van opeenvolgende leveringen aan in Estland en in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen, die onder de accijnsschorsingsregeling naar de klanten van deze ondernemingen in andere lidstaten van de Unie zijn vervoerd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 14, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„Als ‚levering van goederen’ wordt beschouwd, de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.”
4 In artikel 20, eerste alinea, van de btw-richtlijn is het volgende bepaald:
„Als ‚intracommunautaire verwerving van goederen’ wordt beschouwd het verkrijgen van de macht om als eigenaar te beschikken over een roerende lichamelijke zaak die door de verkoper of de afnemer, of voor hun rekening, met als bestemming de afnemer is verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van het goed.”
5 Artikel 40 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen wordt aangemerkt de plaats waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of van het vervoer naar de afnemer.”
6 Artikel 41 van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„Onverminderd artikel 40 wordt als plaats van een intracommunautaire verwerving van goederen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), punt i), aangemerkt het grondgebied van de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht, voor zover de afnemer niet aantoont dat de btw op deze verwerving is geheven overeenkomstig artikel 40.
Indien op de verwerving uit hoofde van artikel 40 btw wordt geheven in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen, nadat de btw erop is geheven op grond van de eerste alinea, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de afnemer deze verwerving heeft verricht.”
7 Artikel 42 van de btw-richtlijn bepaalt:
„Artikel 41, eerste alinea, is niet van toepassing en de intracommunautaire verwerving van goederen wordt geacht overeenkomstig artikel 40 aan de btw te zijn onderworpen wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de afnemer toont aan deze verwerving te hebben verricht met het oog op een daaropvolgende levering binnen het grondgebied van de overeenkomstig artikel 40 bepaalde lidstaat, waarvoor degene voor wie deze levering bestemd is, overeenkomstig artikel 197 is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon;
b) de afnemer heeft voldaan aan de in artikel 265 bedoelde verplichtingen inzake de indiening van de aldaar bedoelde lijst.”
8 Artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn luidt als volgt:
„De lidstaten verlenen vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de Gemeenschap, welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.”
9 Artikel 141 van de btw-richtlijn is als volgt geformuleerd:
„Elke lidstaat treft bijzondere maatregelen om de intracommunautaire verwerving van goederen die overeenkomstig artikel 40 binnen zijn grondgebied wordt verricht, niet aan de btw te onderwerpen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de verwerving van goederen wordt verricht door een niet in die lidstaat gevestigde, maar in een andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige;
b) de verwerving van goederen wordt verricht met het oog op een daaropvolgende levering van deze goederen in diezelfde lidstaat door de in punt a) bedoelde belastingplichtige;
c) de aldus door de in punt a) bedoelde belastingplichtige verworven goederen worden rechtstreeks vanuit een andere lidstaat dan die waarin hij voor btw-doeleinden geïdentificeerd is, verzonden of vervoerd naar degene voor wie hij de daaropvolgende levering verricht;
d) degene voor wie de daaropvolgende levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die in diezelfde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd;
e) de in punt d) bedoelde persoon voor wie de volgende levering is bestemd, is overeenkomstig artikel 197 aangewezen als degene die is gehouden tot voldoening van de belasting, verschuldigd uit hoofde van de levering welke is verricht door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat waar de belasting is verschuldigd.”
10 Artikel 197, lid 1, van de btw-richtlijn bepaalt:
„De btw is verschuldigd door degene voor wie de goederenlevering bestemd is wanneer aan de volgende voorwaarden vervuld [is]:
a) de belastbare handeling is een goederenlevering die onder de voorwaarden van artikel 141 wordt verricht;
b) degene voor wie de levering bestemd is, is een andere belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in de lidstaat waar de levering wordt verricht;
c) de factuur welke is uitgereikt door de belastingplichtige die niet gevestigd is in de lidstaat van degene voor wie de levering bestemd is, is opgesteld overeenkomstig hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 5.”
Lets recht
11 Artikel 5, lid 1, punten 1 en 3 van de Pievienotās vērtības nodokļa likums (wet inzake de belasting over de toegevoegde waarde) van 29 november 2012 (Latvijas Vēstnesis, 2012, nr. 197), bepaalt:
„Belastbare handelingen zijn de volgende binnenlandse handelingen die in het kader van een economische activiteit worden verricht:
1) de levering van goederen (met inbegrip van de levering van goederen binnen het grondgebied van de Europese Unie en de uitvoer van goederen) onder bezwarende titel;
[…]3) de verkrijging van goederen onder bezwarende titel binnen het grondgebied van de Europese Unie.”
