OB-vrijstelling kansspelen: strikte uitleg voor B2B spelcontent

Dienstverlening software aan online kansspelaanbieder geen OB-vrijgesteld kansspel. Strikte uitleg vrijstelling 11 lid 1 onder l Wet OB.

A BV biedt online kansspelen aan, waaronder online casinospelen, live casinospelen en sportweddenschappen, waarvoor zij een vergunning bezit. Voor het aanbieden van deze spellen koopt A BV diensten in van B Ltd, een dochtermaatschappij van C SA. De contractuele afspraken, vastgelegd in een Joint Venture and Shareholders Agreement (JVSA), omschrijven de dienstverlening als “The provision of G1 and Affiliated company propriety games”. De vergoeding die A BV aan B Ltd betaalt, bestaat onder meer uit een percentage van de Net Gaming Revenue (NGR). A BV heeft voor de betreffende tijdvakken omzetbelasting op aangifte voldaan, maar hiertegen bezwaar gemaakt, welke bezwaren door de belastingdienst ongegrond zijn verklaard.

De vraag was of de door B Ltd aan A BV verrichte diensten vallen onder de vrijstelling voor kansspelen, zoals bepaald in artikel 11, eerste lid, onderdeel l, van de Wet OB, dat verwijst naar kansspelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet KSB. A BV betoogde primair dat de prestatie van B Ltd aan haarzelf kwalificeert als het aanbieden van een kansspel. Subsidiair stelde A BV dat er sprake is van tussenkomst bij een elektronische dienst en dat zij handelde op eigen naam maar voor rekening van B Ltd, en beriep zich hierbij op artikel 9bis van de btw-verordening. Voorts voerde zij aan dat sprake was van “partage”, dat de heffing leidde tot concurrentieverstoring, dat de prestatie niet onder bezwarende titel plaatsvond omdat de vergoeding winstafhankelijk was, en deed zij een beroep op het vertrouwensbeginsel op basis van een voetnoot in een Besluit aftrek omzetbelasting. De belastingdienst bestreed al deze stellingen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft alle beroepen van A BV ongegrond verklaard. Ten aanzien van de kansspelvrijstelling oordeelde de rechtbank dat A BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat de dienstverlening van B Ltd aan haarzelf kwalificeert als het aanbieden van een kansspel, maar veeleer als het ter beschikking stellen van spellen die A BV aan haar spelers kan aanbieden. De omstandigheid dat de vergoeding afhankelijk is van het spelresultaat doorbreekt dit niet. De rechtbank benadrukte dat vrijstellingen strikt moeten worden uitgelegd, conform vaste jurisprudentie (zoals HvJ A & G Fahrschul-Akademie). Het beroep op tussenkomst (commissionair) werd afgewezen omdat A BV haar stelling, die afwijkt van de contractuele bepalingen, onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Hierbij werd gerefereerd aan de economische realiteit als fundamenteel criterium (HvJ Loyalty Management UK en Baxi Group) en de bewijslast bij afwijking van contracten (HvJ Henfling). Het leerstuk van partage vond geen toepassing, noch kon concurrentieverstoring in het buitenland leiden tot de toepassing van de vrijstelling. De stelling dat er geen sprake was van een bezwarende titel werd verworpen, aangezien een vergoeding was overeengekomen en de berekening op basis van Net Gaming Revenue het directe verband tussen prestatie en vergoeding niet doorbreekt. Ten slotte slaagde het beroep op het vertrouwensbeginsel niet, aangezien A BV niet aannemelijk maakte dat sprake was van een winstafhankelijke vergoeding zoals bedoeld in het betreffende besluit.

Bron: ECLI:NL:RBZWB:2025:5941

Scroll naar boven