Vertrouwensbeginsel staat aan oplegging naheffingsaanslagen in de weg
A BV is een aannemersbedrijf dat voor feitelijke bouwwerkzaamheden gebruikmaakt van onderaannemers. Na een boekenonderzoek bij een onderaannemer heeft de Belastingdienst in 2014 ook bij A BV een derdenonderzoek uitgevoerd. In het daaropvolgende controlerapport zegde de Belastingdienst toe dat de in aftrek gebrachte voorbelasting in dit specifieke geval zou worden geaccepteerd, tenzij in de toekomst zou blijken dat de onderaannemer de btw niet op aangifte voldeed én A BV daarvan wetenschap had. Desondanks heeft de Belastingdienst, na een nieuw onderzoek in 2017, naheffingsaanslagen omzetbelasting en een vergrijpboete opgelegd over de jaren 2012 tot en met medio 2014. De Belastingdienst verweet A BV dat zij de verleggingsregeling niet had toegepast en stelde dat er sprake was van onzorgvuldig handelen omtrent malafide onderaannemers.
Ten eerste is in formele zin in geschil of de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat A BV de beroepsgronden enkele dagen te laat indiende. Inhoudelijk is de hoofdvraag of het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de naheffingsaanslagen. De Belastingdienst stelt dat het honoreren van dit vertrouwen contra legem is en zich niet verdraagt met het Unierecht, waarbij specifiek wordt verwezen naar het arrest Nigl (HvJ 12 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:764). Ook stelt de Belastingdienst dat de voorwaarde uit het controlerapport was geschonden, omdat A BV wegens onzorgvuldig handelen had behoren te weten dat de btw niet werd voldaan. Verder is in geschil of de Belastingdienst mocht terugvallen op interne compensatie.
Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het beroep terecht ontvankelijk is verklaard, aangezien de bevoegdheid uit artikel 6:6 Awb discretionair van aard is. Inhoudelijk oordeelt het Hof dat toepassing van het vertrouwensbeginsel in deze casus niet per definitie in strijd is met het EU-recht. Het Hof verwijst hierbij onder meer naar HR 18 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:2095), HR 10 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1849) en vaste jurisprudentie van het HvJ, waaronder Genius Holding (HvJ 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:635), Ministru Kabinets (HvJ 7 augustus 2018, C-120/17, ECLI:EU:C:2018:638) en Klohn (HvJ 17 oktober 2018, C-167/17, ECLI:EU:C:2018:833). Omdat de Belastingdienst onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat A BV daadwerkelijk wetenschap had van het niet-voldoen van btw, mocht zij gerechtvaardigd vertrouwen op de toezegging. De werking van dit beginsel doorkruist tevens een beroep op interne compensatie. Het Hof handhaaft de naheffing slechts voor een klein bedrag ter zake van btw die ná de datum van het controlerapport ten onrechte gefactureerd is.
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-03-2026
Datum publicatie
27-05-2026
Zaaknummer
BK-25/20 en BK-25/21
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:22321, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Wet OB. vertrouwensbeginsel. Discretionaire bevoegdheid van artikel 6:6 Awb om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Beroep terecht ontvankelijk verklaard.
Vertrouwensbeginsel. Belanghebbende mocht er gelet op controlerapport gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Inspecteur zou afzien van naheffing. Toezegging niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de Inspecteur die toezegging niet zou nakomen.
Rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom zij is afgeweken van de forfaitaire proceskostenvergoeding.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2026052715
NLF 2026/1043
V-N Vandaag 2026/1088
FutD 2026-0929
Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-25/20 en BK-25/21
Uitspraak van 25 maart 2026
in het geding tussen:
(gemachtigde: H. Weisfelt)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 december 2024, nummer SGR 22/8179 en SGR 22/8180.
Procesverloop
1.1.
Over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (BK 25/20) en over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2014 (BK 25/21) zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is eveneens belastingrente in rekening gebracht, terwijl voorts over het tijdvak in 2013-2014 een vergrijpboete is opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de vergrijpsboete. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de bezwaren afgewezen.
1.3.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is € 365 griffierecht geheven.
1.3.2.
De Inspecteur heeft bij de geheimhoudingskamer van de Rechtbank een geheimhoudingsverzoek ingediend met bijlagen, die weggelakte delen bevatten. De Inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om die delen niet ongeschoond aan belanghebbende over te leggen. De
geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 21 maart 2024
(zaaknummers: SGR 22/8179 en SGR 22/8180) het verzoek om beperkte kennisneming
deels toegewezen. Belanghebbende heeft de Rechtbank toestemming gegeven om mede op
grondslag van de niet-overgelegde delen uitspraak te doen.
1.3.3.
De beslissing van Rechtbank in de hoofdzaken luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
– verklaart de beroepen gegrond;
– vernietigt de uitspraken op bezwaar;
– vernietigt de naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en boetebeschikkingen;
– veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
€3.500;
– veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
– veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot het bedrag van € 2.998;
– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.1.
Het Hof heeft de Inspecteur op 16 januari 2026 verzocht de onder 1.3.2 bedoelde stukken opnieuw in te dienen. De Inspecteur heeft op 19 januari 2026 aan dit verzoek voldaan. Belanghebbende is bij bericht van 21 januari 2026 in de gelegenheid gesteld op het
verzoek van de Inspecteur te reageren. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
1.5.2.
De geheimhoudingskamer heeft geen aanleiding gezien de zaak mondeling te behandelen en heeft uitspraak gedaan op basis van de stukken. De beslissing van de geheimhoudingskamer luidt:
“Het Gerechtshof:
– bevestigt de beslissing van de Rechtbank van 21 maart 2024;
– verzoekt belanghebbende ter zitting van 29 januari 2026 mee te delen of zij de zetel die het hoger beroep behandelt, toestemming geeft van de geheime delen kennis te nemen.”
1.5.3.
Belanghebbende heeft ter zitting toestemming gegeven aan het Hof kennis te nemen van de geheime delen.