12 Artikel 43, lid 4, van de wet inzake de belasting over de toegevoegde waarde luidt als volgt:
„Het belastingtarief van 0 % is van toepassing op de levering van goederen die binnen het grondgebied van de Europese Unie wordt verricht, indien ook aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:
1) de ontvanger van de goederen die wordt vermeld in de begeleidende vervoersdocumenten van de goederen en op de belastingfactuur heeft de leverancier van de goederen op het tijdstip van de transactie een geldig registratienummer van een belastingplichtige uit een andere lidstaat verstrekt;
2) de goederen zijn verzonden of vervoerd vanuit ’s lands grondgebied naar hun bestemming in een andere lidstaat en dit blijkt uit de begeleidende vervoersdocumenten van de goederen die in het bezit zijn van de leverancier.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
13 Trading 4 is een vennootschap die in Letland voor btw-doeleinden is geregistreerd. Tussen januari 2016 en januari 2017 heeft zij aardolieproducten onder de accijnsschorsingsregeling geleverd aan verschillende ondernemingen die gevestigd zijn in Estland en het Verenigd Koninkrijk (hierna samen: „belastingplichtigen B”), die niet voor btw-doeleinden waren geregistreerd in Letland maar wel in Estland respectievelijk het Verenigd Koninkrijk.
14 Op dezelfde data waarop de belastingplichtigen B de goederen bij Trading 4 hebben gekocht, hebben zij deze doorverkocht aan hun medecontractanten (hierna samen: „belastingplichtigen C”) in andere lidstaten van de Unie dan Estland en het Verenigd Koninkrijk.
15 De goederen zijn rechtstreeks van Trading 4 naar de belastingplichtigen C vervoerd, waardoor een keten van opeenvolgende leveringen tot stand is gebracht waarbij sprake is van één enkel intracommunautair vervoer.
16 In deze context heeft Trading 4 op de leveringen van goederen aan de belastingplichtigen B een btw-tarief van 0 % toegepast.
17 Na een controle was de belastingdienst van mening dat Trading 4 geen btw-tarief van 0 % had mogen toepassen op haar leveringen aan de belastingplichtigen B (hierna: „betrokken leveringen”). De belastingdienst heeft namelijk aangevoerd dat de belastingplichtigen B de eigendom van de goederen aan de belastingplichtigen C hadden overgedragen voordat deze goederen vanuit de opslagplaats van Trading 4 naar de bedrijfslocaties van de belastingplichtigen C zouden worden vervoerd, en dat Trading 4 daarvan op de hoogte was. De belastingdienst is tot de slotsom gekomen dat de betrokken leveringen moesten worden beschouwd als binnenlandse leveringen in Letland, die aan het normale btw-tarief waren onderworpen. Deze dienst heeft daaraan toegevoegd dat, ten eerste, de belastingplichtigen B zich in Letland als btw-plichtigen hadden moeten registreren en, ten tweede, Trading 4 met die transacties zou hebben deelgenomen aan btw-fraude.
18 Bijgevolg heeft de belastingdienst op 7 juni 2019 een besluit vastgesteld waarbij hij op de betrokken leveringen een normaal btw-tarief heeft toegepast en Trading 4 verschillende corrigerende maatregelen heeft opgelegd.
19 Trading 4 heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland). Zij heeft ter ondersteuning van haar beroep aangevoerd dat zij intracommunautaire leveringen had verricht en dat voor deze leveringen een btw-tarief van 0 % gold.
20 Bij arrest van 6 februari 2024 heeft de Administratīvā apgabaltiesa dit beroep verworpen. Deze rechter heeft in essentie geoordeeld dat de leveringen van goederen van Trading 4 aan de belastingplichtigen B binnen Letland hadden plaatsgevonden zodat wel degelijk het normale btw-tarief daarop moest worden toegepast. De eigendom van de betrokken goederen is volgens hem van Trading 4 op de belastingplichtigen B overgegaan op het moment dat deze goederen aan de vervoerder werden overgedragen. De belastingplichtigen B hebben Trading 4 namelijk verzocht om informatie over andere ondernemingen te vermelden op de internationale vrachtbrief Cargo Movement Requirement (CMR), waardoor Trading 4 kon begrijpen dat de betrokken goederen onmiddellijk in een derde lidstaat werden doorverkocht.
21 Trading 4 heeft tegen het arrest van de Administratīvā apgabaltiesa cassatieberoep ingesteld bij de Augstākā tiesa (Senāts) (hoogste rechterlijke instantie, Letland), de verwijzende rechter.