1.6.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaken zijn ter zitting ook de zaken met de nummers BK-25/18 en BK-25/19 en de zaken met nummers BK-25/22 en BK-25/23 behandeld. Al hetgeen in de ene zaak wordt aangevoerd, wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaken, tenzij het specifiek op de desbetreffende zaak betrekking heeft. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is opgericht in 2012. Aandeelhouders van belanghebbende zijn [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] .
2.2.
Belanghebbende is aannemer. De onderneming van belanghebbende houdt zich bezig met het renoveren van woningen voor derden.
2.3.
Voor de feitelijke bouwwerkzaamheden maakt belanghebbende steeds gebruik van dezelfde aannemingsbedrijven. In 2012 en de eerste helft van 2013 was dat [C.V. 1] . De beherend vennoot van deze CV was een vennootschap waarvan alle aandelen in handen waren van [A] . [A] vertegenwoordigde [C.V. 1] als gevolmachtigde.
Vanaf het voorjaar 2013 maakte belanghebbende ook gebruik van [Ltd. 1] Vanaf de tweede helft van 2013 tot eind 2014 was [Ltd. 1] de enige aannemer waar belanghebbende mee werkte. Van deze vennootschap was [A] de enige aandeelhouder en bestuurder.
2.4.
[C.V. 1] is op […] 2014 ontbonden terwijl [Ltd. 1] op […] 2016 is gefailleerd. Beiden hebben aanzienlijke bedragen aan omzetbelasting niet aangegeven, ten onrechte in aftrek gebracht en niet betaald.
2.5.
Naar aanleiding van de bevindingen van een boekenonderzoek bij [C.V. 1] heeft de Inspecteur begin 2014 derdenonderzoek gedaan bij belanghebbende. De Inspecteur heeft naar aanleiding van dit onderzoek op 27 maart 2014 een rapport aan belanghebbende uitgebracht. De Inspecteur stelt daarin vast dat belanghebbende in haar rol als aannemer, ter zake van de door de onderaannemers aan haar in rekening gebrachte bedragen toepassing dient te geven aan de verleggingsregeling van artikel 12, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 24b van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UBOB). In het rapport concludeert de Inspecteur niet tot naheffing. De Inspecteur deelt belanghebbende mee dat de aan haar gefactureerde omzetbelasting – onder voorwaarden – in vooraftrek wordt geaccepteerd.
2.6.
In het controlerapport van 27 maart 2014 is het volgende vermeld ter zake van het recht op vooraftrek en het afzien van naheffing:
“De in aftrek gebrachte voorbelasting zal in dit specifieke geval worden geaccepteerd. Voorwaarde hierbij is dat de door [Ltd. 1] gefactureerde omzetbelasting door haar op aangifte is aangegeven en betaald. Indien in de toekomst blijkt dat [Ltd. 1] de verschuldigde omzetbelasting niet op haar aangiften omzetbelasting aangeeft en/of niet betaald én blijkt dat belastingplichtige hiervan op enigerlei wetenschap van had, dan zal de uitbetaalde voorbelasting bij belastingplichtige worden nageheven.
Vanaf heden moet belastingplichtige, als hoofdaannemer, erop toezien dat de juiste facturen opgestuurd worden. Belastingplichtige kan geen voorbelasting meer in aftrek brengen wanneer deze ten onrechte op factuur aan u in rekening is gebracht.”
2.7.
Belanghebbende is kort na het uitbrengen van het rapport de verleggingsregeling gaan toepassen ter zake van de aan haar door [Ltd. 1] en daarna ingehuurde aannemers verrichte diensten.
2.8.
Op 22 juni 2017 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016. Op 8 augustus 2017 is het onderzoek uitgebreid naar de jaren 2012 en 2013. Het onderzoek is afgerond met een rapport van 22 november 2018. Daarin zijn naheffingsaanslagen aangekondigd ter zake van het niet-toepassen van de verleggingsregeling in de periode 2012 tot en met medio 2014. Bij de berekening daarvan heeft de Inspecteur de omzetbelasting die [C.V. 1] en [Ltd. 1] wel hebben voldaan, toegerekend en in mindering gebracht op de na te heffen bedragen. Voorts is daarin een vergrijpboete aangekondigd. De Inspecteur motiveert de boete met de stelling dat belanghebbende grofschuldig nalatig is geweest door niet de verleggingsregeling toe te passen.
2.9.
In het controlerapport van 22 november 2018 is door de Inspecteur inzake de zorgvuldigheid betracht door belanghebbende met betrekking tot [Ltd. 1] onder meer het volgende opgemerkt:
“(…) Naar aanleiding van de direct invorderbare aanslag van 2 december 2014 ten name van [Ltd. 1] hebben er (telefonische) contacten plaatsgevonden tussen de Ontvanger en [B.V. 4] Dit in verband met een eventueel te leggen beslag. Omdat [B.V. 4] heeft meegedeeld aan de Ontvanger dat er sprake is van vooruitbetalingen aan [Ltd. 1] voor te verrichten werkzaamheden door [Ltd. 1] is er geen beslag gelegd onder [B.V. 4] De betalingen vooraf waren in tegenspraak met eerdere verklaringen waarbij is meegedeeld dat [Ltd. 1] in termijnen werd betaald voor verrichte werkzaamheden. Betalingen liepen synchroon met de voortgang van het werk. Ook uit de summiere vastleggingen rondom de afgesproken aanneemprijs blijkt niet dat er vooruitbetaald is.
De directie van [belanghebbende] en [B.V. 4] moet op de hoogte zijn geweest dat [Ltd. 1] , bestuurder/aandeelhouder/ [A] , de belastingverplichtingen niet nakwam.
Toch onderhouden de heren [B] en [C] nadien zakelijke contacten met de heer [A] . Op 10 september 2015 stelt [B.V. 4] de heer [A] / [B.V. 5] op de hoogte van een verleende bouwvergunning met betrekking tot het te verbouwen pand [adres] te [woonplaats] . De verbouwing wordt verricht door [B.V. 5] , de ‘opvolger’ van [Ltd. 1] en [Bedrijf 1] .
[belanghebbende] en [B.V. 4] hebben nimmer bij de Belastingdienst geïnformeerd naar het betalingsgedrag van [C.V. 1] , [Ltd. 1] , [Bedrijf 1] / [D] en [B.V. 5] Allen malafide ondernemingen.Hierdoor [belanghebbende] kennelijk onvoldoende zorgvuldig gehandeld.
Gezien de veelheid aan onzorgvuldigheden en slordigheden is er bij [belanghebbende] en haar directie sprake van ‘kwade trouw’. Door na te laten informatie en bescheiden op te vragen, zich te verdiepen in branche-specifieke en branche-eigen risico’s en het nalaten zich in de toepasselijke wettelijke bepalingen te verdiepen, dan wel deze bewust niet toe te passen heeft [belanghebbende] en haar directie zich willens en wetens blootgesteld aan de niet als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat te weinig belasting zou worden betaald. De kennis van de fiscaal dienstlener (Registeraccountant) wordt hierbij toegerekend aan de belastingplichtige.”
2.10.
Met dagtekening van 27 december 2018 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegd ten bedrage van € 71.960 aan omzetbelasting (naheffingsaanslag I) alsmede een beschikking belastingrente.
Met dagtekening van 27 december 2018 heeft de Inspecteur voorts een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2014 opgelegd ten bedrage van € 96.603 (naheffingsaanslag II), alsmede een beschikking belastingrente en een vergrijpboete van € 24.150.
2.11.
Bij uitspraak op bezwaar van 25 november 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag II en de rentebeschikking in stand gelaten. De vergrijpboete heeft hij om reden van het tijdsverloop verminderd tot € 19.320.
Bij uitspraak op bezwaar van 23 december 2022 heeft de Inspecteur naheffingsaanslag I verminderd tot € 60.890 aan omzetbelasting, met overeenkomstige vermindering van de rentebeschikking.
2.12.1.
Bij brief van 19 december 2022, ontvangen door de Rechtbank op 20 december 2022, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
2.12.2.
De Rechtbank heeft bij brief van 22 december 2022 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen vier weken aan te vullen.
2.12.3.
Bij brief van 23 januari 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen.
2.12.4.
Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft de Rechtbank bij brief van 30 januari 2023 belanghebbende gelegenheid gegeven de gronden binnen acht weken aan te vullen.
2.12.5.
Bij brief van 24 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op dezelfde datum, heeft belanghebbende zijn gronden aangevuld.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Ontvankelijkheid
12. Eiseres heeft met dagtekening van 19 december 2022 pro-forma beroepschriften tegen de uitspraken op bezwaar van 25 november 2022 ingediend, die door de rechtbank zijn ontvangen op 20 december 2022. Bij brief van 22 december 2022 heeft de rechtbank eiseres verzocht haar beroepen uiterlijk binnen vier weken van de gronden te voorzien, mitsdien voor 20 januari 2023. Dat heeft eiseres gedaan bij brief van 23 januari 2024, door de rechtbank ontvangen op 24 januari 2024.
13. Op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien het niet de gronden bevat, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het binnen een door de rechtbank gestelde termijn te motiveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard om de reden dat eiseres de gronden enige dagen na het einde van de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.
14. De rechtbank ziet in die overschrijding van de door haar gestelde termijn geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijkheid te verklaren.
Beoordeling van het geschil
15. Eiseres beroept zich op het vertrouwen dat bij haar is gewekt door hetgeen rond het boekenonderzoek van begin 2014 is besproken, en dat zijn weerslag heeft gevonden in de navolgende passages uit het rapport van 27 maart 2014:
“Een groot deel van de geclaimde voorbelasting heeft betrekking op facturen van de onderaannemer ( [Ltd. 1] ). De onderaannemer had echter geen omzetbelasting op zijn factuur mogen aangeven, aangezien sprake is van de verleggingsregeling (…)
Wettelijk gezien bestaat er geen recht op aftrek van ten onrechte gefactureerde omzetbelasting.
De in aftrek gebrachte voorbelasting zal in dit specifieke geval worden geaccepteerd. Voorwaarde hierbij is dat de door [Ltd. 1] gefactureerde omzetbelasting door haar op aangifte is aangegeven en betaald. Indien in de toekomst blijkt dat [Ltd. 1] de verschuldigde omzetbelasting niet op haar aangiften omzetbelasting aangeeft en/of niet betaald én blijkt dat belastingplichtige hiervan op enigerlei wetenschap van had, dan zal de uitbetaalde voorbelasting bij belastingplichtige worden nageheven.
Vanaf heden moet belastingplichtige, als hoofdaannemer, erop toezien dat de juiste facturen opgestuurd worden. Belastingplichtige kan geen voorbelasting meer in aftrek brengen wanneer deze ten onrechte op factuur aan u in rekening is gebracht.
(…)
We hebben de heer [B] medegedeeld dat we op kantoor zullen doorgeven dat de geclaimde teruggaven over het derde en vierde kwartaal 2013 uitbetaald kunnen worden.”
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de hierboven geciteerde passage het rechtens te beschermen vertrouwen bij eiseres gewekt dat de verleggingsregeling van artikel 24b UBOB buiten toepassing wordt gelaten ter zake van de tot de datum van het rapport door onderaannemers aan haar in rekening gebrachte bedragen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen.
16.1.
In de passage heeft verweerder expliciet te kennen gegeven de door [Ltd. 1] tot de datum van het rapport in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek te laten, dit onder het voorbehoud dat hij tot naheffing zal overgaan als zou blijken dat [Ltd. 1] haar verplichtingen uit hoofde van de Wet OB niet naleefde en eiseres daar op enigerlei wijze wetenschap van had. Eiseres heeft deze uitlating redelijkerwijs als toezegging mogen opvatten.
16.2.