22 Trading 4 voert in het kader van dit cassatieberoep ten eerste aan dat de betrokken goederen aan accijns zijn onderworpen en in de Unie onder de accijnsschorsingsregeling worden geleverd. In die omstandigheden is de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken pas op de belastingplichtigen B overgegaan op het moment van de ontvangst van deze goederen in een accijnsentrepot in een andere lidstaat van de Unie. Bovendien is de eigendom van de goederen pas aan de belastingplichtigen C overgedragen na de levering van deze goederen op hun bestemming en na de ondertekening van het elektronische administratieve document. Voor de beoordeling van het tijdstip waarop de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, moeten de belastingplichtigen B worden beschouwd als de organisatoren van het vervoer van de goederen en is er geen enkele reden om aan te nemen dat het vervoer door de belastingplichtigen C is georganiseerd. Ten tweede stelt Trading 4 dat zij niet in kennis is gesteld van het feit dat de betrokken goederen onmiddellijk vóór het vervoer ervan door de belastingplichtigen B aan de belastingplichtigen C zijn geleverd. Ten derde verwijt Trading 4 de belastingdienst schending van het beginsel van btw-neutraliteit door haar te verplichten de btw in Letland te betalen, terwijl de belastingplichtigen C deze belasting voor dezelfde goederen reeds in de lidstaat van bestemming hebben betaald.
23 Tegen die achtergrond heeft de Augstākā tiesa (Senāts) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 138, lid 1, van [de btw-richtlijn], gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, wanneer accijnsproducten onder een accijnsschorsingsregeling in een driehoekstransactie worden geleverd en vastgesteld wordt dat de belasting verschuldigd is door de in de derde lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw, dit op zichzelf een grond vormt om de levering die door de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw aan de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw is verricht, vrij te stellen van btw overeenkomstig artikel 138, lid 1, van de richtlijn, mits wordt aangetoond dat de goederen daadwerkelijk vanuit de eerste lidstaat zijn uitgevoerd en in de derde lidstaat zijn geleverd?
2) Moet artikel 138, lid 1, van [de btw-richtlijn] in het geval van een driehoekstransactie aldus worden uitgelegd dat, wanneer de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw ervan in kennis wordt gesteld dat de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw de goederen vervolgens onmiddellijk zal leveren aan een in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw en die inkennisstelling plaatsvindt voordat die goederen de eerste lidstaat verlaten en naar deze belastingplichtige in de derde lidstaat worden vervoerd, de levering door de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige aan de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige niet is vrijgesteld van btw?
3) Is artikel 141 van [de btw-richtlijn] van toepassing wanneer een onderneming uit de derde lidstaat de goederen na een driehoekstransactie in het kader van dezelfde enkele vervoersbeweging doorverkoopt binnen het grondgebied van de Europese Unie?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheden dat, ten eerste, een levering van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling wordt verricht, ten tweede, in het kader van een driehoekstransactie vaststaat dat de in een derde lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige tot voldoening van de btw is gehouden, en, ten derde, wordt aangetoond dat de goederen de eerste lidstaat daadwerkelijk hebben verlaten en in de derde lidstaat zijn geleverd, op zichzelf een grond vormen om een levering die door een in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige aan een in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde tussenhandelaar wordt verricht vrij te stellen van btw.
25 Luidens artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling voor de levering van goederen, door of voor rekening van de verkoper of de afnemer verzonden of vervoerd naar een plaats buiten hun respectieve grondgebied, maar binnen de Unie, welke wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die als zodanig handelt in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer van de goederen.
26 Deze vrijstelling is slechts van toepassing indien de macht om als een eigenaar over dit goed te beschikken aan de afnemer is overgedragen, de leverancier aantoont dat dit goed naar een andere lidstaat is verzonden of vervoerd en dit goed het grondgebied van de lidstaat van levering ten gevolge van deze verzending of dit vervoer fysiek heeft verlaten (zie arrest van 26 juli 2017, Toridas, C‑386/16, EU:C:2017:599, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27 In het geval van een keten van twee opeenvolgende leveringen waarvoor slechts één intracommunautair vervoer wordt verricht, kan dit vervoer slechts aan één van de twee leveringen worden toegerekend en is bijgevolg alleen die ene levering krachtens artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn vrijgesteld (zie arrest van 26 juli 2017, Toridas, C‑386/16, EU:C:2017:599, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In dit verband merkt de verwijzende rechter in punt 10 van de verwijzingsbeslissing op dat artikel 36 bis van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2018/1910 van de Raad van 4 december 2018 (PB 2018, L 311, blz. 3), regelt op welke wijze kan worden bepaald aan welke van de opeenvolgende leveringen het vervoer moet worden toegerekend. In het hoofdgeding gaat het echter om leveringen die Trading 4 heeft verricht tussen 2016 en 2017. Deze bepaling is dus niet van toepassing op het hoofdgeding.