Voorts heeft eiseres de uitlating redelijkerwijs zo mogen opvatten, dat zij zich uitstrekt tot alle tot medio maart 2017 door onderaannemers aan haar in rekening gebrachte bedragen. Het onderzoek beperkte zich blijkens de aankondiging en het rapport ervan tot de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013. In die periode was [Ltd. 1] de enige door eiseres ingeschakelde onderaannemer en was bijgevolg de enige die bij het onderzoek als onderaannemer naar voren is gekomen. Dat verweerder zijn toezegging niet generiek heeft geformuleerd, hoeft tegen deze achtergrond geenszins te betekenen dat hij haar tot de door [Ltd. 1] in rekening gebrachte omzetbelasting heeft willen beperken. Eiseres heeft integendeel mogen aannemen dat de toezegging ook gold ten aanzien van de onderaannemer die [Ltd. 1] was voorgegaan, om de reden dat aan het rapport niet is te ontlenen en ook overigens niet is in te zien dat of waarom ten aanzien van de door hem gefactureerde bedragen iets anders zou gelden.
16.3.
De toezegging is weliswaar in strijd met het gestelde in artikel 24b UBOB, maar gelet op het doel en de strekking van de bepaling is zij niet zozeer in strijd daarmee dat zij niet rechtens te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken. Artikel 24b UBOB heeft hetzelfde doel als artikel 35 van de Invorderingswet 1990 (IW), kort gezegd het bestrijden van misstanden die zich bij onderaanneming kunnen voordoen. Artikel 35 IW voorziet daartoe in hoofdelijke aansprakelijkheid van door de onderaannemer verschuldigde loonbelasting. Aanvankelijk was ook voor de omzetbelasting voorzien in zodanige hoofdelijke aansprakelijkheid, maar omdat het systeem van de zgn. G-rekening voor de omzetbelasting niet op verantwoorde wijze kon worden toegepast is in plaats daarvan gekozen voor verlegging.[2] Bij de toezegging van verweerder, met het daaraan verbonden voorbehoud, werkt de verleggingsregeling uit als aansprakelijkheid voor door de onderaannemer onbetaald gelaten omzetbelasting. De toezegging is aldus in lijn met wat de wetgever met de bepaling voor ogen had en is daarmee niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat eiseres daar niet op heeft mogen vertrouwen.
16.4.
Het voorbehoud kent twee cumulatieve toepassingsvoorwaarden. Verweerder heeft niet gesteld en het is niet overigens aannemelijk geworden dat eiseres op enigerlei wijze wetenschap ervan had dat de onderaannemers hun verplichtingen uit hoofde van de Wet OB niet nakwamen. Het voorbehoud is daarmee niet van toepassing.
17. Verweerder betoogt dat het Unierecht belet het bij eiseres gewekte vertrouwen te honoreren. Volgens hem bestaat bij de tenuitvoerlegging van het Unierecht geen ruimte voor een verdergaande bescherming van gewekt vertrouwen dan door het Unierechtelijke vertrouwenbeginsel geboden wordt, terwijl dat beginsel geen werking contra legem heeft. De rechtbank wijst dit betoog om de navolgende redenen van de hand.
17.1
De rechtspraak van het Hof van Justitie waarin het heeft uitgesproken dat geen ruimte bestaat voor verdergaande bescherming van vertrouwen dan door het Unierecht geboden wordt, heeft steeds betrekking op gevallen waarin sprake is van rechtstreekse tenuitvoerlegging van het Unierecht, dan wel van terugvordering van staatssteun of van Europese subsidies en restituties. Aan de rechtspraak van het Hof van Justitie is niet rechtstreeks te ontlenen of en in hoeverre buiten die gevallen hetzelfde geldt.
In een zaak die de indirecte tenuitvoerlegging van het Unierecht middels toepassing van de Wet OB betrof, heeft de advocaat-generaal bij de Hoge Raad hem aanbevolen die vraag aan het Hof van Justitie voor te leggen. In zijn arresten van 10 december 2021 en 18 februari 2022 is de Hoge Raad aan die aanbeveling voorbij gegaan, met de overweging dat niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat toepassing van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel – althans op de in de arresten besproken punten – strookt met het Unierecht.[3]
De rechtbank maakt uit deze arresten op dat in de context van de omzetbelastingwetgeving toepassing van het vertrouwensbeginsel contra legem eerst door het Unierecht wordt belet bij een zodanig strijd met een juiste wetstoepassing dat redelijkerwijs niet op de desbetreffende uitlating van het bestuursorgaan mocht worden vertrouwd. Daarvan is in casu geen sprake (zie r.o. 16.3).17.2 In dit geval is toepassing van het vertrouwensbeginsel echter al niet contra legem in Unierechtelijk relevante zin.
Als het Unierecht zich tegen toepassing van het nationaalrechtelijke vertrouwensbeginsel verzet, dan is het omdat anders aan het Unierecht zijn volle werking onthouden zou worden. De door verweerder aan de rechtspraak van het Hof van Justitie ontleende regel dat het vertrouwensbeginsel geen werking contra legem heeft, betekent dat het beginsel niet kan voeren tot een wetstoepassing die strijdig is met een regeling van het Unierecht.[4]
Bij de invoering van artikel 24b UBOB was er niet een regel van Unierecht waarop zij kon worden gebaseerd; de regeling is ingevoerd na daartoe van de Raad van de EG verkregen machtiging.[5] Met de BTW-richtlijn 2006 heeft de bepaling een basis gevonden in artikel 199 daarvan. Op grond van het eerste lid, aanhef en onderdeel a van dit artikel 199 is het de lidstaten toegestaan de heffing ter zake van bouwwerkzaamheden te verleggen.
Omdat niet met het Unierecht in strijd is af te zien van enige verleggingsregeling ter zake van bouwwerkzaamheden, is ook niet met Unierecht in strijd toepassing van zodanige regeling op grond van het vertrouwensbeginsel achterwege te laten.
18. Gelet op de wijze waarop het debat tussen partijen zich heeft ontwikkeld, had het op de weg van verweerder gelegen om – als daarvoor termen zouden zijn – te stellen dat en in hoeverre in naheffingsaanslag II omzetbelasting is begrepen die op een zodanig moment na eind maart 2014 door [Ltd. 1] aan eiseres in rekening is gebracht, dat naheffing ervan niet door het vertrouwensbeginsel wordt belet. Nu verweerder dat niet heeft gesteld en daarvan ook niet uit de stukken blijkt, neemt de rechtbank aan dat daarvan geen sprake is.
19. De slotsom is dat het vertrouwensbeginsel aan de oplegging van beide naheffingsaanslagen in de weg staat. De rechtbank zal de beroepen van eiseres om die reden gegrond verklaren.
Overschrijding redelijke termijn
20. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
21. Eiseres heeft tegen bij brief van 5 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen c.a.. Vanaf dat moment tot de uitspraak van de rechtbank zijn ruim vijfenhalf jaar verstreken. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn met (afgerond) vier jaar is overschreden. De rechtbank ziet daarin aanleiding een vergoeding ter zake van immateriële schade toe te kennen van € 4.000. De termijnoverschrijding is voor drieënhalf jaar toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor een half jaar aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 3.500 aan eiseres te vergoeden en de Staat een bedrag van € 500.
Proceskosten
22. Nu de beroepen van eiseres gegrond zijn, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de zij de onderhavige zaken aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van [B.V. 4] en met die van [Samenwerkingsverband B en C] .
23. Eiseres heeft in de bezwaarfase aanspraak gemaakt om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. In de beroepsfase heeft zij verzocht om integrale proceskostenvergoeding.
24. Om af te wijken van een forfaitaire proceskostenvergoeding moet op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit sprake zijn van een bijzondere omstandigheid. Bijzondere omstandigheden die een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen doen zich voor als verweerder een besluit neemt of handhaaft terwijl duidelijk is dat het besluit in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden, of als hij anderszins in vergaande mate onzorgvuldig handelt.[6]
25. Naar het oordeel van de rechtbank was niet in die mate voorzienbaar dat het door verweerder aan het Unierecht ontleende standpunt in rechte geen stand zou houden, dat om die reden afwijking van het forfait geboden is.
Anders is dat met betrekking tot de vergrijpboete. De aard van een boete als strafsanctie brengt mee dat de oplegging ervan niet een verplichtend karakter heeft maar steeds op een discretionaire bevoegdheid berust, waarmee niet in beeld komt dat contra legem zou zijn daarvan af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder dan ook beter moeten weten, dan bij het opleggen van de boete aan het door hem begin 2014 gewekte vertrouwen voorbij te gaan.
Bij uitspraak van heden in de zaken van [B.V. 4] en van [Samenwerkingsverband B en C] oordeelt de rechtbank in vergelijkbare zin over de aan hen opgelegde vergrijpboete.
26. Eiseres heeft geen opgave gedaan van de door haar belopen kosten van rechtsbijstand en heeft niet gespecificeerd welke tijd haar gemachtigde aan welke onderwerpen heeft besteed. De rechtbank kan daardoor niet bepalen welk bedrag aan kosten van rechtsbijstand is gemoeid met standpunten die verweerder tegen beter weten in heeft betrokken, maar wel constateert zij dat de gemachtigde in betekenende mate tijd heeft besteed aan de bestrijding van de boeten. Om deze redenen geeft de rechtbank toepassing aan artikel 2, derde lid, van het Besluit door de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding te verdubbelen.
27. De rechtbank stelt aldus de te vergoeden kosten op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 8.994 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, factor 1,5 vanwege het aantal beroepen en vermenigvuldigd met 2 om de hiervoor genoemde reden).
De rechtbank kent in de onderhavige zaken een derde van deze vergoeding, derhalve € 2.998 toe aan eiseres.
(…)
[2] Zie de toelichting op het Besluit van 19 juni 1982, Stb. 357, waarmee artikel 24b UBOB is ingevoerd. [3] HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849, r.o. 3.3.2 t/m 3.3.5 en HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:269, r.o. 4.6.1 t/m 4.6.4. [4] Zie bijv. zaak C-568/11, Krücken (1988) en zaak C-568/11, Agroferm AS (2013). [5] Zie PbEG nr. C 175 van 13 juli 1982 en PbEG nr.C 197 van 31 juli 1982. [6] Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.”Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de Rechtbank de naheffingsaanslagen, rentebeschikkingen en de boetebeschikking terecht heeft vernietigd.
4.2.
Specifiek is in geschil:
– of de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien de beroepen niet-ontvankelijk
te verklaren;
– of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het vertrouwensbeginsel is
geschonden;
– of het recht op aftrek van de btw, zoals vermeld op de facturen van haar onderaannemers, moet worden geweigerd omdat belanghebbende wist of behoorde te weten dat zij met de handeling waarvoor aanspraak op vooraftrek wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen;
– met welk bedrag, in het geval het vertrouwensbeginsel is geschonden, de onderhavige naheffingsaanslagen dienen te worden verminderd;
– of recht op interne compensatie bestaat voor een bedrag van € 11.070 over 2012,
€ 23.955 voor 2013 en € 11.087 of € 9.362 voor 2014;
– of de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding heeft verdubbeld en terecht een kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen van belanghebbende, subsidiair tot handhaving van de naheffingsaanslagen en meer subsidiair tot gedeeltelijke vermindering van de naheffingsaanslagen. Indien het Hof van oordeel is dat de naheffingsaanslagen verminderd of vernietigd moeten worden, doet de Inspecteur een beroep op interne compensatie. Verder concludeert de Inspecteur tot vermindering van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding en tot vernietiging van de veroordeling in de proceskosten voor de bezwaarfase.
4.4.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Zijn de beroepen terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank?
5.1.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat de Rechtbank belanghebbende op 22 december 2022 heeft verzocht om de gronden van het beroep binnen een termijn van vier weken in te dienen, zijnde uiterlijk 20 januari 2023. Belanghebbende heeft de gronden van het beroep pas op 23 januari 2023 ingediend. Omdat belanghebbende de termijn heeft overschreden en de Rechtbank niets heeft vastgesteld over de eventuele verschoning van de overschrijding van de termijn dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.2.1.
Op grond van artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de gronden van het bezwaar.
5.2.2.
Artikel 6:6, aanhef, onderdeel a, en slotregel, Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
5.2.3.