29 Blijkens de rechtspraak moet teneinde uit te maken aan welke van de twee leveringen het intracommunautair vervoer moet worden toegerekend, een algehele beoordeling van alle bijzondere omstandigheden van de zaak worden verricht (zie arrest van 26 juli 2017, Toridas, C‑386/16, EU:C:2017:599, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Bij deze beoordeling moet met name worden bepaald op welk tijdstip de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken op de eindafnemer is overgegaan. Indien de tweede overgang van de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken, te weten de tweede levering, heeft plaatsgevonden vóór het intracommunautaire vervoer, kan dit vervoer immers niet worden toegerekend aan de eerste levering aan de eerste afnemer (zie arrest van 26 juli 2017, Toridas, C‑386/16, EU:C:2017:599, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Aangaande de voorwaarde inzake de overgang van de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het niet enkel gaat om de eigendomsoverdracht in de door het toepasselijke nationale recht voorgeschreven vormen, maar tevens om elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij, die de wederpartij ertoe machtigt, daarover feitelijk als eigenaar te beschikken. Voor de overdracht van het recht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken, is niet vereist dat de partij aan wie deze zaak wordt overgedragen, die zaak fysiek in haar bezit heeft, noch dat die zaak fysiek naar haar wordt vervoerd en/of fysiek door haar wordt ontvangen (zie arrest van 19 december 2018, AREX CZ, C‑414/17, EU:C:2018:1027, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Bovendien moet ervan worden uitgegaan dat het bestaan van een overdracht of overgang van de macht om als eigenaar te beschikken over een lichamelijk goed met zich meebrengt dat de partij waaraan die macht is overgedragen de mogelijkheid heeft om besluiten te nemen die de rechtstoestand van het betrokken goed kunnen beïnvloeden, waaronder met name het besluit om het te verkopen (arrest van 23 april 2020, Herst, C‑401/18, EU:C:2020:295, punt 40).
33 De verwijzende rechter zal daarbij dan ook onder meer rekening moeten houden met de omstandigheid dat de betrokken marktdeelnemer het vervoer heeft aangevangen om zijn eigen economische activiteit uit te oefenen, dat deze direct of indirect de kosten van het vervoer van de goederen draagt en de logistieke regelingen in verband hiermee treft, dat hij dit vervoer met zijn eigen materiële middelen uitvoert, dat hij een daadwerkelijke of functionele controle over de verplaatsing van de goederen uitoefent, of dat het vervoer kadert in een activiteit van wederverkoop of een handelsactiviteit die hij voor eigen rekening uitoefent (zie in die zin arrest van 23 april 2020, Herst, C‑401/18, EU:C:2020:295, punten 48 en 49).
34 De omstandigheid dat de brandstof in het hoofdgeding onder de accijnsschorsingsregeling is vervoerd, kan daarentegen niet van doorslaggevend belang zijn om te bepalen aan welke levering in de betrokken keten dat vervoer moet worden toegerekend (zie in die zin arrest van 19 december 2018, AREX CZ, C‑414/17, EU:C:2018:1027, punt 73).
35 Ten eerste laat de omstandigheid dat de betrokken goederen onder de accijnsschorsingsregeling zijn vervoerd immers de voorwaarden inzake de overgang van de macht om als eigenaar over de goederen te beschikken onverlet (arrest van 19 december 2018, AREX CZ, C‑414/17, EU:C:2018:1027, punt 76).
36 Ten tweede is het belastbare feit, waarmee de wettelijke voorwaarden voor het verschuldigd worden van de btw worden vervuld, de levering of de invoer van de goederen en niet de heffing van de accijns daarover (arrest van 19 december 2018, AREX CZ, C‑414/17, EU:C:2018:1027, punt 77).