Het procesreglement van de Rechtbank (geldend in 2022 en 2023) vermeldt voor zover van belang:
“Artikel 2.4 Herstel van een verzuim en opvragen machtiging (de artikelen 6:5, 6:6, 8:24 en 8:36a van de Awb)
1. Indien sprake is van een herstelbaar verzuim als bedoeld in artikel 6:6 of 8:36a van de Awb of indien de bestuursrechter van een gemachtigde een machtiging verlangt, stelt de bestuursrechter de indiener van het beroepschrift per bericht in de gelegenheid binnen vier weken het verzuim te herstellen dan wel de machtiging in te zenden.
(…)
3. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats, indien:
a. in het geval op papier wordt geprocedeerd de uitnodiging om het verzuim te herstellen bij aangetekende brief is verzonden of anderszins vaststaat dat de uitnodiging is ontvangen,
b. in de uitnodiging is medegedeeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld en het verzuim niet verschoonbaar is, en
c. binnen de termijn geen herstel heeft plaatsgevonden en dit verzuim niet verschoonbaar is.”
5.3.
Artikel 6:6 van de Awb bevat geen verplichting maar een discretionaire bevoegdheid voor de Rechtbank om een beroep niet-ontvankelijk te verklaren (vgl. HR 2 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AW7608, BNB 1987/318). Anders dan de Inspecteur meent, volgt uit artikel 2.4 van het procesreglement (zie 5.2.3) ook geen verplichting een beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Dat artikel stelt slechts de voorwaarden waaronder de rechtbanken kunnen overgaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep.
5.4.1.
Belanghebbende heeft in zijn brief, ontvangen door de Rechtbank op 23 januari 2023, de gronden van het beroep kort weergegeven en verzocht om de termijn voor het aanvoeren van nadere gronden met acht weken te verlengen. De Rechtbank is bij brief van 30 januari 2023 aan dit verzoek tegemoetgekomen. Zoals uit overweging 14 van haar uitspraak volgt, heeft de Rechtbank geen reden gezien de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het Hof vindt dit oordeel niet onlogisch. Het feit dat belanghebbende de motivering enkele dagen na de aanvankelijk gestelde termijn heeft ingediend en dat aan belanghebbende vervolgens (nogmaals) uitstel is verleend om de beroepen verder te motiveren, heeft het verdere goede verloop van de procedure niet belemmerd. De Inspecteur is bijvoorbeeld niet benadeeld door het feit dat de motivering later is ingediend. Hij heeft immers voldoende gelegenheid gehad daarop te reageren. Daarbij weegt het belang van belanghebbende dat zijn beroepen worden beoordeeld door de rechter in dit geval zwaarder dan het feit dat de motivering enkele dagen later dan de aanvankelijk gestelde termijn is ontvangen.
5.4.2.
De situatie van belanghebbende verschilt ook van de door de Inspecteur aangehaalde situatie in de uitspraak van dit Hof, ECLI:NL:GHDHA:2022:948. In de laatstgenoemde zaak was belanghebbende een paar maanden te laat met het indienen van de gronden van het beroep. In dit geval heeft belanghebbende de brief met de verkorte motivering en het uitstelverzoek slechts enkele dagen te laat ingediend en heeft de Rechtbank (nogmaals) uitstel verleend om de beroepen verder te motiveren. Nadat de Rechtbank het verzochte uitstel had verleend, heeft belanghebbende de motivering binnen de gestelde termijn ingediend (zie 2.12).
5.4.3.
Dat de Inspecteur zich niet kan vinden in het oordeel van de Rechtbank of op een uitgebreidere motivering rekende, betekent niet dat de Rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Wat er verder ook zij van deze stelling van de Inspecteur, hij heeft het standpunt ingenomen dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar de Rechtbank en hieraan geen verdere conclusie verbonden zodat deze stelling nergens toe leidt.
5.5.
Het Hof oordeelt dat de beroepen terecht ontvankelijk zijn verklaard door de Rechtbank.
Is het beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte gehonoreerd?
5.6.
De Inspecteur betoogt dat de Rechtbank ten onrechte het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel heeft gehonoreerd. De Inspecteur stelt in dat kader allereerst dat de toepassing van het vertrouwensbeginsel in strijd komt met het EU-recht, nu uit het arrest Nigl van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU, 12 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:764) volgt dat de Inspecteur na het boekenonderzoek van 2017 terug mocht gaan tot alle tijdvakken waarvoor de naheffingstermijn nog niet was verstreken. Uit andere jurisprudentie van het HvJEU volgt daarnaast dat het vertrouwensbeginsel niet contra legem kan worden ingeroepen. Nu sprake is van evidente strijd met een duidelijke bepaling van EU-recht kan het beginsel niet worden ingeroepen door belanghebbende. Daarnaast behoorde belanghebbende te weten dat [Ltd. 1] de btw niet had aangegeven en niet had voldaan. Belanghebbende was onzorgvuldig en had kunnen weten dat de onderaannemers malafide waren. Om die reden is niet voldaan aan de voorwaarde gesteld in het controlerapport van 2014 en kan belanghebbende geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel.
5.7.
Belanghebbende stelt dat de tekst van het controlerapport duidelijk is en dat daarin de aftrek van voorbelasting in stand wordt gelaten. Alleen indien op een later moment blijkt dat onderaannemers de btw niet op aangifte hebben aangegeven en voldaan en belanghebbende dit wist, zal een naheffing worden opgelegd, aldus het controle rapport. Nu belanghebbende geen wetenschap had van het niet aangeven en niet voldoen van btw, dient het beroep op het vertrouwensbeginsel te worden gehonoreerd.
5.8.
Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht de toepassing van het vertrouwensbeginsel in overeenstemming met het EU-recht heeft bevonden. Zo overweegt de Hoge Raad in HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2095 onder meer als volgt:
“3.8.5. (…) Het Hof van Justitie heeft immers ook in zijn rechtspraak herhaaldelijk geoordeeld dat het recht om zich op het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen te beroepen, toekomt aan iedere betrokkene die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat de bevoegde autoriteit, door hem nauwkeurige, toezeggingen te doen, bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt (zie in die zin HvJ 7 augustus 2018, Ministru Kabinets, C-120/17, ECLI:EU:C:2018:638, punten 48 tot en met 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede HvJ 17 oktober 2018, Klohn, C167/17, ECLI:EU:C:2018:833, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).(…)”
5.9.
In HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849 is expliciet aan de orde de vraag onder welke omstandigheden een belastingplichtige vertrouwen kan ontlenen aan een boekenonderzoek. In rechtsoverwegingen 3.3.1 t/m 3.3.4 geeft de Hoge Raad de randvoorwaarden voor een geslaagd beroep op gewekt vertrouwen naar aanleiding van een toezegging in een rapportage van een boekenonderzoek. In 3.3.2 overweegt de Hoge Raad:
“Voor een geval als dit, waarin de inspecteur zich in het controlerapport expliciet heeft uitgelaten, geldt het volgende. Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur, kan de belastingplichtige zich onder voorwaarden met succes beroepen op daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de fiscus in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Daarbij is bovendien vereist dat die toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezeggingen in redelijkheid niet mocht rekenen.”
In 3.3.5 overweegt de Hoge Raad vervolgens als volgt:
“Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat hetgeen hiervoor in 3.3.2 tot en met 3.3.4 is overwogen, strookt met het Unierecht.”
5.10.
Daarnaast wijst het Hof op HR 9 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4280, BNB 1990/238, waaruit volgt dat het vertrouwensbeginsel in de weg kan staan aan naheffing van in aftrek gebrachte btw die enkel op grond van artikel 37 Wet OB is verschuldigd, zoals in het onderhavige geval. In dit arrest, dat het eindarrest is in de door het HvJEU beoordeelde zaak Genius Holding (HvJEU, 13 december 1989, ECLI:EU:C:1989:635), overweegt de Hoge Raad als volgt:
“2.5. (…) Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de inspecteur beletten om belasting die enkel op grond van artikel 37 is verschuldigd, na te heffen van de persoon die haar in aftrek had gebracht; daarbij valt met name te denken aan gevallen waarin de belastingadministratie – hetzij in het algemeen, dan wel bij de bedoelde persoon – het in rechte te eerbiedigen vertrouwen had gewekt dat naheffing achterwege zou blijven. Dat zodanig geval zich te dezen zou hebben voorgedaan is, voor zover uit de bestreden uitspraak en de stukken van het geding valt af te leiden, ten processe echter gesteld noch gebleken.”
5.11.
Op grond van het voorgaande concludeert het Hof dat toepassing van het vertrouwensbeginsel in een geval als het onderhavige niet per definitie in strijd komt met het EU-recht. Het Hof zal dan ook beoordelen of belanghebbende aan het controlerapport uit 2014 daadwerkelijk het in rechte te beschermen vertrouwen heeft mogen ontlenen dat recht bestond op aftrek van voorbelasting ter zake van ten onrechte aan haar in rekening gebrachte btw.
5.12.
De vraag komt dan op of belanghebbende wist of had moeten weten dat [Ltd. 1] en [C.V. 1] de btw niet zouden aangeven en voldoen. Indien dit immers het geval zou zijn, komt aan belanghebbende geen recht op aftrek toe aldus het betoog van de Inspecteur. De Inspecteur stelt dat belanghebbende onzorgvuldig is geweest en heeft verzuimd nader onderzoek te doen naar de onderaannemers. Hiermee betoogt de Inspecteur in essentie dat belanghebbende had kunnen weten dat de onderaannemers de btw niet hadden aangegeven en voldaan, waarmee de voorwaarde zoals gesteld in het controlerapport van 2014 om niet tot naheffing over te gaan, is geschonden.
5.13.
Naar het oordeel van het Hof gaat de Inspecteur met het voorgaande betoog voorbij aan de tekst van het controlerapport. Daarin staat immers dat pas tot naheffing zal worden overgegaan indien [Ltd. 1] “de verschuldigde omzetbelasting niet op haar aangiften omzetbelasting aangeeft en/of niet betaald én blijkt dat belastingplichtige hiervan op enigerlei wetenschap van had, dan zal de uitbetaalde voorbelasting bij belastingplichtige worden nageheven.” Hieruit volgt dat alleen indien belanghebbende wetenschap had van het niet aangeven en voldoen van de btw, naheffing zou plaatsvinden. Met hetgeen naar voren is gebracht in zijn verweer bij de Rechtbank en in zijn hogerberoepschrift heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende wetenschap had van het niet aangeven en voldoen van de btw door de onderaannemers. De Inspecteur heeft vooral willen betogen dat belanghebbende onzorgvuldig is geweest en had moeten weten dat de onderaannemers hun btw-verplichtingen niet nakwamen. Wat daarvan zij, het door de Inspecteur gestelde is niet voldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende wetenschap had van het niet nakomen van deze verplichtingen. Belanghebbende mocht er gelet op de tekst van het controlerapport gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Inspecteur zou afzien van naheffing van de in aftrek gebrachte btw die door de onderaannemers in rekening is gebracht. Het Hof acht niet zo duidelijk in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de Inspecteur de toezegging niet zou nakomen.
5.14.
De Inspecteur stelt vervolgens dat – als sprake is van gewekt vertrouwen – dit uitsluitend ziet op de door [Ltd. 1] in rekening gebrachte btw en niet op de door [C.V. 1] in rekening gebrachte btw. Toegegeven moet worden dat de passage opgenomen in 2.6 van deze uitspraak toegesneden is op [Ltd. 1] Het Hof is echter van oordeel dat belanghebbende ervan mocht uitgaan dat de Inspecteur de door [C.V. 1] in rekening gebrachte btw ook had beoordeeld. Het staat immers vast dat [C.V. 1] in 2013 aanzienlijke bedragen aan btw in rekening heeft gebracht, terwijl deze aannemer dezelfde diensten aan belanghebbende verrichtte als [Ltd. 1] In het controlerapport staat bovendien dat de geclaimde voorbelasting wordt geaccepteerd zonder dat een voorbehoud wordt gemaakt ten aanzien van de door [C.V. 1] in rekening gebrachte btw. Indien de Inspecteur van oordeel was dat de door [C.V. 1] in rekening gebrachte btw niet voor aftrek in aanmerking kwam, had het voor de hand gelegen dat deze dit expliciet in het controlerapport van 2014 had aangegeven. Nu de Inspecteur dit achterwege heeft gelaten, mocht belanghebbende ook ten aanzien van de door [C.V. 1] ten onrechte in rekening gebrachte btw er gerechtvaardigd op vertrouwen dat deze in aftrek zou worden toegelaten en dat ter zake geen naheffing zou worden opgelegd.