37 Bovendien moet worden opgemerkt dat het tijdstip van ondertekening van het elektronische administratieve document – dat overeenkomstig artikel 21 van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG (PB 2009, L 9, blz. 12) wordt opgesteld bij de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns – niet relevant is bij de beoordeling van het tijdstip waarop de overdracht van het recht om als een eigenaar over de betrokken goederen te beschikken plaatsvindt. Er zij immers op gewezen dat hoewel aan de hand van het bericht van ontvangst van een dergelijk document kan worden aangetoond dat die goederen het grondgebied van de lidstaat van verzending daadwerkelijk hebben verlaten en dat zij naar een andere lidstaat zijn vervoerd of verzonden in de zin van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn (zie in die zin arrest van 20 juni 2018, Enteco Baltic, C‑108/17, EU:C:2018:473, punt 76), dit de voorwaarden voor overdracht van de macht om als eigenaar over die goederen te beschikken onverlet laat.
38 Bovendien kan in het kader van de driehoekstransactie in het hoofdgeding noch het feit dat de belastingplichtigen C, die in een derde lidstaat voor btw-doeleinden zijn geregistreerd, tot voldoening van de btw zijn gehouden, noch de omstandigheid dat vaststaat dat de goederen het grondgebied van de eerste lidstaat fysiek hebben verlaten om naar het grondgebied van een derde lidstaat te worden vervoerd van invloed zijn op de vraag of het recht om als een eigenaar over die goederen te beschikken op de afnemer is overgegaan.
39 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat een driehoekstransactie een transactie is waarbij goederen door een leverancier die in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, worden geleverd aan een tussenhandelaar die in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd en die de goederen op zijn beurt levert aan een eindafnemer die in een derde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, waarbij de goederen rechtstreeks vanuit de eerste lidstaat naar de derde lidstaat worden vervoerd (arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 41).
40 Aan de in punt 38 van dit arrest vermelde conclusie kan niet worden afgedaan door artikel 141 van de btw-richtlijn inzake de vereenvoudigingsregeling voor driehoekstransacties. De afwijkende regeling van artikel 141 van de btw-richtlijn bestaat er namelijk in dat de intracommunautaire verwerving door de tussenhandelaar, die in de tweede lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, wordt vrijgesteld, en dat de belasting over deze verwerving wordt verlegd naar de eindafnemer, die in de derde lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, waarbij de tussenhandelaar is vrijgesteld van de verplichting om zich in die laatste lidstaat voor btw-doeleinden te identificeren (zie in die zin arrest van 8 december 2022, Luxury Trust Automobil, C‑247/21, EU:C:2022:966, punt 43).
41 De toepassing van de vereenvoudigingsregeling van artikel 141 van de btw-richtlijn veronderstelt dus dat een tussenhandelaar, zoals de belastingplichtigen B, een intracommunautaire verwerving verricht. Daarvan kan slechts sprake zijn indien de eerste transactie tussen een leverancier als Trading 4 en die tussenhandelaar een krachtens artikel 138, lid 1, van deze richtlijn vrijgestelde intracommunautaire levering is.
42 Bijgevolg is het feit dat de belastingplichtigen B en C in het hoofdgeding gebruik hebben gemaakt van deze vereenvoudigingsregeling irrelevant om te bepalen aan welke van de twee leveringen het intracommunautaire vervoer moet worden toegerekend.
43 Bovendien stellen de in punt 25 hierboven in herinnering gebrachte voorwaarden van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn de vrijstelling van een intracommunautaire levering niet afhankelijk van het feit dat de intermediaire afnemer tot voldoening van de btw is gehouden en dat daadwerkelijk btw is geheven over de overeenkomstige intracommunautaire verwerving.
44 Bijgevolg staat het aan de verwijzende rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de feiten te beoordelen, om overeenkomstig punt 33 hierboven te bepalen op welk tijdstip de macht om als een eigenaar over het goed te beschikken op de afnemer is overgegaan, en met name of de tweede overdracht van die macht, namelijk de tweede levering aan de belastingplichtigen C, heeft plaatsgevonden vooraleer het intracommunautaire vervoer is verricht – ongeacht of de levering van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling wordt verricht en of de belastingplichtigen C die in een derde lidstaat voor btw-doeleinden zijn geregistreerd tot voldoening van de btw zijn gehouden – en of is aangetoond dat de goederen de eerste lidstaat daadwerkelijk hebben verlaten en in de derde lidstaat zijn geleverd.
45 Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de omstandigheden dat, ten eerste, een levering van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling wordt verricht, ten tweede, in het kader van een driehoekstransactie vaststaat dat de in een derde lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige tot voldoening van de btw is gehouden, en, ten derde, wordt aangetoond dat de goederen de eerste lidstaat daadwerkelijk hebben verlaten en in de derde lidstaat zijn geleverd, op zichzelf geen grond vormen om een levering die door een in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige aan een in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde tussenhandelaar wordt verricht vrij te stellen van btw.