5.15.
Tenslotte stelt de Inspecteur meer subsidiair dat indien het Hof het vertrouwensbeginsel van toepassing acht, dit niet dient te gelden voor de in aftrek gebrachte btw over de periode vanaf 27 maart 2014. Naar het oordeel van het Hof stelt de Inspecteur terecht dat het vertrouwensbeginsel na 27 maart 2014 niet in de weg staat aan naheffing, omdat het controlerapport van 2014 expliciet aangeeft dat vanaf 27 maart 2014 geen facturen met btw mogen worden geaccepteerd en dergelijke btw niet in aftrek zal worden toegelaten. Belanghebbende heeft dat ter zitting bij het Hof ook onderkend. Zoals blijkt uit de gedingstukken is in de periode van 1 april t/m 1 juli 2014 een bedrag van € 3.270 aan btw door [Ltd. 1] ten onrechte in rekening gebracht aan belanghebbende, zodat de naheffingsaanslag tot op dit bedrag verminderd dient te worden
5.16.
De Inspecteur stelt voorts nog dat ten aanzien van de naheffing over de periode tot 1 april 2014 recht bestaat op interne compensatie indien het Hof oordeelt dat de betreffende naheffing verminderd moeten worden. Het recht op interne compensatie bestaat volgens de Inspecteur voor het verschil tussen het bedrag dat nageheven had kunnen worden en hetgeen daadwerkelijk is nageheven. Hierbij bestaat het bedrag dat nageheven had kunnen worden uit de door [C.V. 1] en [Ltd. 1] ten onrechte gefactureerde omzetbelasting. In de naheffingsaanslagen heeft de Inspecteur dit bedrag verminderd met de door [C.V. 1] en [Ltd. 1] wel op aangifte voldane btw voor zover deze is toe te rekenen aan belanghebbende. De Inspecteur wenst deze wel voldane btw die niet in de naheffingsaanslagen was begrepen alsnog na te heffen via interne compensatie. Naar het oordeel van het Hof staat het vertrouwensbeginsel evenwel ook in de weg aan heffing van btw op basis van interne compensatie. Belanghebbende mocht er immers gerechtvaardigd op vertrouwen dat de Inspecteur de aftrek van btw in stand zou laten en zou afzien van naheffing. Een beroep op interne compensatie zou de werking van het vertrouwensbeginsel doorkruizen. De Inspecteur kan zich dan ook niet beroepen op interne compensatie.
Heeft de Rechtbank terecht de forfaitair bepaalde proceskostenvergoeding verdubbeld?
5.17.1.
Op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb is de bestuursrechter bevoegd een partij
te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in
verband met de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep bij de
bestuursrechter. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) zijn nadere regels
opgenomen over de kosten waarop de veroordeling betrekking kan hebben en de wijze
waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. Ter zake van de kosten van
beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn tarieven opgenomen in de bijlage bij het Besluit.
Op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan de rechter in bijzondere omstandigheden
naar boven of naar beneden afwijken van die tarieven, of afzien van toekenning van een
proceskostenvergoeding.
5.17.2.
Van een bijzondere omstandigheid als hiervóór bedoeld kan sprake zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Voor een hogere proceskostenvergoeding is voorts plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802).
5.17.3.
De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de Inspecteur tegen beter weten in het standpunt over de vergrijpboete heeft gehandhaafd terwijl belanghebbende een pleitbaar beroep deed op het vertrouwensbeginsel. Hierin heeft de Rechtbank een bijzondere omstandigheid gevonden om naar boven af te wijken van de in het Besluit geregelde forfaitaire proceskostenvergoeding door deze te verdubbelen. De Rechtbank heeft daarmee voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de bijzondere omstandigheid ook gevonden kan worden in de (negatieve) proceshouding van de Inspecteur. Het dossier bevat bijvoorbeeld ook (interne) e-mails van de Inspecteur die -begrijpelijkerwijs- als grievend worden ervaren door belanghebbende. Enige empathie op dit punt aan de zijde van de Inspecteur ontbreekt. De (negatieve) proceshouding laat zich bijvoorbeeld ook zien in de formalistische en starre opstelling van de Inspecteur met betrekking tot de formeelrechtelijke aspecten. Gelet op de (financiële) invloed van een belastingprocedure zoals deze op een belastingplichtige had een minder formalistische proceshouding van de Inspecteur voor de hand gelegen.
Heeft de Rechtbank terecht een proceskostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase?
5.18.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor de
bezwaarfase heeft toegekend. De Inspecteur voert aan dat hij in de uitspraak op bezwaar
belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Uit de
processtukken blijkt volgens de Inspecteur niet dat het beroep van belanghebbende ook
betrekking heeft op deze afwijzing. De Rechtbank is dan ook buiten de rechtsstrijd getreden
door toch een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bezwaarfase, aldus de
Inspecteur.
5.19.
Niet in geschil is dat belanghebbende in de bezwaarfase heeft verzocht om een
proceskostenvergoeding zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 7:15, lid 3, van de Awb.
Verder heeft belanghebbende in het beroepschrift verzocht om: “veroordeling in de kosten
van het geding in alle instanties van verweerder.” Aangezien de Rechtbank (onder andere)
heeft geoordeeld dat de Inspecteur de boetes ten onrechte heeft opgelegd, mocht zij een
proceskostenvergoeding toekennen voor de bezwaarfase. Gelet op het verzoek van
belanghebbende is de Rechtbank, anders dan de Inspecteur meent, niet buiten de rechtsstrijd
getreden.
Slotsom
5.20.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof:
–
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking over de periode 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2014 zijn vernietigd;
–
vermindert de naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2014 tot € 3.270 en vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, L.D.M.A Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra W. de Wit
De beslissing is op 25 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 – (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 – het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. – de naam en het adres van de indiener;
b. – de dagtekening;
c. – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. – de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.