Tweede vraag
46 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden onderzocht, aangezien de verwijzende rechter deze vraag slechts heeft gesteld voor het geval dat de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord.
Derde vraag
47 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de vereenvoudigingsregeling van artikel 141 van de btw-richtlijn van toepassing is wanneer de in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige na een driehoekstransactie de goederen doorverkoopt in de Unie.
48 De Europese Commissie uit twijfels over de ontvankelijkheid van de derde prejudiciële vraag.
49 Er zij aan herinnerd dat er een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan de Unierechter is de juistheid te onderzoeken. De Unierechter kan enkel weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer de Unierechter niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arrest van 4 juni 2026, Darashev, C‑312/24, EU:C:2026:449, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak),
50 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat het hoofdgeding niet gaat over de toepassing van de vereenvoudigingsregeling van artikel 141 van de btw-richtlijn, die de in een tweede lidstaat gevestigde belastingplichtigen B aangaat, maar over de toepassing van artikel 138, lid 1, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 141 ervan, op de transacties die zijn verricht door Trading 4, die in de eerste lidstaat is gevestigd. Zoals in punt 42 hierboven is opgemerkt, is de toepassing van die vereenvoudigingsmaatregel irrelevant voor de toepassing van artikel 138, lid 1, van de btw-richtlijn. De derde vraag houdt dan ook geen verband met het voorwerp van het hoofdgeding.
51 De derde vraag is bijgevolg niet-ontvankelijk.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Gerecht gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
HET GERECHT (Tweede kamer, zitting hebbend met vijf rechters),
verklaart voor recht:
Artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27 juni 2016, gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn
moet aldus worden uitgelegd dat
de omstandigheden dat, ten eerste, een levering van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling wordt verricht, ten tweede, in het kader van een driehoekstransactie vaststaat dat de in een derde lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige tot voldoening van de btw is gehouden, en, ten derde, wordt aangetoond dat de goederen de eerste lidstaat daadwerkelijk hebben verlaten en in de derde lidstaat zijn geleverd, op zichzelf geen grond vormen om een levering die door een in een eerste lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde belastingplichtige aan een in een tweede lidstaat voor btw-doeleinden geregistreerde tussenhandelaar wordt verricht vrij te stellen van btw.
Półtorak
Hesse
Steinfatt
Petrlík
Dimitrakopoulos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 september 2026.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.
C/2025/5968
17.11.2025
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Augstākā tiesa (Senāts) (Letland) op 25 augustus 2025 – SIA “Trading 4” tegen Valsts ieņēmumu dienests
(Zaak T-614/25, Trading 4)
(C/2025/5968)
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākā tiesa (Senāts)
Partijen in het hoofdgeding
Eiseres tot cassatie en verzoekster: SIA “Trading 4”
Verweerster: Valsts ieņēmumu dienests
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, gelezen in samenhang met artikel 141 en artikel 197, lid 1, van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, wanneer accijnsproducten onder een accijnsschorsingsregeling in een driehoekstransactie worden geleverd en vastgesteld wordt dat de belasting verschuldigd is door de in de derde lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw, dit op zichzelf een grond vormt om de levering die door de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw aan de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw is verricht, vrij te stellen van btw overeenkomstig artikel 138, lid 1, van de richtlijn, mits wordt aangetoond dat de goederen daadwerkelijk vanuit de eerste lidstaat zijn uitgevoerd en in de derde lidstaat zijn geleverd?
2)
Moet artikel 138, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in het geval van een driehoekstransactie, aldus worden uitgelegd dat, wanneer de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw ervan in kennis wordt gesteld dat de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw de goederen vervolgens onmiddellijk zal leveren aan een in een derde lidstaat gevestigde belastingplichtige voor de btw en die inkennisstelling plaatsvindt voordat die goederen de eerste lidstaat verlaten en naar deze belastingplichtige in de derde lidstaat worden vervoerd, de levering door de in de eerste lidstaat gevestigde belastingplichtige aan de in de tweede lidstaat gevestigde belastingplichtige niet is vrijgesteld van btw?
3)
Is artikel 141 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, na een driehoekstransactie, van toepassing wanneer een onderneming uit de derde lidstaat de goederen in het kader van dezelfde enkele vervoersbeweging doorverkoopt binnen het grondgebied van de Europese Unie?
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2025/5968/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)